Wanderings

Tag: Muziek (Pagina 1 van 2)

Bill Callahan – Dream River

Leestijd: 5 minuten

Op Dream River lijkt het wel of Bill Callahan ons een dorp voorspiegelt, ergens in een rivierdelta vlak bij zee, waar op elk nummer een andere hoofdpersoon zijn verhaal vertelt. Stuk voor stuk intrigerend gezongen, met die kenmerkende bariton en scherpe teksten van hem. En als je eenmaal begint aan een bespreking van Dream River, ontkom je er niet aan ook ander mooi werk aan te stippen. Want die plaat staat niet op zichzelf. Een kleine cursus Callahan.

Is life a ride to ride

Or a story to shape and confide

Or chaos neatly denied

Ride my arrow

In mijn blog over de ontwikkeling van playlists schreef ik dat sommige platen zo goed zijn, dat ze een playlist op zichzelf zijn. Zoals Dream River. Tot nu toe is het slechts bij die stelling gebleven, tijd dus voor een bespreking van dit voor mij bijzondere album.

Het is een betrekkelijk korte plaat, uit 2013. Acht nummers die in 40 minuten voorbij glijden in een volkomen logische volgorde. Bij het maken ervan moet op enig moment iets bijzonders zijn gebeurd met Bill Callahan. In Small Plane zingt ie namelijk opeens dat ie een gelukkig man is.

“Danger I never think of danger
I really am a lucky man
Flying this small plane”

Small Plane in een NPR Field Recording.

Dat hebben we nog niet zo vaak meegemaakt, dat Callahan in duidelijke bewoordingen ergens tevreden over is. Tot aan Dream River moesten we het vooral doen met liedjes waarin de mistflarden hoog worden opgetrokken over de ellende in dit leven. Het is niet voor niets dat ie ooit begon onder de naam ‘Smog’. Daar verscheen de eerste plaat van in 1992. Bijna dertig jaar terug, zo lang gaat Callahan dus alweer mee.

Smog

Die eerste paar platen klinken vandaag de dag trouwens dramatisch. Potten-en-pannen-indie. Indertijd misschien baanbrekend, Sebadoh kon er ook wat van, maar dat nu eigenlijk alleen nog aan te horen is als er jeugdherinneringen aan vastkleven. En dat zal niet bij iedereen zo zijn.

Bill Callahan
I Drive a Valence is een boekje met songteksten van onder andere Dream River, Apocalypse en Sometimes I Wish We Were An Eagle. Dan is er voor de liefhebber ook nog iets tastbaars in de kast in deze virtuele tijden van streaming.

The Doctor Came at Dawn (uit 1996) was het eerste album dat er nog steeds mee door kan als je het nu terug hoort. Ook al zingt hij daar of hij een chronische neusverkoudheid heeft.

Pas vanaf Red Apple Falls horen we Callahan as we know him now: met die diepe bariton laag uit het middenrif. Niet toevallig natuurlijk dat die plaat geproduceerd werd door Jim O’Rourke, bekend van onder andere Sonic Youth, Wilco en Stereolab.

De eerste CD die ik zelf van Smog kocht was Knock Knock. Dongs of Sevotion heb ik een jaar later ook nog aangeschaft, maar daarna was de interesse een beetje over. Pas nadat ik Callahan als solo artiest had herontdekt via Dream River, ben ik die twee platen weer terug gaan luisteren. Met als herontdekt pareltje Cold Discovery.

Callahan als solo artiest hervond ik via America!, een nummer van het album Apocalypse. Dat belandde op één van mijn playlists voor in de auto, waar het zelfs de belangstelling trok van de toen 15 jarige zoon. Vlak daarna ontdekte ik Dream River en was ik verkocht.

Dream River

Alleen al hoe hij begint met The Sing. Het liedje start met wat gitaargetingel, al snel gevolgd door een steelguitar die zo’n onheilspellend western movie geluid laat horen. Dan komt er een viool overheen en slaat niet het onheil, maar de eenzaamheid toe.

“The only words I’ve said today are beer and thank you

Beer

Thank you

Beer

Thank you

Beer”

Verderop The Sing verklaart Callahan dat ie limitations heeft, like Marvin Gaye. Een referentie naar de periode dat Gaye in België woonde en zich daar voornamelijk in de kroeg ophield. Beer, thank you.

Op het volgende nummer, Javelin Unlanding, presenteert Callahan een nieuwe verrassing: een fluit. Americana met een fluit, ja het kan. En dan vallen die conga’s die daarna invallen eigenlijk helemaal niet meer op. Zowel die fluit als de conga’s komen vaker terug op Dream River. Het geeft grappig genoeg een spannende laag aan de muziek.

Desondanks is het toch vooral de gitaar van Matt Kinsey die de sfeer bepaalt. Soms subtiel, en dan weer heel dwingend en heftig zoals in Spring, Summer Painter en Seagull. Vooral Summer Painter vind ik een juweel, misschien wel het beste nummer van Callahan ooit.

Tussen 2009 en 2013 maakte Callahan naar mijn mening zijn drie beste platen: Sometimes I Wish We Were an Eagle, Apocalypse en Dream River. Het zijn alle drie avontuurlijke Americana platen waar Callahan zich uitleeft als storyteller. Luister bijvoorbeeld ook eens naar All thoughts are prey to some Beasts.

Waarom is Dream River dan toch het best? Ja, dat is deels natuurlijk een kwestie van smaak. Maar toen ik tijdens het schrijven van dit blog al die platen weer afluisterde, schoot me te binnen wat ik dacht toen ik Dream River voor het eerst hoorde. En dat was dat het lijkt of Callahan de luisteraar voorstelt aan een klein dorpje aan de monding van een rivier, vlak bij zee.

De tijd staat er stil en toch gebeurt er van alles. Er zitten mensen in een hotel lounge en de barroom, ze schilderen namen op schepen, ze vliegen er rond in hun Pipercup, ze vissen op zee, schuilen voor het noodweer en zien de eagle en de seagull hoog in de lucht. En dat allemaal verteld met die hypnotiserende stem van hem. Dream River is een film, het is als Paris Texas maar dan ergens aan de kust. Het geeft de plaat een magie die op de andere albums ontbreekt.

America! was de herontdekking van Bill Callahan voor mij. Lekker voor in de auto.

Zes jaar pauze

Na Dream River werd het zes jaar stil rond Bill. Callahan ging trouwen, kreeg een kind en vestigde zich ergens op het platteland, zich zorgen makend dat al dat geluk zijn creativiteit wel eens zou kunnen gaan beknotten. Gelukkig was dat niet zo en kwam er in 2019 een nieuw album uit: Shepherd in a Sheep Skin Vest.

Ook weer een prachtige plaat en volgens de officiële popjournalistiek zelfs zijn allerbeste. In weer een iets andere stijl: singer songwriter met sobere akoestische begeleiding. Precies daarom vind ik het eigenlijk niet zijn beste werk. Maar nog steeds wel heel goed, we hebben het hier over microscopisch kleine verschillen. Slechte muziek maakt Callahan namelijk niet.

Met de Shepherd was de koek nog niet op. In 2020 is er alweer een nieuwe plaat, Gold Record. Ook een prima album waarop Callahan al zijn creativiteit heeft losgelaten. Met Breakfast als mijn favoriete nummer, want dat had zo op Dream River gekund. En daar was het in dit blog toch om begonnen.

Kijk hier voor andere muziekblogs van Rizoomes.

De Rizoomes Top 20 van 2020

Leestijd: 10 minuten

De Rizoomes Top 20 van 2020 is er dit jaar voor het eerst in deze vorm. Vanaf 1 december post ik elke dag een nieuw liedje. En het is dit jaar een bonte stoet, beetje jazz, rock, americana en zelfs nederpop. De beste komt het laatst en nummer twintig dus het eerst.

Toen ik nog op school zat voelde een jaar als dat hele lange stuk tussen twee zomervakanties in, ergens in het midden hinderlijk onderbroken door winter. Het echte jaar, zo vertelde men mij dan, liep juist van winter tot winter. Ik heb dat uiteindelijk als gegeven aanvaard, kennelijk was het een algemeen geaccepteerde afspraak. Maar mijn gevoel zei wat anders: beter leeft men van zon naar zon, dan van koud naar koud. Enfin.

Rizoomes Top 20
Zomerfoto voor het juiste jaargevoel

Nog weer later ontdekte ik dat er nog heel veel andere soorten jaren zijn, zoals het gebroken boekjaar en het muziekjaar. En daar gaat dit blog eigenlijk over, het muziekjaar. Dat loopt van december tot en met december, zodat je je een hele maand kunt verkneukelen over en met allerlei jaarlijstjes. Natuurlijk de Top 2000, maar ook de Snob 2000 en de Rizoomes Top 20.

De Rizoomes Top 20 is niet helemaal nieuw, maar wel in deze vorm. In 2018 was er voor het eerst een jaarlijst op de website met de 18 beste albums van dat jaar. Vorig jaar kwam ik niet verder dan een Top Tien, maar nog wel steeds met hele albums. Dit jaar is er dan de Rizoomes Top 20: de twintig beste nummers van het afgelopen muziekjaar. Die houden we er in, dus volgend jaar is er de Rizoomes Top 20 voor 2021. Denk ik.

Voor de liefhebber: de longlist voor 2020 op Spotify. En natuurlijk staat de Top 20 van 2020 er ook tussen.
Mijn 2020 wrapped overzicht van Spotify. Op nummer 1 Afro Blue van McCoy Tyner, dankzij mijn blog over dat nummer. ‘This mess we’re in’ is een liedje van PJ Harvey en Tom Yorke. Bloodless is van Andrew Bird en Harlem River van Kevin Morby. De laatste, Seagull is gemaakt door Bill Callahan, afkomstig van het onvolprezen album Dream River.

