Wanderings

Tag: Schuld

Het met-de-kennis-van-nu syndroom

Leestijd: 3 minuten

Het werd uiteindelijk een trouwboekje met een strafblad. “Hadden ze de bruiloft maar met zijn tweeën gevierd”, treurde Grapperhaus achteraf ter verdediging in de Tweede Kamer. Een typisch geval van het-met-de-kennis-van-nu syndroom, de ultieme smoes om iets goed te praten wat je vooraf had kunnen weten. En het zou zo maar kunnen dat Balkenende er de uitvinder van is.

Berichtje uit de Volkskrant van 7 september 2020.

Het is 20 maart 2003. The Coalition of the Willing valt Irak aan. Nederland doet officieel niet mee en verleent slechts politieke steun, zo heet het. Later blijkt dat echter niet helemaal waar te zijn. Er werden ook Nederlandse commando’s en F-16’s ingezet.

De Tweede Kamer volgt het allemaal met argusogen en drijft het kabinet steeds verder de hoek in. Uiteindelijk zwicht Balkenende voor de politieke druk en stelt de commissie Davids in, teneinde een parlementaire enquête te voorkomen. Davids concludeert in zijn rapport dat ‘een adequaat volkenrechtelijk mandaat’ voor de inval in Irak ontbrak. Dat is een niet gering verwijt aan het adres van de regering.

Op 13 januari 2010 is er in de Tweede Kamer een debat over het rapport, waarin Femke Halsema vraagt aan Balkende of hij nu weer dezelfde beslissing zou nemen. Zijn antwoord is inmiddels legendarisch: “Als je met de inzichten van nu terug zou kijken, denk ik dat je het anders zou hebben gedaan.”

Met-de-kennis-van-nu

‘Met-de-kennis-van-nu’ is sinds die tijd de reddingsboei van velen die forse kritiek kregen. Geen marinierskazerne naar Zeeland, discriminatie bij de Belastingdienst, burgerslachtoffers na bombardementen op Hawija? Met-de-kennis-van-nu hadden we het niet gedaan. Het is een general disclaimer, het met-de-kennis-van-nu syndroom.

Mensen maken fouten, dat klopt, en vaak doen ze dat niet expres. Maar mensen nemen ook bewust risico’s die ze achteraf toedekken met zogenaamd nieuwe kennis en inzichten. Of ze wisten het wel, maar hadden geen zin er iets aan te doen. Of namen aan dat het zo’n vaart niet zou lopen. Of hadden slechte afspraken gemaakt over wie er verantwoordelijk was. Of het kon ze misschien niet eens schelen. We zullen het elke keer weer nooit weten en we zullen er ook niks van leren, dankzij het met-de-kennis-van-nu syndroom. De ultieme smoes om iets goed te praten wat je vooraf had kunnen weten. Of al wist.

Papendal

Dat syndroom is niet slechts voorbehouden aan de politiek. 9 januari 2018 suist BMX’er Jelle van Gorkom van de startschans op Papendal, waar hij zich een fractie later met zestig km/u kapotrijdt op een ketting, die daar gespannen was om onbevoegd gebruik van de baan tegen te gaan. Van Gorkom ligt weken op de intensive care en zal nooit meer herstellen van zijn verwondingen. Tegenwoordig gaat hij gehandicapt door het leven.

De BMX baan op Papendal, screenshot via Google Maps

Toen ik hier voor het eerst van hoorde was ik kwaad. Wat voor bedrijf ben je als je onderaan zo’n schans, buiten het zicht, een ketting spant om illegaal gebruik tegen te gaan? Dan weet je toch dat je mensen in gevaar brengt?

Vanuit de kranten doemt over die vraag een mist op aan onduidelijke procedures en verantwoordelijkheden, de kroniek van een aangekondigd ongeval. Daar heb je geen kennis van nu voor nodig, dat zag je toen ook al, als je echt had gekeken. Maar-met-de-kennis-van-nu hadden ze die ketting niet aangelegd, vast niet.

Wat ik me nu al heel lang afvraag: zouden ze er op Papendal echt ook wat van geleerd hebben? Of hebben ze alleen die ketting weggehaald? Hebben ze die ketting eigenlijk wel weggehaald?

Dit blog is ook verschenen als column in NVVK Info 2020-3. Het is onderdeel van het hoofdstuk Veiligheid op Rizoomes.

De ervaring van verlies; 25 jaar Motorkade

Leestijd: 7 minuten

Op 19 april 2020 is het vijfentwintig jaar geleden dat het fatale ongeval op de Motorkade plaatsvond. Bert, Joan en Rob, trotse brandweermannen van kazerne IJsbrand in Amsterdam, kwamen die avond niet mee terug. Dat was voor heel veel mensen een gebeurtenis met een enorme impact, ook voor mij. Ik schreef er eerder al over in ‘het horloge van Bert’. Met dit zwarte jubileum in aantocht keek ik oude foto’s terug, en besloot er nog één keer een blog aan te wijden. Over de ervaring van verlies.

Vergeten gezichten

Ik kan me de gezichten van Bert, Joan en Rob niet goed meer voor de geest halen. Als ik me actief probeer te herinneren hoe ze er ook alweer uitzagen, komen er slechts flarden naar boven. Een flard van Joan als de grote rustige reus, vriendelijke ogen boven een vlassig snorretje. We waren ongeveer even oud. Rob herinner ik me vooral als een lange man, die graag overal de draak mee stak. En Bert was blond, met een aanstekelijke lach waarmee hij zijn tanden vrolijk ontblootte. Maar hij was ook ambitieus en net klaar met zijn opleiding tot bevelvoerder.

Dat is het. Meer krijg ik niet boven water. Het voelt als heel weinig, maar inmiddels weet ik dat dit voor de meeste mensen zo is. Het is heel normaal dat je gezichten niet goed kunt oproepen uit je geheugen, ook bij overledenen die je heel na waren. Je kan daarentegen gezichten meestal wel heel goed herkennen, zo goed zelfs dat je er niet eens bij stil staat dat je na elke ontmoeting iemands gelaat alweer begint te vergeten. Tot je elkaar weer tegenkomt, of een foto ziet en direct herkent wie het is.

Het is allemaal zo vanzelfsprekend dat je er meestal niet verder over nadenkt. Net zoals je je ook niet afvraagt waar al die woorden vandaan komen die je elke dag gebruikt. Ook zo’n automatisme, het is er gewoon. Tot je opeens met het tegenovergestelde wordt geconfronteerd, zoals bij een groot verlies. Dan ontdek je opeens hoe weinig je over jezelf weet in dat soort situaties. Omdat ze gelukkig maar weinig voorkomen.

De eerste keer dat ik daar tegenaan liep was in 1989, bij het overlijden van mijn moeder. Na een paar maanden besefte ik opeens dat ik niet meer zo goed wist hoe ze er uit zag. Dat ik een foto nodig had om de herinnering aan haar weer compleet te maken. Daar schrok ik van, hoe kon dat? Ik had toch heel veel van haar gehouden, waarom raakte ik dan haar beeld langzaam kwijt?

Toen ik het later met mijn vader besprak, reageerde hij opgelucht; hem was hetzelfde overkomen, en hij had zich er heel schuldig over gevoeld. Dat het vergeten normaal is maakt het overigens niet minder pijnlijk, maar in ieder geval weet je dat het niet aan jezelf ligt, je kan er niets aan doen. Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar. Maar als je dat niet weet, is het best schrikken.

De voorkant van het korpsblad van Amsterdam, daags na de begrafenissen met korpseer.

Het is tegelijkertijd een raadsel waarom herkenning dan zo’n krachtig proces is. Ik keek voor dit zwarte jubileum krantenknipsels terug uit die tijd en zag de mannen daar staan die ik toentertijd bijna wekelijks tegenkwam en even leek het of de tijd had stil gestaan. Dat zo de pieper kon gaan en ik na een helse rit door Amsterdam hen tegen zou kunnen komen. Dat ik kon vragen of de HV-container (HulpVerlening) van kazerne Teunis zich wilde melden bij de autospuit Willem. Dat er ruimte moest worden gemaakt voor de VC-wagen (Verbindings Commando). Of de A-wagen (Adembescherming) er al was. Dat soort dingen; toen heel normaal, maar in geen twintig jaar meer door mij uitgesproken.