20: Foehn Trio featuring Erik Truffaz – Old Ocean

Foehn Trio is een jazzbandje uit Frankrijk, vernoemd naar een warme windstroom die vanuit het zuiden tegen de Alpen aan klotst. En ja, niet toevallig heet een föhn daarom föhn. Ze maakten tot nu toe twee hele fijne platen in het standaard pianotrio format, maar dan wel met toegevoegde electronica (ik moet nu gelijk aan Chriet Titulaer denken) wat het zowel subtiel als dynamisch maakt. Luister vooral ook eens naar hun laatste album, Highlines. Heerlijke muziek om bij te lezen of te werken. Maar, hoor ik ergens wellicht brommen, hoe komt die toeter in een pianotrio? Nou, dat zal ik u zeggen, die is van Erik Truffaz, bekend van het jazzrockende Walk of the giant turtle. Maar dat had de liefhebber vast al gehoord.

19: Billy Martin en Marc Ribot – Home Beat Home

Billy Martin is vooral bekend als de drummer van het jazz funk ensemble Medeski, Martin & Wood, maar hij doet solo ook van alles. Begin 2020 zette hij een aantal loops op zijn instagram account en vroeg om commentaar. Dat leverde hem onder andere de producer Rob Reinfurt op die er samen met hem een intrigerend en eclectisch plaatje van maakte. Rustige maar stuwende grooves, die verrassend worden ingekleurd door vrienden als de gitarist Marc Ribot (u weet wel, die van Los Cubanos Postizos) en Alexandria Smith op trompet. Op de single Home Beat Home doen ze allebei mee. Maar luister vooral ook het hele album, Guilty. Alle elf goed.

18: Jack Poels – In de Achtertuin

35 jaar zit ie in het vak, Jack Poels, en na 23 platen met Rowwen Hèze kwam hij dit jaar met zijn eerste soloplaat. Blauwe vear heet ie, vernoemd naar een veertje dat hij vond tijdens een wandeling. Dat gebeurde op de dag nadat hij afscheid had genomen van zijn zoon die voor enkele maanden in het buitenland ging studeren. In Trouw zegt hij daarover: “Dat was werkelijk zo’n intens moment. Ik dacht: fuck, Jan hangt nu in zo’n blauwe Boeing in de lucht, onderweg naar Korea. En ik vind hier dit blauwe veertje. Daarna was er geen houden meer aan. Ik kreeg aan de ­lopende band beelden in mijn hoofd. Dat zijn uiteindelijk allemaal liedjes geworden. Dat is wat die blauwe veer heeft gedaan.” Kom terug naar de achtertuin, daar sta je nooit voor een dichte deur, zingt Poels en toen we daar toch waren zijn we gewoon gebleven voor de rest van het album. Americana uit America, zo moest het zijn. Prachtig.

17: Jerry Joseph – Black Star Line

Jerry Joseph was in een vorig leven de oprichter van The Drive-by Truckers, maar ergens verloor hij ze uit het oog. Zoals er veel is in zijn getroubleerd leven wat kwam en weer ging. Maar gelukkig soms ook terugkwam: op het album ‘The Beautifull Madness’ is de club weer bij elkaar, al weet niemand voor hoe lang. Het is een geweldige Americana plaat geworden, waarin het lastig is te bepalen welk nummer nou het mooiste is. Ik koos uiteindelijk voor Black Star Line, een lied over David Bowie. Joseph schreef dat op de avond dat Bowie overleed. Star man waving in the sky, zingt hij raspend, I see you out in space tonight. Na Black Star Line volgt het nummer Eureka en net als je denkt: dit ken ik toch, besef je dat je naar stukjes ‘Five Years’ van Bowie zit te luisteren. Een subtiel eerbetoon aan de Star man.

16: Spinvis – Niet Vandaag

Woeste Meuk is de heerlijke podcast van Tim Knol en Nico Dijkshoorn, die in juni 2020 op bezoek waren bij Spinvis. Dat werd een mooi interview, waardoor ik gelijk zin kreeg in het aldaar aangekondigde nieuwe album 7.6.9.6. Gelukkig werd dat verlangen grotendeels ingevuld, onder andere door melancholische liedjes als ‘Niet Vandaag.’ “Ik bouw een schip, omdat ik ooit, toch ooit, de zeilen hijs, of
hoe dat heet, op reis” spint vis in wat volgens mij een liefdesliedje is, maar dat weet je bij hem nooit zeker. Wat je wel zeker weet is dat het eigenlijk niet meer beter kan dan zijn debuutplaat. Toch blijven we hopen, want ‘varen doe je morgen, niet vandaag.’

15: Causa Sui – Szabodelica

De Deense psych rockers van Causa Sui timmeren al een dikke tien jaar aan de weg met puike psychedelische rock. Ik ken niet al hun platen, maar degenen die ik heb geluisterd waren instrumentaal, zonder zang en op veilige afstand van post-rock. Hun eerste werk was een stuk heavier, met tonen van Kyuss en ander woestijn geweld. Sinds de trilogie van de Summer Sessions klinkt het steeds meer kraut, steeds meer Can en steeds meer jazz. Je weet wel, van die Miles Davis electrische jazz uit het begin van de jaren 70, denk On the Corner, Bitches Brew en Jack Johnson. Met deze ode aan Gabor Szabo gaan ze daar nog weer verder in door en klinkt het door de gypsy sound opeens relaxed en warmbloedig. Lekker.

14: Khruangbin & Leon Bridges – Texas Sun

Van Khruangbin had ik nog nooit gehoord. Toch blijkt het instrumentale trio uit Texas al geruime tijd te bestaan en bracht het onlangs hun verdienstelijke vierde plaat ‘Mordechai’ uit. Die bij mij direct werd opgeslokt door de playlist ‘Easy Desert Surf Music’, waarin onder andere ook Clutchy Hopkins, Lord Newborn en Tommy Guerrero figureren. Heb je een beetje beeld op welke wind Thai Airways vliegt (Khruangbin is Thais voor vliegtuig). Texas Sun is echter geen instrumentaaltje en werd als een poor lonesome cowboy ingezongen door Leon Bridges, een R&B zanger die vergeleken wordt met Otis Redding. Da’s pas een verrassing.

13: Michiel Borstlap plays Joris Voorn – Ringo

Michiel Borstlap, die kende ik wel. Eén van Neerlands fijnste jazzpianisten. Joris Voorn, die kende ik niet, die moest ik googelen. Het blijkt een zeer succesvolle technoproducer te zijn, die als kind opgroeide met klassieke muziek. Techno is tijdloos, zegt Voorn ergens in een interview met Radio 1. Ik vind het een mooi zinnetje, techno is tijdloos. Maar wel tijdloos door een pilletje, denkt de oude man in mij, om daar direct schaamteloos aan toe te voegen dat solo piano pas echt tijdloos is. Zoals deze Ringo-uitvoering van Borstlap, die helaas niet tijdloos is. Ook al duurt ie bijna zeseneenhalve minuut, dan nog is het veel te kort. En wat deed ie mij toch aan het Köln Concert denken, van Keith Jarrett. Ook tijdloos.

12: Joe Jackson – Fools in Love

Joe Jackson in mijn jaarlijst, in mijn top 20. Dat was vroeger uitgesloten. Jackson gaat al zo’n beetje mijn hele leven mee, maar anders dan op een toevallige passerende radio luisterde ik nooit vrijwillig naar hem. Daar kwam een krappe tien jaar geleden verandering in, met het album live 2010 dat hij met een jazztrio opnam. Veel van het oude werk van Night & Day en Look Sharp kwam daarop voorbij, maar niet Fools in Love. Dat maakt ie goed met deze single die bovendien een lekker krachtige sound mee kreeg.

11: Last Words / Fanfares – GoGo Penguin

Met Last Words en Fanfares brak GoGo Penguin in 2012 door. In 2020 kwamen deze singles opnieuw uit in een zeer gelimiteerde oplage van 500 exemplaren, maar ach, wij geven anno 2020 niet meer om bezit. Het gaat om de ervaring, de beleving; van jazz, dance, klassiek en landscapes in één sound geweven en uitgevoerd door een pianotrio on acid. Dankzij Spotify beleeft u het gewoon mee, zonder ellendig gedoe met bezoeken aan platenzaken of online webshops. Nee, da’s allemaal zo 1980, wij ouders van millenials zullen doorstreamen tot we bij het gaatje zijn.

10: Delvon Lamarr Organ Trio – Inner City Blues

Delvon Lamarr’s Inner City Blues. Die doe je in de car. Met de windows omlaag. Armpje er uit en starten maar, in de D van Drive. Vooruit met die goat, gassen op rechts en tappen on the left. Dat is in het short waarom ze in Amerika vrijwel alleen nog maar automaatjes hebben. Omdat Delvon Lamarr daar is, you know en je een vrije linker foot nodig hebt. That’s why.

9: Mammal Hands – Rhizome

Met zijn drieën zijn ze, Mammal Hands. Piano, sax en drums. En ze zitten in die nieuwe wave van London Jazz die nu over de wereld spoelt, ook al komen ze uit Norwich. Het is een bijzondere combinatie van jazz met electronics, zoals je kunt horen in dit nummer ‘Rhizome’, van hun laatste plaat ‘Captured Spirit’. Eigenlijk is Rhizome niet hun beste nummer van Captured Spirit. Dan kom je eerder uit bij Chaser, of Ithaca, nummers die tegen de pop aanschurken. Dat doet Rhizome niet. Maar zeg nou zelf, hoe vaak kun je als Rizoomes nou een nummer met de titel Rhizome in je Top 20 opnemen. Nou dan.