Waarom drong zich dit zo aan mij op? Waarom was ik eerst al die gezichten vergeten, maar kon ik me zo goed herinneren hoe het was toen ik de foto’s weer zag? Ik heb geen idee van het waarom, maar weet inmiddels wel dat het zo is. Je zit anders in elkaar dan je denkt en bij ingrijpende gebeurtenissen word je daar opeens mee geconfronteerd. En dat is heel normaal. Dat is mijn eerste ervaring van verlies die ik na 25 jaar Motorkade wil delen.

Een brandweerman huilt niet

Er was meer wat me te binnen schoot, bij het zien van de foto’s. Na het ongeval ging kazerne IJsbrand buiten dienst, maar bleef wel open. Toegankelijk voor iedereen die zijn hart wilde luchten, langs wilde komen, een gesprek wilde voeren. Ik herinner mij nog zo’n gesprek aan de grote tafel in die oude kazerne. Met R.

“Een brandweerman huilt niet.” R. kijkt door het raam naar buiten, we zitten aan de grote tafel in de kantine van kazerne IJsbrand. Het is druk binnen, het zit vol met brandweermannen die luid pratend en rokend hun gevoelens proberen te verwerken. H. heeft net nieuwe koffie gezet, ruik ik boven de rooklucht uit.

“Dat zeiden ze tegen me, 24 jaar geleden bij de Marbon. Een brandweerman huilt niet.” Hij staart nog steeds in de verte. “Dus werd er maar helemaal niet over gepraat. Een plaquette op de kazerne ophangen, dat was het wel.” Hij kijkt me aan, in zijn ooghoek welt een traan. “Ik heb die spuit in mijn eentje terug moeten rijden naar kazerne Teunis, met niemand erin. Moest ik zelf de deur opendoen van dat lege gebouw. God, wat voelde ik me toen eenzaam.”

R. legt zijn hand op tafel. “Weet je, ik had een fotocamera gekocht voor één van de jongens. Die ligt nu al 24 jaar bij me op een plankje in de kledingkast. Ik ga hem binnenkort maar aan zijn weduwe brengen.” Er verschijnt een kleine glimlach. “De garantie zal er wel af zijn, denk ik.”

Hij schuift zijn stoel naar achteren en kijkt in de rondte. “Ik vind het toch zo goed van jullie dat jullie ‘open huis’ houden hier op IJsbrand. Hadden wij dat maar gehad toen. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat er met de jongens op de Motorkade gebeurd is, maar daardoor zijn wij van de Marbon nu eindelijk aan het praten over wat ons toen is overkomen. Dubbel eigenlijk, hè, dat je andermans leed nodig hebt om aan dat van jezelf toe te komen.”

“Alles gaat verloren en alles blijft bewaard”.

Bernlef

Ingrijpende gebeurtenissen hebben grote gevolgen. Er overkomen je dingen die je niet voor mogelijk had gehouden. Het enige wat je dan niet moet doen is zwijgen. Praat. De ervaring van verlies is dat praten helpt. Met elkaar, over wat je voelt. Jaren van onderzoek hebben aangetoond dat geen reactie de enige verkeerde reactie is op een ingrijpende gebeurtenis. Wat ingrijpend is, bepaal jezelf. Daar is geen objectieve maatstaf voor, geen wetenschappelijke drempel. Maar altijd geldt: praat. Dat is mijn tweede ervaring van verlies.

De kistcommandant

In het gelid voor de kist. Foto van een krantenknipsel uit het Parool.

Mijn derde ervaring van verlies betreft het belang van rituelen. Zorg voor een goed afscheid, dat past bij de situatie. Een goed ritueel doet heel veel dingen tegelijk. Om er maar eens een paar te noemen, zonder uitputtend te willen zijn:

  • Het doet eer aan de overledene
  • Het markeert het eind van een stoffelijke relatie met iemand en tevens het begin van een mentale; niet voor niets wordt gezegd dat iemand pas echt is overleden als iedereen die de persoon kende er ook niet meer is.
  • Het versterkt het groepsgevoel van hen die blijven
  • En zeker bij een begrafenis met korpseer: het versterkt de onderlinge banden, geeft betekenis aan het werk dat je doet en vertrouwen om weer door te gaan.