8: Racoon – De Echte Vent

Racoon is zo’n band die ik altijd wel aardig vond. Af en toe een aardig liedje, gespeeld door aardige jongens. Aardig, kortom, maar dat was het dan ook. Dat veranderde met de singel ‘Oceaan’, die speciaal gemaakt werd voor de film ‘Alles is familie’. Voor het eerst zingen in het Nederlands en wat een zeggingskracht had die band opeens, zeg. Ik was dan ook heel blij dat ze aankondigden om in 2020 een volledig Nederlandstalig album uit te brengen. Dat hele album zal wel uitgesteld zijn door corona, maar twee nieuwe singels kwamen er al wel. ‘Het is al laat toch’ en ‘Wie is de vent.’ Het smaakt naar veel meer en Racoon evolueert erdoor van aardig naar een killerband. No Mercy.

7: Marcus King – No Pain

Van 1996 is ie, onze Marcus King. Vier en twintig dus pas. 24. En wel al vier albums uitgebracht. De eerste drie onder de noemer van The Marcus King Band, waarbij het laatste exemplaar, Carolina Confessions, een plaatsje wist te veroveren in de beste 18 van 2018. Dat ie nog steeds goed is kan dan ook nauwelijks een verrassing zijn, wel dat King daarvoor in zee wilde met Dan Auerbach van The Black Keys. Want die polijst tegenwoordig alles. Haalt de rauwe kantjes er al poetsend af. En dat is jammer, hoewel het bij No Pain toch nog net genoeg schuurt om te verrassen.

6: Makaya McCraven – Mak Attack

Het is 1996. DJ Shadow lanceert Endtroducing. Instrumentele hip hop, aan elkaar geplakte tapes, soundscapes, collages en ritmes, heel veel ritmes. Ik vond het geweldig, net als de kleine jazzy hip hop bubble die er op volgde met onder andere Guru’s Jazzmataz. Toen werd het 2020 en kwam Makaya McCraven. Makaya McCraven drumt. Drumt hard. En ritmisch. Op Universal Beings E&F Sides hoor je hoe hard precies. Met tracks als Mak Attack en Beat Science. Prachtig, net zo goed als Endtroducing. Maar eigenlijk beter, want bij McCraven is alles live. Dus zet gewoon die hele plaat onder je favorites, doen we net of het één hele lange singel is. Ja, dat kan.

5: Lianne La Havas – Paper Thin

Uit 2012 is ie al weer, mijn favoriete liedje van Lianne La Havas, ‘Au Cinema’. In 2015 kwamen daar nog ‘Unstoppable’ en ‘They Might Be Wrong’ bij, maar daarna werd het nogal stil rondom La Havas. Tot in de zomer van 2020, toen de EP ‘Weird Fishes’ met vier nieuwe liedjes verscheen. Het werk heeft de feel van Alicia Keys ten tijde van Empire State of Mind, maar dan zonder haar commerciële knieval. Zeker op Paper Thin, waar een subtiel jazzcombo met upright bass de sfeer van een nightclub neerzet. Fijn plaatje

4: Leif Vollebekk – Long Blue Light

Leif Vollebekk. Uit Canada. Kreeg het opnieuw voor mekaar, na Big Sky Country, Transatlantic Flight en Hot Tears. Wat een prachtig melancholisch liedje weer, zo’n muziekje waar je van op reis wilt naar het bos, het strand, de natuur in. Zelfs naar de sneeuw, als het echt moet. Ondergaande zon, glaasje lekker erbij en mijmeren maar, op deze Long Blue Night. Want de natuur is prachtig, maar je moet er wel wat te drinken bij hebben.

3: Bill Callahan – Breakfast

Als je aan een willekeurig kind vraagt wat ie later wil worden, dan zijn er heel weinig die zullen zeggen: Bill Callahan. Maar vraag je het aan mij, dan weet ik het zo net nog niet. Want mij lijkt het heerlijk om Bill Callahan te zijn. Met je bariton brave liedjes brommen. Zoals Breakfast. Die eigenlijk helemaal niet braaf zijn: She don’t eat, she don’t sleep; Why, she don’t even drink; I drink; So that we don’t fight; She don’t drink so that we don’t fight. Maar goed, Bill is inmiddels 54. Net als ik. Dus dan moet ik toch maar iets anders willen worden, als ik later groot ben. Iemand tips?

2: Nubya Garcia – Pace

In 2018 debuteerde Nubya Garcia met Nubya’s 5ive, een geweldige plaat uit het centrum van de London jazz scene die tegelijkertijd met twee benen in de Amerikaanse jazz traditie geworteld staat. Nu is daar Pace en wat een bijzonder krachtig nummer is dit weer, zeg. Zowel qua compositie als qua spel. Ik hoor er overal de reïncarnatie van John Coltrane in. Wat een genot.

1: Ayron Jones – Boys from the Puget Sound

Lang geleden geloofde ik wellicht in reïncarnatie, maar misschien ook niet. Ik weet het niet meer en voor geruime tijd hoefde ik het ook niet te weten. Tot ik ergens in 2020 tegen Ayron Jones op liep en toen begon ik te twijfelen. Was Jimi Hendrix terug? Had ie les gehad van Kurt Cobain? Wat weet Gary Clark ervan? Hoe dan ook: I’ve seen the future of rock and roll and it’s name is Ayron Jones. Check ook deze link van Take me Away op KEXP Live. Tjongejongejonge wat goed.

De verrassende twintig van 2020

Leestijd: 7 minuten

Twintig twintig zit er voor de helft op. Tijd dus voor een halfjaarslijstje: wat zijn de pareltjes in die borrelende brij van nieuwe liedjes? Zie hier de twintig meest verrassende nummers van 2020 tot nu toe.

Ja, precies, verrassende nummers. Losse liedjes. Dus geen albums, die focus gaat met Spotify lichtelijk verloren, zoals ik eerder in dit blog schreef. Hoewel ik dat iets moet nuanceren: op mijn albumlijst verschenen dit jaar nog geen nieuwe platen uit twintig twintig, maar wel een paar oude. Zoals Gimme Fiction van Spoon en Blue World van John Coltrane.

Maar daar wilde ik het niet over hebben. Wel over verrassende muziek, want surprise is immers het overkoepelende thema van de website. Er staan daarom niet per se de beste nummers in de Verrassende Twintig, want dat is een ander criterium. Mogelijk had in dat geval Neil Young er namelijk wel in gestaan, met Kansas van het album Homegrown.

Of The Rolling Stones, met Living in a Ghost Town. Allebei prima liedjes, maar nauwelijks verrassend te noemen. Hooguit is het verrassend dat die oude lijken nog steeds nieuwe plaatjes uitbrengen. Maar dat is wellicht een onderwerp voor een volgend muziekblog.

Nee, verrassende muziek, dat is waar het om gaat. Twintig liedjes uit de eerste zes maanden van twintig twintig, die allemaal meedingen voor de eindlijst. Ze zijn voor deze gelegenheid verdeeld over drie categorieën, want dat kwam toevallig ontzettend goed uit: acht keer pop / rock, zes covers en zes keer jazz. Maar of de eindlijst ook nog zo verdeeld is blijft een verrassing. Engage.