Ten tijde van het ongeval op de Motorkade was ik de chef van de derde sectie, waar onder andere kazerne IJsbrand toen onder viel. Ik voelde me enorm verantwoordelijk om alles goed te laten verlopen, en daardoor vond ik mezelf opeens terug als kistcommandant voor de begrafenis met korpseer. Wat me daarvan vooral bijgebleven is dat het echt teamwerk is. Er waren zoveel mensen in touw om alles goed te regelen en voor te bereiden, het is echt heel veel werk en het moet in korte tijd. Vraag en accepteer hulp. De steun van andere korpsen, zoals Zwolle, Den Haag en Amstelveen is toen onontbeerlijk geweest en heeft de kiem gelegd van het latere Begrafenis Bijstand Team.

Ik ben nog nooit zo zenuwachtig geweest als voor die dag. Als een berg zag ik er tegen op en onderweg naar de begrafenis heb ik afgevraagd waar ik in hemelsnaam aan begonnen was. Maar dat gevoel was in één klap weg toen ik al die collega’s zag staan in de erehaag, al die mensen die daar gekomen waren voor dat belangrijke ritueel. Ik weet nog hoe we de kist uit de auto tilden en op de schouders hesen. Hoe we over het grindpad naar de aula schuifelden en ik verbaasd was dat we via de schuifpui naar binnen gingen. Dat we in gelid stonden en frontaal de zaal in keken. En hoe later al die mensen langs de kist liepen om op hun eigen manier afscheid te nemen. Een louterende ervaring.

De ervaring van verlies

In de twee weken voorafgaand aan de 19e april heeft de Motorkade me toch weer behoorlijk beziggehouden, ook al is het 25 jaar geleden. Wel merk ik dat mijn vragen veranderen. Waar ik eerst dacht: waarom is dit gebeurd? en later: hoe zou mijn leven er uit gezien hebben zonder Motorkade? denk ik nu: wat had het soepeler kunnen lopen als ik beter voorbereid was geweest op verlies.

Voor mij zit het antwoord op die vragen in de Stoa. Ik kan al die gebeurtenissen niet veranderen of beïnvloeden. Het is gebeurd, er is niets aan te doen. Wat ik wel kan veranderen is de manier waarop ik er mee om ga. Daar kan ik keuzes maken, maar dan moet ik wel weten hoe. Terugdenkend aan 25 jaar geleden is dat misschien nog wel wat ik toen het meest heb gemist: dat je een beetje weet wat je te wachten staat. Ik was letterlijk blanco. Persoonlijk denk ik dat een aanzienlijk deel van de westerse samenleving dat eigenlijk wel is, blanco. Er is weinig plaats meer voor een gesprek over verlies of de dood en daarom zijn we eigenlijk slecht voorbereid als het eenmaal zo ver is. Terwijl het einde toch echt voor iedereen onafwendbaar is.

Daarom is filosofie zo belangrijk. To philosophize is to learn how to die, zei Cicero daar ooit over. Ryan Holiday van de Daily Stoic voegt daar nog aan toe dat “there are plenty of wise men and women who can at least provide some guidance”, want “they’ve had more time to hink about it than we have.” En dat klopt, 25 jaar om precies te zijn. Een tijd waarin ik veel heb geleerd en ervaren heb wat verlies is. Terugdenkend aan toen, besefte ik dat ik graag iets gelezen zou hebben over de ervaring van verlies. Precies daarom schreef ik dit blog, met de dingen die ik toen graag had geweten.

Schuld en schaamte van de overlever

Leestijd: 6 minuten

Overlevenden van ingrijpende gebeurtenissen kunnen na afloop verwarrende gevoelens ervaren. Natuurlijk is er blijdschap, maar schuld en schaamte van de overlevers liggen op de loer. Waarom hebben zij het wel overleefd en anderen niet? Wie de oude slagvelden van de Tweede Wereldoorlog bezoekt ziet deze tweestrijd in het groot. Maar ook in het klein kan overleven schuldgevoel met zich meebrengen, zoals Maarten van de Weijden laat zien.

Operation Overlord

De D514 is een kustweg in Normandië die ergens begint tussen Caen en Ouistreham. Bij Osmanville gaat hij over in de N13, waarna hij bij Saint-Come-du-Mont eindigt in de D913. De weg loopt vervolgens nog door tot Utah Beach. Daar begint de zee. De totale route beslaat denk ik zo’n honderd kilometer en omvat alle landingsplaatsen en stranden van Operation Overlord.

Het is historische grond, hier begon op 6 juni 1944 D-Day, hier begon het einde van het Derde Rijk. Het is ook bloedige grond: in de eerste maand na D-Day vielen er naar schatting enkele tienduizenden doden. Misschien wel honderdduizenden. Het precieze aantal is moeilijk vast te stellen maar bij dit soort aantallen volstaat het wellicht om het met ‘te veel’ aan te duiden.

Schuldig Landschap

Als je op de D514 rijdt is er zo op het eerste oog niet veel meer te zien van de gigantische strijd die daar is uitgevochten. Je rijdt er langs pittoreske kustplaatsjes met prachtige vergezichten over zee en tussen de glooiende weilanden door. Het hooi ligt er alvast opgestapeld, want straks gaat het misschien regenen.

Ondertussen trekken de koeien zich nergens wat van aan, zij grazen onbekommerd door. Ergens wringt dat, de wetenschap van die voorbije veldslag met het mooie uitzicht vandaag de dag. Armando noemde dat ooit schuldig landschap. Hij verbaasde zich erover dat de natuur onverstoorbaar leek voor het menselijke leed dat door oorlog en geweld veroorzaakt werd. Bomen groeiden door, gras tierde welig en struiken bevolkten de bospaden.

“Het is hier vredig, maar opgepast. Stilte komt soms na lawaai: hier was pijn, hier ranselde de medemens.”

Armando

En hier bombardeerde de medemens. Saint Lo bijvoorbeeld werd voor 90% vernietigd, waarop Samuel Beckett het de Capital of Ruins noemde. Ook Caen en Cherbourg werden hard geraakt, eigenlijk is er geen plek te vinden in Normandië die toen geen grote schade heeft opgelopen.

Schamend Landschap

Behalve Bayeux. Dat kwam op 7 juni onbeschadigd in handen van de Britse bevrijders, dankzij de snelle verovering van Arromanches en Gold Beach de dag ervoor. Het historische centrum is helemaal bewaard gebleven, er staan nog authentieke huizen uit de Middeleeuwen in de straten en zelfs de kathedraal is nog volledig intact.

Toch voelt het ergens alsof Bayeux het niet makkelijk heeft met haar eigen ongeschonden status, terwijl er tot in de verre omtrek van alles is vernietigd en gesloopt. Zou het kunnen zijn dat Bayeux zich er misschien voor schaamt, dat er bij haar niets kapot is gegaan? Dat er daardoor geen sprake is van een schuldig landschap, maar eerder van een zich schamend landschap? Een landschap dat zonder duidelijke redenen tussen alle verschrikkingen door als enige ongehavend is, altijd mooi is gebleven, hoe kun je dat de andere slachtoffers uitleggen?

“Se vouloir libre, c’est aussi vouloir les autres libres”

Simone de Beauvoir

“Je bent slechts vrij, als alle anderen om je heen ook vrij zijn.” Deze uitspraak van Simone de Beauvoir staat in een grote steen gebeiteld op het Memorial des Reporters aan de Rue Verdun en bracht mij op de gedachte van het schamend landschap. Want de keuze voor zo’n stelling als van Beauvoir is natuurlijk niet toevallig. Die huisde al ergens in de gemeenschap voordat het collectief onbewuste hem herkende, om het zich vervolgens toe te eigenen en in te beitelen. Als verwoording van wat iedereen daar al lang voelde in Bayeux. Je bent pas geheeld, als de anderen ook geheeld zijn, zo zou je het ook kunnen zeggen.

De vraag is wanneer je dan kunt spreken van heling. Misschien is de schaamte er wel voor eeuwig, of in ieder geval voor zo lang die grenst aan het schuldig landschap, dat liever ontkent wat er ooit gebeurd is en daardoor haar weg, zij het gemankeerd, gewoon vervolgt. Van de andere kant, ook de Noormannen hebben flink huisgehouden in Normandië en daarvan resteert nog slechts een interessante voetnoot in de geschiedenis. Van schuld en schaamte over die episode is niets terug te vinden en er is geen enkele reden waarom het met Operation Overlord zo ook niet zal gaan. Ooit.

Mémorial des reporters

In de tussentijd kom je met sommige zaken niet in het reine, en zit er daarom niets anders op dan het litteken voorlopig te accepteren en de pijn te mitigeren met compenserend gedrag en sublimatie, zoals het opzetten van monumenten en gedenkplaatsen.