Pop / Rock

Even leek het of daar de nieuwe single van Mark Lanegan klonk, toen Romulus en Remus’ hill donkerbruin uit de speakers schraapte. Maar nee, het was All Them Witches, het illustere darkblues kwartet uit Nashville dat van die heerlijk ouderwetse psychedelische rock maakt. Niks occults aan, ook al is de bandnaam gebaseerd op een fictief boek uit Rosemary’s Baby.
Van Khruangbin had ik nog nooit gehoord. Toch blijkt het instrumentale trio uit Texas al geruime tijd te bestaan en bracht het onlangs hun verdienstelijke vierde plaat ‘Mordechai’ uit. Die bij mij direct werd opgeslokt door de playlist ‘Easy Desert Surf Music’, waarin onder andere ook Clutchy Hopkins, Lord Newborn en Tommy Guerrero figureren. Heb je een beetje beeld op welke wind Thai Airways vliegt (Khruangbin is Thais voor vliegtuig). Texas Sun is echter geen instrumentaaltje en werd als een poor lonesome cowboy ingezongen door Leon Bridges, een R&B zanger die vergeleken wordt met Otis Redding. Da’s pas een verrassing.
Uit 2012 was ie al weer, mijn favoriete liedje ‘Au Cinema’ van Lianne La Havas. In 2015 kwamen daar nog ‘Unstoppable’ en ‘They Might Be Wrong’ bij, maar daarna werd het nogal stil rondom La Havas. Tot voor een paar weken, toen de EP ‘Weird Fishes’ met vier nieuwe liedjes verscheen. Het werk heeft de feel van Alicia Keys ten tijde van Empire State of Mind, maar dan zonder haar commerciële knieval. Zeker op Paper Thin, waar een subtiel jazzcombo met upright bass de sfeer van een nightclubje neerzet. Lekker hoor.
Van 1996 is ie, onze Marcus King. Vier en twintig dus pas. 24. En wel al vier albums uitgebracht. De eerste drie onder de noemer van The Marcus King Band, waarbij het laatste exemplaar, Carolina Confessions, een plaatsje wist te veroveren in de beste 18 van 2018. Dat ie nog steeds goed is kan dan ook nauwelijks een verrassing zijn, wel dat King daarvoor in zee wilde met Dan Auerbach van The Black Keys. Want die polijst tegenwoordig alles. Haalt de rauwe kantjes er al poetsend af. En dat is jammer, hoewel het bij No Pain toch nog net genoeg schuurt om te verrassen.
Mick Flannery staat al twee albums in mijn warme belangstelling. De Ierse singer songwriter doet er namelijk helemaal niets aan om de luisteraar te behagen. Vooral op het album ‘I Own You” uit 2016 jaagt hij je de stuipen op het lijf met haunted songs als I Own You, Cameo en Show Me The Door. Je ziet hem je al achterna komen met die buffelschedel van hem op zijn knar. Maar kennelijk is de woede gaan liggen en nu komt ie opeens met een prachtige ballad, tegen soul aan, inclusief toeters. Zou hij aan het warmlopen zijn om die oude Ierse bard op te volgen?
Ben Williams ken ik als jazz bassist, en dan vooral van zijn solo album ‘Coming of Age.’ Een geweldige plaat waarbij hij makkers als Marcus Strickland en Christian Scott Atundeh inschakelde. Het resultaat was crossover jazz met veel invloeden uit hiphop en R&B. Vijf jaar later is ie terug, met een nog grotere allegaar aan stijlen en misschien nog wel het meest verrassend, hij zingt. Come Home is een grimmig nummer over onrecht dat hij samen met Kendra Foster uitvoert. Sterk spul.
Joseph Arthur maakte ooit het prachtige, maar lijdzame ‘I Used to Know How To Walk On Water’, waarin een onzekere Jezus het opeens allemaal niet meer zo zeker weet. “I could give sight to blind men, And make a mute man sing in hell, But now I watch with awe and wonder, Doubt has now befallen me.” Dat dus. Toen ik de potten en pannenherrie van Victory Boulevard hoorde was ik dus ook lichtelijk verrast, tot ik er achter kwam dat een reissue van 20 jaar geleden betrof. Toen was ik hogelijk verrast.
Neal Francis is schatplichtig aan New Orleans, aan R&B, Soul en Dr. John. Aan Billy Preston, The Rolling Stones en The Meters. En aan Allen Toussaint en Leon Russel. Zegt ie zelf, onze Neal. Maar hij heeft gelijk. Don’t Call Me No More is heerlijke New Orleans muziek, die al weer opgevolgd is door ‘How Have I Lived’, een single die zo door Beck gemaakt had kunnen worden.

Covers

Tracy Chapman, wie is er niet groot mee geworden? In 1988 was Fast Car een wereldhit en eerlijk gezegd denk ik dat de pracht van het nummer toen een weinig aan mij voorbij is gegaan. Gelukkig zijn daar nog altijd de Black Puma’s die de fast car weer even onder de aandacht brengen.
So remember we were driving, driving in your car
Speed so fast I felt like I was drunk
City lights lay out before us
And your arm felt nice wrapped ’round my shoulder
I had a feeling that I belonged
I had a feeling I could be someone, be someone, be someone
Ja, Peter Gunn, het is een genre op zichzelf. Dus daar kon de uitvoering van Joe nog prima bij. Puike DanceHall Jazz, lekker luchtig gehouden met hier en daar een stomend orgeltje. En weet je wat: het is misschien wel de beste versie die ik ken.
Jose James kent zijn klassiekers. Eerder coverde hij al het werk van Billie Holiday en Bill Withers, voor allebei trok hij er zelfs een hele CD voor uit. En nu is daar ‘Just the Way You Are.’ Van Billy Joel, die met geen enkel liedje zo urban jazz klonk als nu. Sterker nog, ik was zelfs verrast dat het ooit van Joel was geweest. Maar toch, het oude werk van Jose zelf is stukken beter. Luister eens naar Bird of Space, kippevel.
Gary Clark heeft het druk. Hij deed dit jaar al mee met John Legend en Sheryl Crow en nu covert hij er vrolijk ‘A Change is Gonna Come’ op los met Los Coast. Die kustmannen zeiden mij helemaal niets, dus dat moest ik even opzoeken. Ze schijnen punchy psychedelic pop soul te maken dus, allé, we proberen het even uit. Maar dat duurde niet heel lang. Geloof mij als ik zeg dat dit nummer door Gary Clark en door niets anders dan Gary Clark gedragen wordt.
Het enfant terrible van de Belgische popmuziek kreeg het weer eens voor mekaar: een nummer opnemen waarvan je niet weet of het nou om te janken zo mooi – dan wel lelijk is. Of is er nog een derde optie: om te janken zo leuk. We shall carry on en dan komen we er vanzelf achter.
Van sommige dingen kom je nooit meer af, hoe goed je je best ook doet. Luka, Marlene on the Wall en Tom’s Diner zitten voor eeuwig aan Suzanne Vega vastgeplakt. Maar hé, dat is allemaal al weer van voor 1990. Ze zal toch niet haar leven van die verantwoorde folk liedjes zijn blijven maken? Nou nee, sterker nog, op deze nieuwe uitvoering van Walk on the Wild Side klinkt ze zomaar een beetje als Marianne Faithfull en Tanita Tikaram. Wie had dat gedacht? (Het is maar een beetje, hoor)

Jazz

Van het Foehn Trio weet ik niks, behalve dat ze net een nieuw album uit hebben die ik nodig eens uit moet checken en in Frankrijk wonen. Daar komt Erik Truffaz ook vandaan en die ken ik toevallig wel heel goed, zijn muziek althans. En dit is weer zo’n prachtige dot eclectische jazz waar Truffaz een abonnementje op heeft.
In 2018 debuteerde Nubya Garcia met Nubya’s 5ive, een geweldige plaat uit het midden van de London jazz scene die tegelijkertijd met twee benen in de Amerikaanse jazz traditie geworteld staat. Nu is daar Pace en wat een bijzonder krachtig nummer is dit weer zeg, zowel qua compositie als qua spel. Ik hoor er overal de reïncarnatie van John Coltrane in. Wat een geluk. Ergens eind augustus moet de nieuwe plaat uitkomen, die waarschijnlijk ‘Source’ gaat heten. Ik kijk er reikhalzend naar uit.
Nog eentje uit de London jazz scene, van Nick Walters. Die propte zich met zes vrienden in een studio en jamde er in een dag een hele plaat uit. Gordian Knot part 2 vliegt van hot naar her, van toeter naar gitaar maar altijd is er die strakke ritme sectie van Nim Sadot en Max Hallett. Tien minuten laag vliegen dus niet raar kijken als er klachten over geluidsoverlast binnenkomen.
Rymden is opgetrokken uit de resten van E.S.T en Bugge Wesseltofts new conception’s of jazz. In potentie een supergroep, maar daar was op het eerste album nog niet zo veel van te merken vond ik. Tot mijn grote verrassing is er dan nu deze single, als voorbode van het nieuwe album Spacesailors dat in september verschijnt. Dit is wat ze er zelf van zeggen: “This is the sound of three jazztronauts, co-ordinates set, and ignition-ready. RYMDEN keep re-evaluating and reinventing their approaches to the piano trio format, and here we find them swinging in unexpected time signatures, firing a trail of dub sparks, evoking jazz trios of the past in a post-electronic universe, and always staying true to their own trajectory.” Precies, dat hoor je direct, jazztronauts.
Tom Misch en Yussef Dayes kropen eens lekker dicht bij elkaar en leverden een album af in het centrum van jazz, pop, R&B en hiphop. Zoet en strak, vrij en vast, altijd glad schurend en puur handwerk. Kyiv namen ze op met Rocco Palladino en dankzij dit filmpje zie je wat voor rasmuzikanten het zijn. Het is hopelijk weer snel ook echt live te zien.
Delvon Lamarr’s Inner City Blues. Die doe je in de car. Met de windows omlaag. Armpje er uit en starten maar, in de D van Drive. Vooruit met die goat, gassen op rechts en tappen on the left. Dat is in het short waarom ze in Amerika vrijwel alleen nog maar automaatjes hebben. Omdat Delvon Lamarr daar is, you know en je een vrije linker foot nodig hebt. That’s why.
En ter afsluiting: de Verrassende Twintig in een open Spotify Playlist

Plaatjes draaien in tijden van Spotify; van boom naar rizoom

Leestijd: 7 minuten

Minder dan een jaar zit ik nu op Spotify en het heeft mijn muziekbeleving volledig veranderd. Tegenwoordig stream ik, en ik play lists. Dat was vroeger wel anders. Toen moest je een LP opzetten en hem omdraaien, de plaat afstoffen en af en toe een naald vervangen. Een kleine muziekgeschiedenis, van boom naar rizoom.

Tientallen jaren lang was een plaatje opzetten het eerste wat ik in het weekend deed. Daarna koffiezetten en ontbijten, met de krant erbij. Eerlijk gezegd gaat dat nog steeds zo. Alleen zet ik niet meer letterlijk een plaatje op. Ik swipe door wat schermpjes en klik dan ergens op, waarna het huis zich vult met de muziek die ik net heb gekozen uit de schier oneindige database van Spotify. Het is een wonder.

LP

Toch noem ik het nog steeds plaatjes draaien, net zoals ik goede muziek nog steeds een ‘geweldige plaat’ of een ‘prachtig album’ noem. Dat is het mooie van taal: soms houden woorden de betekenis die ze hadden, terwijl de fysieke handeling die erachter ligt allang is verdwenen. We hebben geen paard meer nodig om de teugels te laten vieren, noch een stuur om het over te dragen of een plaat om muziek te luisteren. Over honderd jaar zal het een quizvraag op TV zijn. “Vingers bij de knoppen: waar komt de term plaatjes draaien vandaan?”

Mijn eerste plaat was ‘Arrival’ van ABBA, uit 1976. Ik was elf en had er hard voor gespaard. Eerder maanden dan weken. Toen ik het geld bij elkaar had, ben ik in mijn eentje op de fiets gestapt naar Siebrechts muziekwinkel, aan de andere kant van het dorp. Daar zag de uitbater eruit als een mollige versie van Simon van Collem. Vervolgens voorzichtig teruggefietst naar huis, met de LP in een plastic tas, fladderend langs het stuur.

Eenmaal thuis ging ik gelijk op zoek naar Pa, om mijn aanwinst te tonen. Hij zat bij buurman Paul. Trots liep ik daar naar binnen met mijn nieuwe schat, waar ik vrijwel direct enorme spijt van had. Buurman Paul reageerde als eerste en vroeg of hij de plaat mocht zien. Nog voor ik het door had griste hij de tas uit mijn vingers, was de plaat al uit zijn hoes en schudde hij hem tussen beide handen in, ritmisch omhoog en omlaag. Ondertussen zong hij ‘op een kangoeroe eiland’; als je het geluid hoort weet je precies welke beweging hij maakte en welke doodsangst voor mijn nieuwe plaat ik heb uitgestaan.

Het kangaroe eiland van het cocktail trio; je hoort de LP ploppen 🙂

Cassette en CD

Met de LP zelf liep het die dag overigens nog best goed af, maar niet voor heel lang. Al snel kwam ik erachter dat er ook muziek bestond als Deep Purple en Status Quo en daar paste Arrival echt niet tussen. Weg dus, met dat ding. Toen in 1978 ‘Van Halen I’ uitkwam was het helemaal gedaan met de doorsnee popmuziek. Op de radio bij Alfred Lagarde’s Betonuur en Hanneke Kappen’s Stampei, daar hoorde je het echte werk. Twee keer per week zat ik klaar met mijn cassetterecorder, vingers bij de knoppen. Zo nam ik hele tapejes op met muziek van verschillende artiesten.

Terugkijkend waren dat eigenlijk mijn eerste afspeellijsten, maar zo voelde het toen nog niet. Ik ben sowieso nooit zo dol geweest op cassettebandjes, hooguit voor in de auto. De krengen liepen altijd in de soep en gaven een steeds slechter geluid. Het is ook tekenend dat een ‘cassette opzetten’ of ‘een bandje draaien’ nooit dezelfde betekenis van muziek luisteren heeft gekregen als plaatjes draaien. In die zin was een cassette vooral een opgenomen LP. Behalve dan misschien in de Guardians of the Galaxy, maar da’s vooral nostalgie. Die trouwens ook gewoon op Spotify staat.

Toen de CD kwam, midden jaren ’80, veranderde er eigenlijk niet zo heel veel aan het plaatjes draaien. Ze waren handzamer, makkelijker op te bergen en namen minder ruimte in. Maar het bleef een rondje met een gat erin, waar je een apparaat voor nodig had om de muziek erop te beluisteren. En als ie klaar was, moest je een nieuwe opzetten. Of repeaten, dat kon natuurlijk ook.

De boom van de verzamelaar

De CD-verzamelaar ondertussen vertoonde hetzelfde gedrag als de boekenverzamelaar. In een speciale kast moet alles op de juiste volgorde worden gezet. Meestal alfabetisch binnen een genre. De verzameling ontwikkelt zich dan verder via het patroon van een boom. Onder de grond zitten de wortels, de basis van de muzieksmaak. Ook al draai je die nauwelijks tot niet, je kunt er toch niet zonder. In die zin zijn het echt de wortels: je hebt ze wel nodig, maar je hoeft ze niet te zien. Denk aan muziek van bijvoorbeeld Led Zeppelin, Pink Floyd en Deep Purple. Die zit in mijn wortels.

De boom van de muziekverzamelaar. Tekening van Wendy Kiel

Bovengronds staat de stam, waar de kern van de verzameling zich bevindt. In mijn geval waren dat toen bandjes als Kyuss en Tool. Uit de stam vertakken zich dan de specialisaties, met genres en sub-genres. Zo ontstonden er bijvoorbeeld speciaaltjes met metaalwaren (Fear Factory, Sepultura), grunge (Soundgarden, Melvins) en symfonisch (Iron Maiden, Dream Theater). Alternative, niet te vergeten (Primus, Faith no More).

Kenmerkend voor de echte boom-verzamelaar: de neiging om compleet te zijn. Alles willen hebben, van obscure persingen tot zuivere duitenkloppers; verzamelaars met allemaal bekende nummers en één nieuwe ‘from the vaults.’

Uiteindelijk fragmenteert elk subgenre in steeds vreemdere plaatjes die zich als eenlingen ontvouwen gelijk de blaadjes in het loof. Niet zelden zitten daar ook de miskopen tussen (Brujeria, om er maar eens eentje te noemen). Bij het snoeien gaan die er als eerste aan. Ruimte maken voor nieuw en vers. Op de top van mijn verzameling bestond de boom uit meer dan 1300 ceedeetjes, die door mijn toen studerende nichtje altijd met enig leedvermaak werd bezien als de gekke hobby van haar oom.

Naast deze rock-boom heb ik ook nog een jazz-boom. Grappig genoeg groeit die andersom. De nieuwe plaatjes zitten in de wortels (Eric Truffaz, Nils Petter Molvaer, ik draai het nooit meer). De stam bestaat uit de Brad Mehldau’s en E.S.T.’s van deze wereld, die luister ik nog wel regelmatig. Net als de Philadelphia Experiment. En in de kroon zit oud werk van Ahmad Jamal, John Coltrane en Miles Davis. Die zet ik tegenwoordig als eerste op. Maar ook al groeit ie andersom, het is wel een boom. En dat heb ik tot mijn 53e zo gedaan.

Het rizoom van Spotify

Want toen kwam het rizoom van Spotify. Dat ging trouwens niet van de één op de andere dag, er zat nog een interbellumpje tussen met MP3’tjes. Die gebruikte ik vooral in de auto, als ware het een handig cassettebandje. Ondertussen luisterde ik via mijn computer ook steeds meer losse nummers random uit een grote bak. Precies wat Spotify in de kern ook is. Een hele grote bak muziek met 30 miljoen liedjes. Waar je betekenis aan geeft door het te organiseren via playlists.

Mijn Americana without Borders playlist; Via Spotify kan je hem compleet vinden.

Toen ik net op Spotify zat heb ik avonden besteed om mijn oude bomen weer in te richten. Keurig alles weer onder het kopje ‘albums’ ondergebracht. Maar al gauw bleek dat zo niet te werken. Voor ik het door had zat ik liedjes te rijgen in nieuwe playlists. Van alles door elkaar; oud en nieuw, bandjes en solisten, rock en jazz. Gebaseerd op één connectie tussen jou en die liedjes. Geen boom, maar een rizoom. Het is wat Deleuze het principe van connectiviteit en heterogeniteit noemt: Any point of a rhizome can be connected to anything other, and must be.

De betekenis van een lijst evolueert vanzelf als het zich in de tijd verder ontwikkelt. Dat is een tweede kenmerk van rizomen: multipliciteit. “A multiplicity has neither subject nor object, only determinations, magnitudes and dimensions that cannot increase in number without changing the multiplicity in nature.” Zo was ik ooit met een playlist ‘Americana’ begonnen, die al snel werd aangevuld met tips van Spotify. Dus stond er opeens ‘Get thy bearings’ van Donovan tussen. En even later ‘Saturday Sun’ van Nick Drake. Waarop de playlist eerst tot ‘Mostly Americana’ werd omgedoopt en later ‘Americana without borders.’

Soms wordt een playlist zo groot, dat ie niet meer het gevoel oplevert wat je er ooit mee bedoeld had of dat je bepaalde liedjes opeens te weinig hoort. Dan kan je volgens het principe van de onsignificante scheuring je playlist gewoon uit elkaar trekken. “A rhizome may be broken, shattered at a given spot, but it will start up again on one of its old lines or on new lines”. Zo heb ik uit de Americana playlist een nieuwe lijst ‘Groot zand’ afgesplitst, met liedjes van onder andere Howe Gelb en Calexico.

The map is not the territory

Nog een kenmerk van een rizoom. “The rhizome is altogether different, a map and a tracing. The map is open and connectable in all of its dimensions; it is detachable, reversible. Susceptible to constant modification.” Elke maandag en vrijdag komt Spotify met nieuwe aanbevelingen, gebaseerd op hoe je rizomen er op dat moment bijstaan. Dat levert soms grote verrassingen op, soms ook zit het er volledig naast. Maar ergens ligt er dan toch een connectie volgens het algoritme, in een dimensie die je zelf (nog) niet ziet. Neveneffect: je kunt nooit compleet zijn, er past altijd wel iets bij. Alles willen hebben moet je gewoon loslaten.

Get thy Bearings van Donovan

Ook de family playlist kan bijzondere invullingen krijgen: zo bleek ik opeens allerlei liedjes van Alicia Keys bij te dragen aan de familielijst. Dat is het principe van de decalcomania: forming through continuous negotiation with its context, constantly adapting by experimentation, thus performing a non-symmetrical active resistance against rigid organization and restriction. Je rizoom verandert door de context waar hij in groeit, net zoals de context verandert door het rizoom. Dat u het maar weet, niks gebeurt in isolatie.