Dat lijkt in ieder geval op te gaan voor Bayeux, dat zich heeft uitgesloofd met het oprichten van vele monumenten en musea over de Grote Slag in haar ‘Liberty Alley’. Het is dan wel weer opvallend dat één van de meest interessante memorials, die van de vermiste reporters, zo slecht is aangegeven. Maar misschien hoort dat wel bij schaamte, dat je slechts wil laten zien wat je echt in huis hebt als het niet hoeft op te vallen.

Ik ontdekte het Memorial des Reporters nu bij toeval, toen we na het verlaten van het Museum Memorial de la Bataille de Normandy, overigens wel prima aangegeven, de weg overstaken en we een grafsteen tussen de bosjes zagen staan.

Dat was nog eens een vreemde plek voor een grafsteen. Bij nadere beschouwing bleek het om een gedenkplaat voor Robert Capa te gaan, de journalist die zulke iconische foto’s bij de landing op Omaha Beach heeft gemaakt. De gedenksteen markeerde tevens de ingang van de memorial, zo bleek toen we keken wat er eigenlijk achter die steen was te zien. Je wordt er gelijk begroet met een uitspraak van Voltaire, die in een marmeren zuil staat gebeiteld.

“We must uphold freedom of speecVh, it’s the basis for all other freedoms; it’s how we enlighten each other.

voltaire

Aan de andere kant van die zuil staat er precies zo één. Met een uitleg over het Memorial.

Vlak ernaast staat dan nog een derde zuil, waar weer een nadere toelichting in is gebeiteld.

Vanaf deze ingang kronkelt een wit pad plechtig omhoog, tussen de bomen door van een glooiend park, het wenkt je hem te volgen en voert je langs een onafzienbare rij zuilen, volgebeiteld met namen. Namen van vermiste reporters, verdwenen reporters, vermoordde reporters.

Ik werd er stil van, dat het er zo veel waren had ik nooit gedacht. Waarschijnlijk worden het er veel meer, nog steeds worden er journalisten vermoord. Elke nieuwe naam wordt toegevoegd aan de lijsten van steen in Bayeux. Het is een levend monument voor dode reporters, een eerbetoon aan hen die vielen voor het vrije woord en een belangrijke uiting van wat een schamend landschap zoal vermag. Je hoeft niks verloren te hebben om te weten hoe belangrijk vrijheid is en om anderen daar steeds opnieuw aan te helpen herinneren. Dat is de schaamteloze boodschap van Bayeux.

Update 19 augustus: De Overlevingsschuld van Maarten van der Weijden

Op 18, 19 en 20 augustus zwemt Maarten van der Weijden de Elfstedentocht. Om geld en aandacht te vragen voor de kankerbestrijding. Een zware opdracht, waar je een bijzondere drijfveer voor moet hebben om die te vervullen. En die drijfveer is overlevingsschuld, het gevoel wat ik hierboven heb beschreven als schamend landschap. Maarten vertelt er over in het NRC van 19 augustus:

Een mooie illustratie dat schuld en schaamte van overlevers krachtige drijfveren kunnen zijn om iets te veranderen. Het gaat er niet zozeer om wat je overkomt, maar om wat je doet met datgene wat je gebeurd is.

Tweede keer is scheepsrecht

Op 24 juni 2019 slaagde Van de Weijden alsnog in zijn poging de Elfstedentocht te zwemmen. Hij was ruim 73 uur onderweg en haalde daarmee 6,5 miljoen euro binnen voor de MVDW Foundation. In 2020 gaat hij een nieuwe vorm van Elfstedenzwemmen uitproberen, wederom om geld in te zamelen in de strijd tegen kanker. Het leed van de overlever is een roeping geworden, schuld en schaamte maakten plaats voor actie.

De Bijlmerramp in een wandelgang

Leestijd: 3 minuten

Begin oktober gaf ik een lezing bij een groot bedrijf over crisismanagement op de luchthaven bij vliegrampen zoals de Bijlmerramp. Na afloop stond ik nog wat na te praten met de dagvoorzitter, toen er een vrouw bij ons kwam staan. Het gezicht van de dagvoorzitter klaarde op en hij stelde haar voor als zijn steun en toeverlaat bij het congres.

Inderdaad had ik haar vlak voor aanvang al drukdoende gezien met van die typische congres regeldingen, badges uitschrijven van onaangekondigde deelnemers, mensen tegenhouden die er niets te zoeken hadden en anderen die te laat waren voorzichtig naar binnen laveren. Dat soort dingen.