Een van de belangrijkste kenmerken van een rizoom is dat het meerdere ingangen kent. Er zijn alleen lagen, er is geen begin en geen einde. Ook dat zie je in Spotify terug, op verschillende manieren zelfs. Als een playlist afgelopen is, gaat ie vanzelf door met er aan gelieerde muziek: nummerradio dan wel artiestenradio. Zet een grote playlist op shuffle, en het ding speelt nooit dezelfde volgorde van liedjes. Daarnaast kun je van een album een playlist maken, en die kan je dan weer in een mapje stoppen. Een beetje op z’n booms, eigenlijk, maar dan via de wetten van het rizoom: the map is not the territory.

Inmiddels is me duidelijk geworden dat sommige albums zo goed zijn, dat het een playlist op zichzelf is. Zoals ‘Dream River’ van Bill Callahan, ‘Antiphon’ van Alfa Mist of ‘Desolation Blues’ van Chris Whitley. (Ja, de muzieksmaak is inderdaad nogal veranderd de afgelopen jaren). Die staan nog steeds onder het kopje ‘albums.’

Van de rest heb ik de beste nummers overgenomen in een playlist en het album zelf verwijderd. Uit mijn eigen mapjes, althans. Want in de territory, de bak van Spotify, daar staan ze gewoon nog in. Wie weet kom ik ze weer eens tegen, als ik een playlist ben begonnen waar ze inpassen. Want dat is plaatjes draaien in tijden van Spotify. Continu veranderende playlists, met af en toe een geweldig album; muziek luisteren in een rizoom.

Stagger Lee zal nooit meer sterven zolang de blues blijft leven

Leestijd: 4 minuten

Stagger Lee is een mythische figuur uit de bluesmuziek, die in een ontelbaar aantal nummers is terug te vinden. Heeft hij echt bestaan, of is het slechts een urban legend, oral history? En wat zijn eigenlijk de beste stekkerliedjes?

Stagger Lee shot Billy

St. Louis 1895, Kerstavond. Het is druk in Bill Curtis Saloon, een beruchte kroeg aan de Morgan Street. Henry Crump en Bill Lyons zitten samen aan de bar te kletsen als Lee Shelton binnenkomt, ook wel bekend als Stack Lee of Stagger Lee. Stagger Lee is een pooier en bekend in het criminele circuit. Hij is lid van een bende die zich The Macks noemen. De leden daarvan kleden zich graag extravagant, met dure schoenen, fluwelen pakken en opvallende hoeden. Cecil Brown, die een schitterend boek schreef over het verhaal van Stagger Lee, omschrijft het als volgt: The Macks were not just “urban strollers”; they presented themselves as objects to be observed.

Stack O’Lee killed Billy in een strip van Timothy Lane

‘Who’s treatin’, vraagt Stagolee als hij binnenkomt. De bezoekers wijzen naar Lyons en Lee loopt op hem af. De twee kennen elkaar wel uit het wereldje, hoe bevriend ze echt waren is nooit duidelijk geworden. Die avond kunnen ze het echter prima met elkaar vinden, tot de discussie op politiek terecht komt.

Dan ontstaat er ruzie. Stagger Lee slaat de hoed van het hoofd van Lyons, die als wraak diens witte Stetson kaapt. Lee waarschuwt dat Lyons van zijn hoed moet afblijven en hem terug moet geven, maar Lyons is kwaad en weigert dat. Daarop pakt Stagger Lee zijn pistool en schiet Lyons dood. Lee pakt daarna doodleuk zijn hoed, zet hem recht en loopt de saloon uit.

Don’t mess with a men’s hat.

Het originele death certificate van Billy Lyons.

Oral History

Deze gebeurtenis is de basis van een song die meer dan 400 uitvoeringen kent. “The origins of the Stagolee legend coincide with the origins of the blues in the 1890s”, schrijft Cecil Brown in zijn boek ‘Stagolee shot Billy.’ Stagolee is volgens hem een metafoor voor de manier waarop afro americans zich zouden moeten gedragen. Niet per se als gangster, maar wel als iemand die niet met zich laat spotten. Het is een rolmodel dat zich door de jaren heen steeds weer aan de tijd aanpast, waardoor het originele verhaal inmiddels vele, steeds weer nieuwe, vormen kent. Het is onsterfelijk geworden, net als Afro Blue.

Ik was al bekend met de uitvoering van Nick Cave, maar had er verder niet bij stilgestaan dat er misschien nog een heel ander verhaal achter zou zitten. Ik besefte me dat pas toen ik onlangs tegen het onvolprezen album ‘Dislocation Blues’ van Chris Whitley aanliep. Dat begint gelijk met een stomende uitvoering van Stagger Lee.

‘Wat een vreemde cover’, dacht ik eerst nog, ‘zo klinkt Cave helemaal niet. Laat ik dat eens even checken’. Waarop ik Stagger Lee intikte bij Spotify. Dat leverde een hele rits nummers op, waardoor ik gelijk wist dat hier wat anders achter moest zitten. Een urban legend, of iets met oral history of zo. Het blijkt een combinatie van beide. Ik heb tijdens mijn zoektocht naar Stagger Lee vele mooie uitvoeringen gehoord, maar de acht meest interessante heb ik voor dit blog bewaard: de Stekkerliedjes.

Acht stekkerliedjes

Mississippi John Hurt schreef in 1928 één van de eerste uitvoeringen die grote bekendheid kreeg. Het is een klassiek voorbeeld van de oral history die oude blues vaak is.
Wilson Pickett haalde in 1967 de 22e plek op de US pop charts. De blues was er toen wel een beetje van af. Rock ‘n roll, zou je het nu noemen.
Samuel L. Jackson nam voor de film Black Snake Moan een enthousiaste electric boogie op. Mannish Boy en Boom Boom zijn nooit ver weg.
Curtis Mayfield, u weet wel, die van Superfly, maakte een hele coole uitvoering onder de titel Billy Jack. Met zijn eigen tekst: One sided duel, gun and a fool
What a way to go
London Calling, die kent iedereen wel van de Clash. Maar ook zij deden een stekkerliedje: Wrong ‘Em Boyo
Stack shot Billy is de interpretatie van The Black Keys. En wat voor één. Kale electric blues, waar de tekst perfect bij de muziek past. Een van mijn favoriete stekkerliedjes. De op twee na, om precies te zijn.
Nick Cave is altijd al niveau extraordinaire, dus ook met Stagger Lee. Hij maakte het nog een ruiger verhaal dan het al was, op het album Murderballads. Tegen de Guardian zei hij daarover: “I like the way the simple, almost naive traditional murder ballad has gradually become a vehicle that can happily accommodate the most twisted acts of deranged machismo. Just like Stag Lee himself, there seems to be no limits to how evil this song can become.”
Het beste stekkerliedje is van Chris Whitley en Jeff Lang. Het is hypnotiserende muziek, een 7,5 minuut durende folk voodoo blues die precies past bij wat er die avond in 1895 gebeurde.
Dit is de volledige lijst van stekkerliedjes op Spotify die ik voor dit blog heb afgeluisterd. Met onder andere ook nog verrassende uitvoeringen van Neil Diamond, Ike & Tina Turner, Dr John en Josh Ritter.

Afro Blue, het lied van hoop

Leestijd: 5 minuten

Afro Blue wordt gezien als de eerste latin jazz standard, geschreven door Mongo Santamaria in 1959. Ikzelf ontdekte het toevallig, toen ik kort na elkaar de versies hoorde van Melanie de Biasio, Robert Glasper en Marc Copland. Steeds datzelfde thema in zulke verschillende muziek. Het maakte mij nieuwsgierig naar het verhaal achter Afro Blue. Dat begint in Cuba.

“When I play I don’t know how I do it, or what I do … I just play”

mongo santamaria

Cuba, 1898. Na ruim 400 jaar overheersing jaagt Amerika de Spanjaarden uit de Cubaanse kolonie en sticht er een onafhankelijke staat. Nou ja, onafhankelijk, het is eerder een protectoraat. De Verenigde Staten grijpen nog meerdere malen in en blijven lange tijd een vinger in de pap houden. Tot Fidel Castro de macht grijpt in 1959, maar dat is weer een heel ander verhaal.

In 1917 wordt Ramon Santamaria geboren in Havana. Zijn vader geeft hem de bijnaam ‘Mongo’. ‘Leider van de stam’ betekent dat in Mali, het land waar de voorouders van Ramon vandaan komen. Hij groeit in armoede op, tussen vriendjes van voornamelijk Afrikaanse komaf. Ze maken veel muziek op straat, met bongo en percussie. De jongens leren spelen van elkaar en door naar anderen te kijken. Ondertussen hopen ze allemaal op een carrière als muzikant. In 1937 is dat eindelijk zover voor Mongo: hij krijgt zijn eerste echte baan als percussionist bij het Septeto Balano en later het Orquesta Cubaney.

Mongo in 1969, toen al 52 jaar. Zijn hele leven zou hij een jonge uitstraling houden

Van Mexico naar New York

Ondertussen was het behoorlijk gaan rommelen in Cuba. Rond 1933 ontstaat er in het landsbestuur een hoop gedoe door de ‘Opstand der Sergeanten’. Een zekere Battista grijpt de macht, onder goedkeurend wegkijken van Amerika. Er worden stromannen benoemd, terwijl Battista zelf achter de schermen aan de touwtjes trekt en dubieuze samenwerkingsrelaties aangaat met de Amerikaanse maffia. Het is in deze onrust dat veel jazzmuzikanten het land verlaten. Santamaria gaat eind jaren veertig eerst nog naar Mexico, waar hij speelt met de danser Pablito Duarte. In 1950 vestigt hij echter zich in New York. Daar groeit hij uit tot een invloedrijke figuur in de latin-jazz.