“Bent u ook bij de Bijlmerramp geweest,” vroeg ze opeens, uit het niets. Ik keek haar licht verbaast aan. Die vraag had ik niet verwacht. Waarom zou ze dat willen weten? “Nee, toen zat ik nog op de brandweeracademie, in opleiding,” zei ik weifelend. “Ik heb toen wel alles gevolgd via televisie en kranten en toen ik later bij brandweer Amsterdam ging werken ben ik nog druk bezig geweest met de parlementaire enquête en de gezondheidsonderzoeken. Maar ik ben er niet bij geweest, nee, dat niet.”

De dagvoorzitter haakte aan op mijn antwoord en startte een betoog over de pseudo onafhankelijkheid van externe onderzoeken toen ze hem in de rede viel.

“Ik ben er wel bij geweest. Daarom begon ik met dit gesprek.”

Beng, het viel stil. De dagvoorzitter keek haar licht ontsteld aan, kennelijk was hij van dat feit van zijn steun en toeverlaat niet op de hoogte. “Ik ga even kijken bij de volgende spreker,” zei hij en vertrok spoorslags richting een kluitje mensen verderop.

De boom die alles zag

Daar stond ik dan. Vol van mijn eigen verhaal en er even helemaal niet bij stil gestaan dat zij er misschien wel bij was geweest, bij de Bijlmerramp. Waarom zou je anders zo’n vraag stellen op die manier?

“Dan is dit natuurlijk wel een bijzondere dag voor je, nu het 25 jaar geleden is.” Ze knikte. “Het is elke 4 oktober bijzonder”, zei ze. “Dan komt die hele gebeurtenis weer op je af. We woonden er vlak achter, bij die flat. Als die er niet had gestaan, was het vliegtuig op ons huis gestort. We hoorden hem al aankomen met dat rare geluid en toen was daar opeens die enorme klap en overal vuur.”

Ze was even stil, keek in de verte. “Bij ons in de tuin lagen delen van het vliegtuig, vast gesmolten aan het tuinpad en de stenen in het muurtje. Weet je dat er mensen waren in de flat die hun kinderen uit het brandende gebouw gooiden, in de hoop dat ze gered werden. Bij 9/11 zag ik dat ook weer, mensen die uit het gebouw sprongen. Om zichzelf te redden. Je gelooft het toch niet, dat je zoiets moet overkomen.”

Wat moest ik daar nu op zeggen? “Ja, heftig. Die beelden gaan misschien nooit meer uit je hoofd.” “Ik heb er niet zo veel aan over gehouden hoor,” zei ze. “Soms als er een vliegtuig langs komt met zo’n zelfde vreemd geluid heb ik de neiging om te bukken.” Ze maakte een bukbeweging, alsof ze iets ontweek. “En ik ben bang voor vuur. Maar verder niets, ik vlieg gewoon. Daar heb ik niet zo’n moeite mee.”

Nu keek ze me opnieuw recht aan. “En ik zou nooit kunnen werken bij de hulpdiensten, wat je dan meemaakt, al dat leed. Al die verbrande mensen. Verschrikkelijk. Wat kan je doen, als je aankomt? Helemaal niets. En daarna, dan stort het gebouw ook nog in. Je bent machteloos, echt. Ik zou het niet kunnen.”

“Tja, weet je,” zei ik, “natuurlijk maak je verschrikkelijke dingen mee als hulpverlener. Maar als dat soort dingen toch gebeurt, dan ben je blij om te kunnen helpen, dat je de ellende van mensen kleiner kunt maken. Dat maakt het feit op zichzelf niet minder erg, maar je kunt er wel wat aan doen, het gaat om helpen. Daar doe je het voor.”

Ze schudde haar hoofd. “Niet bij wat ik gezien heb, ik zou dat niet kunnen.” Opnieuw keek ze in de verte, en ik besefte dat er niet alleen een boom was die alles zag. Het was de Bijlmerramp in een wandelgang, 25 jaar later. Zo ver weg, en toch zo dichtbij.

Dit is een verhaal uit het Museum of Accidents. Daarin staat ook dit blog met meer info en foto’s over de Bijlmerramp en het essay ‘Amsterdam Zuid Oost’.

© 2020 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