”Mongo’s major contribution,” said the percussionist Bobby Sanabria, ”was that he applied the conversational aspect normally played on the bongo to the conga drums. But more importantly, Mongo always represented the close ties that Cuban music has to West Africa.”

Afro Blue

En dat is precies wat je hoort in zijn grootse jazz standard ‘Afro Blue’, die hij in 1959 opneemt met de band van Cal Tjader. De eerste vijf seconden beginnen met percussie in een typisch Afrikaans ritme. Dan valt de bas in en staat het basisframe van het nummer. Na 20 seconden komt er nog een ritme overheen en nog één en nog één, alles bij mekaar wordt het een vrolijk polyritmisch spektakel. Met daar tussendoor steeds die fluit, die keer op keer het wereldberoemde thema van Afro Blue inzet. Er spreekt hoop uit, geloof in een betere toekomst, maar tegelijkertijd ook een zekere melancholie. Het is die combinatie van sferen die het voor mij zo’n onweerstaanbaar muziekstuk maken.

Oscar Brown

In 1959 schrijft Oscar Brown een tekst voor Afro Blue, die hij een jaar later op zijn LP ‘Sin & Soul’ zet. “The album is regarded as a true classic for openly tackling the experiences of African Americans with songs such as ‘Bid ‘Em In’ and ‘Afro Blue’. Sin & Soul is also significant because Brown took several popular jazz instrumentals and combined them with self-penned lyrics on songs such as ‘Dat Dere’, ‘Afro Blue’ and ‘Work Song‘. Het oorspronkelijke Afro Blue is op Sin & Soul teruggebracht tot een kaal percussieritme waar Brown haast a-capella zijn tekst over uit spreekt.

Dream of a land my soul is from

I hear a hand stroke on a drum

Elegant boy, Beautiful girl

Dancing for joy, Delicate whirl

Shades of delight Cocoa hue

Rich as a night

Afro blue

Two young lovers dance face to face

With undulating grace

They gently sway, Then slip away

To some secluded place

Whispering trees, Echo their sighs

Passionate pleas, Tender replies

Shades of delight Cocoa hue

Rich as a night

Afro blue

Lovers on flight, Upward they glide

Burst at the height, Slowly subside

And my slumbering fantasy assumes reality

Until it seems it’s not a dream

The two are you and me

Shades of delight Cocoa hue

Rich as the night

Afro blue

Oh shades of delight Cocoa hue

Rich as the night

Afro blue

John Coltrane

Afro Blue wordt pas echt beroemd door de uitvoering van John Coltrane. Hij verschijnt op de LP ‘Live at Birdland’ uit 1964. Coltrane maakt van het vrolijk polyritmisch nummer een furieuze jazz wals, met McCoy Tyner aan de piano, Jim Garrison op bas en Elvin Jones achter de drums. Dit viertal zou een jaar later het meesterwerk ‘A Love Supreme’ opnemen en was hier al flink op stoom om dat topniveau te gaan halen. Toch laat ik niet die uitvoering van Afro Blue hier horen, maar eentje van McCoy Tyner uit 2001, van het album ‘Plays John Coltrane at the Village Vanguard.’ Tenslotte was McCoy Tyner er ook al bij in 1964, en deze uitvoering heeft zo’n mooie sound. Dat is ook wat waard.

The Doors

The Doors zijn weliswaar geen jazzband, maar pikken af en toe toch een stukje mee. Tijdens de live uitvoering van Universal Mind, van het album ‘Absolutely Live’ uit 1970, begint na zo’n 2,5 minuut Robbie Krieger met het themaatje van Afro Blue, waarna de rest enthousiast invalt. Het is één van de eerste crossovers van Afro Blue naar pop. Daar zouden er nog vele van volgen.

Melanie de Biasio

Zoals de versie van Melanie de Biasio uit België, van het album Lilies uit 2017. Volgens allmusic.com is het echter geen pop, maar jazz. Nou ja, als het maar goed klinkt. En dat doet het. De Biasio maakt met haar interpretatie een bloedstollende versie als uit een film noir, waar de grens tussen pop en jazz volledig in de schemer verdwenen is. Al helemaal op deze liveregistratie uit 2018.

Robert Glasper

Er zijn ook artiesten die de grens tussen pop en jazz juist door zonneschijn laten verdwijnen. Die het gewoon laten verbleken. Zo iemand is Robert Glasper, die samen met Erykah Badu op ‘Black Radio’ een heerlijk lui hip hop jazz funk nummer op de plaat heeft gezet. Ja, het is allemaal nog steeds dat liedje van Mongo uit 1959. Maar dan weer anders.

Marc Copland

Marc Copland wordt ook wel de piano whisperer genoemd, vanwege zijn techniek en het kristalheldere geluid. In 2019 verscheen ‘And I love her’, een prachtig album met Drew Gress en Joey Baron. Dat vond allaboutjazz.com ook:

What’s remarkable about this compelling album opener is that it was never planned to be a part of And I Love Her‘s recording session.”We were warming up,” Copland says [in the press sheet], “and as so often happens, Joey started a groove, in this case a 6/8 thing….and I heard ‘Afro Blue’ in my head, which I’m not sure I’d ever played before.”

Er zijn nog ontelbare andere versies van Afro Blue gemaakt. Die ga ik je niet allemaal laten horen, als je zin hebt kun je zelf door mijn Spotify Playlist scrollen. Ik heb er in dit blog zeven op een rijtje gezet die mij om verschillende redenen fascineren. Wat ze allemaal gemeen hebben is die combinatie van hoop en melancholie.

Dat is de kracht van echt goede muziek: het roept andere gevoelens bij je op dan alleen de herkenning van een leuke melodie of refrein. Precies de magie die je niet in woorden kunt vatten, zoals Mongo zelf ook al zei: “When I play I don’t know how I do it, or what I do … I just play”.

Afro Blue, De Playlist

De beste muziek van 2019

Leestijd: 6 minuten
8 december 2019

Het is weer tijd voor jaarlijstjes, tijd voor de beste muziek van 2019. Volgens Rizoomes dan. Tien toppers op een rijtje

Elk pad ontstaat door er over te lopen. Met die gedachte in mijn achterhoofd startte ik vorig jaar een traditie, zo dacht ik, om elk jaar de beste muziek van het afgelopen jaar in een lijstje te zetten. Mijn eigen jaarlijstje, een jeugddroom. Is het niet in de Oor, dan in ieder geval op mijn eigen website. Het hoeft immers niet alleen over crisis te gaan in het leven.

Maar dat was vorig jaar, 2018, toen ik nog niet op Spotify zat. Toen de wereld nog overzichtelijk geordend was in albums. Toen het fenomeen playlist mij nog niet bereikt had. Toen TOOL alleen nog maar op fysieke geluidsdragers verkrijgbaar was en al ruim twaalf jaar geen nieuw werk had uitgebracht.

Hoe anders ziet die wereld er nu uit. TOOL zit op Spotify. Ik zit op Spotify. En ik play meer lists dan albums. Wat dat gaat betekenen voor mijn nieuwe traditie zullen we volgend jaar zien, als ik een heel jaar Spotify achter de rug heb. Maar dat er iets zal veranderen is duidelijk. In 2018 vond ik met gemak 18 beste albums. Dit jaar kwam ik niet verder dan tien. Maar die zijn dan wel weer allemaal heel erg goed. In ieder geval negen ervan. Kijk en luister maar mee.

Fear Inoculum – TOOL

Dertien jaar lang liet TOOL ons wachten op hun nieuwste album. Dertien jaar. Dan verwacht je iets heel bijzonders en dat kregen we ook. Fear Inoculum is een geweldige plaat. Zeven nieuwe nummers, waarvan er zes boven de tien minuten klokken. 7empest doet zelfs ruim een kwartier. Het herkenbare TOOL-stramien is hier opnieuw verder opgerekt: de ritmes zijn nog onnavolgbaarder, de bas soleert meer dan ooit en de gitaarlijnen slingerden nimmer zo veel kanten tegelijk op. En Maynard James Keen zingt weer net zo strak als dertien jaar geleden. Toch wringt er iets. Hoe mooi het allemaal ook klinkt, echt verrassend is het niet. Niet zo verrassend als Lateralus was in 2001. Dat kan maar één ding betekenen: TOOL is af. Niets meer aan doen en weer dertien jaar wachten.

Black Pumas – Black Pumas

Soms gaat het snel. Op het ene moment doe je een telefonische auditie bij Adrian Quesada die op zoek is naar een zanger voor zijn nieuwe muziek, en even later ben je een psychedelisch funk seventies Motown hiphop duo onder de naam Black Pumas. Hun debuut is overdonderend vertrouwd. Oude sound in een nieuwe jas, denk je. Je hoort Marvin Gaye, Bill Withers, Charles Bradley. Maar toch ook weer niet: elke keer dat een nummer klinkt of je hem al jaren kent, blijkt dat helemaal niet zo te zijn. De Black Pumas zijn gewoon de Black Pumas, de albumtitel zei het eigenlijk al. Maar altijd goed om ff te checken of het waar is wat ze je laten horen in het kader van #fakemusic.

South of Reality – The Claypool Lennon Delirium

Nooit vroeg ik me bij enig liedje af of The Beatles zo geklonken zouden hebben, hadden ze nog bestaan. Totdat ik het nummer Blood and Rockets, hoorde van The Claypool Lennon Delirium. Zouden The Beatles zo geklonken kunnen hebben, zo vroeg ik mij toen opeens af. Het antwoord daarop is ja en nee. Ja, want Sean Lennon doet mee en het moet al heel gek lopen als hij ook niet wat Johnnerigs in kan brengen. Al maakt hij van Amethyst Realm vooral een Pink Floyd nummer.

Nee, want Les Claypool doet mee en alles waar Claypool aan mee doet klinkt als Claypool. Dat kan dus nooit op The Beatles lijken. Precies daarom mislukte ook zijn auditie bij Metallica. Die wilden helemaal niet als Claypool klinken.  Maar deze mindmeld van Claypool en Lennon is echt veel meer dan The Beatles meets Primus, het is een fenomeen op zich. Beamus! Pritles! Dat dus.

New Ways – Leif Vollebekk

Vollebekk levert met ‘New Ways’ zijn vierde en tot nu toe beste plaat af. Ik ontdekte hem via ‘Big Sky Country’, dat ik eerst abusievelijk aanzag voor een cover van Chris Withley. Terwijl het toch totaal anders klinkt, maar zo werkt tunnelvisie nu eenmaal. Vollebekk heeft een melancholieke stem met een klein gruizig randje. Precies hoe zijn liedjes klinken. Dat begint al bij de opener ‘The Way that You Feel.’ ‘Never be Back’ is een curieus rap experiment en ‘Hot Tears’ is de single. De klapper is het vierde nummer. Transatlantic Flight vind ik het beste liedje van 2019. Die heb ik dan ook hoog op mijn Top2000 en Snob2000 lijstjes gezet. Benieuwd of ik daar dit jaar nog iets van terug zal zien, waarschijnlijk niet. Daarom hier alvast de oproep voor volgend jaar: zet Transatlantic Flight op uw lijstjes voor 2020. Laat Leif niet met zijn Vollebekk vol tanden staan. (Of is die te makkelijk?)

Stay Around – JJ Cale

Van de doden niets dan goeds, dat moeten de vrouw en de manager van JJ Cale gedacht hebben toen ze ‘Stay Around’ uitbrachten. De beste man had immers al meer dan zes jaar geleden het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld en dan komt zo’n nieuwe plaat toch een beetje uit de hemel vallen. En ja, nieuw, voor ons liefhebbers wel. Wij wisten immers niet dat deze vijftien nummers ooit opgenomen waren. Maar nu wel en kunnen we ze ook horen. Gelukkig zit er niets verrassends bij. Het is net-als-altijd-JJ-Cale-Americana, in het niemandsland tussen country en jazz. Nieuwe zieltjes zal hij er niet mee winnen, maar dat kon Cale al niet schelen toen hij nog onder de levenden was. Gewoon een plaat to Stay Around. Weggaan kan altijd nog.

Activate Infinity – The Bad Plus

Met ‘Avail’ valt The Bad Plus nogal met de deur in huis, maar op het tweede nummer ‘Slow Reactors’ wordt alles weer even strakgetrokken. Dan besef je dat er ook in jazzmuziek oorwurmen bestaan, van die liedjes die je niet meer uit je hoofd krijgt. De nieuwe pianist Orrin Evans klingelt een heerlijk simpel melodietje, waarop bassist Reid Anderson en drummer Dave King lekker doorgroven. Het is het basisrecept voor dit hele album. Geen covers van popmuziek dit keer, zoals nog wel op vorige platen als ‘It’s Hard’ en ‘These are the Vistas’. Evengoed wel een prachtige jazzplaat tegen de rock aan. Helemaal not so Bad Dus.

Marc Copland – And I love her

Marc Copland begon zijn muzikale carrière ooit als alto saxofonist, maar is gelukkig voor ons overgestapt op de piano. Want wat maakt deze man een mooie muziek, zeg. In tegenstelling tot de Bad Plus, dat tegen rock aan zit, is ‘And I love her’ wel heel echte jazz. Met echte jazz bedoel ik natuurlijk niet van die bitterballen bigband herrie van je opa, of van die VVDemocratische dixieland. Ik heb het hier over een pianotrio dat improviseert op bestaande liedjes en daar op haast telepathische wijze nieuwe nummers van maakt. Microfoontje erbij, jammen en klaar. Het album begint met een schitterende uitvoering van Afro Blue, gaat swingend door naar Cantaloupe Island en komt dan vijf nummers later terecht bij ‘And I love her.’ Inderdaad, die van The Beatles, but not as we know it Captain. Probeer het eens, zou ik zeggen. Het staat gewoon op Spotify. Gratis bij de rest van je abonnement.

Esbjorn Svensson Trio – Live in Gothenburg

Vorig jaar schreef ik over een nieuwe CD met oude live opnamen van Esbjorn Svensson Trio. “Esbjorn Svensson was een groot talent uit de Europese jazz die tien jaar geleden door een duikongeval om het leven kwam. Dit jaar kwam voor mij onverwachts een nieuw album uit van zijn pianotrio e.s.t., ‘Live in London’. Met alle bekende nummers, zo goed gespeeld dat je spontaan heimwee krijgt naar 2008.” En het feest is nog niet afgelopen. Nu is er alweer een nieuw oud album, ‘Live in Gothenburg.’ Door Svensson altijd genoemd als zijn beste concert en dat hoor je: wat een topplaat.

Mon Chien Stupide – Brad Mehldau

Negen uur heb ik in 2019 naar Brad Mehldau geluisterd, volgens Spotify. Daarmee stond ie op nummer één, voor Nick Cave en Van Morrison. Die brachten dit jaar niks bijzonders uit, maar Mehldau wel: de filmmuziek bij ‘Mon Chien Stupide.’ Met prachtige uitvoeringen van ‘And I love her’ (jawel) en Paranoid Android. Overigens ook een hoop niemendalletjes, typisch filmmuziek. Dat is dus precies wat er verandert door Spotify. Op CD had ik het niet gekocht, maar nu heb ik alle nummers die boven de vier minuten klokten in mijn openbare playlist ‘So this is Jazz’ gezet. Daar glinsteren ze nu tussen 228 andere juweeltjes.

TaxiWars – Artificial Horizon

We moeten het hebben over TaxiWars. Uit België. Ergens in 2018 liep ik tegen hun tweede plaat aan, Fever. Die kwam uit 2016 en paste zodoende niet in het lijstje van vorig jaar. Anders had ie er zeker in gestaan. Dit jaar was daar opeens de derde plaat, ‘Artificial Horizon’, en die is zo mogelijk nog beter. TaxiWars is namelijk de ontbrekende schakel tussen jazz en rock. Alleen is het geen fossiel, maar een afstammeling. Dit is muziek die volledig op zichzelf staat, een eigen genre vormt, en toch nooit had kunnen bestaan zonder de voorouders. Dit is de hoop dat de mens nog steeds evolueert en zich kan verbeteren. Dit is de nieuwste incarnatie van Tom Barman, ooit van dEUS. Dit is de beste plaat van 2019. Follow that car.

Mark Hollis en de stilte van Talk Talk; een perfect drieluik

Leestijd: 5 minuten
Ed Oomes, 12 maart 2019

“Before you play two notes, learn how to play one note. And don’t play one note unless you’ve got a reason to play it.”

Mark Hollis (4 January 1955 – 25 February 2019)

Happiness is Easy

Talk Talk. Dat is zo’n bandje waar ik vroeger niet zo veel van vond. ‘Such a Shame’ is natuurlijk een wereldhit die iedereen kent, net als ‘Life’s what you make it’ en ‘Living in another world’. Niet goed genoeg om te kopen en thuis zelf te draaien, zo vond ik, maar toch ook wel weer zo aangenaam dat je mee gaat hummen als het op de radio voorbijkomt.

Dat veranderde een beetje bij ‘Happiness is Easy.’ Daar vielen de interessante ritmes mij voor het eerst op, met een elegante invulling van diverse instrumenten die individueel maar toch samen het nummer opbouwen. Alsof ze elkaar daar per toeval voor het eerst troffen.

Het is rustige muziek, met tijd en ruimte om het geheel te voelen, te ervaren. Je hoort een akoestische bas, een echte piano, zo’n gitaartje als in ‘I scare Myself’ van Thomas Dolby. En natuurlijk het kinderkoor, dat in georganiseerde chaos het refrein zingt. Geweldig nummer, staat op mijn lijstje van de 1000 beste popsongs aller tijden. Een lijst die niet zozeer lang is als wel heel breed, zodat mijn topperts allemaal voorin kunnen zitten. Iedereen is de beste in De Lijst van Ed.

Hapiness is Easy

Goed. Daarna is het heel lang heel stil tussen Talk Talk en mij. Eigenlijk tot eind februari van dit jaar. Toen werd bekend dat Mark Hollis, de zanger, op 64-jarige leeftijd was overleden. Uitgetalkt.

Gek genoeg wilde ik er meer van weten. Ik was weliswaar geen fan van het eerste uur, maar toch intrigeerde mij iets met terugwerkende kracht in die band. Dus dook ik in hun discografie. Daar ontdekte ik twee pareltjes die al sinds 1988 op mijn ontdekking lagen te wachten: The Spirit of Eden en Laughing Stock. Wat een prachtige platen. Minstens net zo mooi is het soloalbum van Mark Hollis, dat zeven jaar later onder zijn eigen naam uitkwam. Een uniek muzikaal drieluik dat eigenlijk op geen enkele manier aan één van hun grote pophits doet denken. Op ‘Happines is Easy’ misschien na dan.

Spirit of Eden

Spirit of Eden kent slechts zes nummers, die variëren in lengte tussen vijf en negen minuten. Lange stukken dus, die al een kleine indicatie geven dat Talk Talk hier geen standaard popmuziek aan het maken is. Integendeel, het is sferische improvisatie, verstild doch lyrisch en verdomd als het niet waar is, tijdloos. Met elementen van jazz, folk, pop en experimental. Nog steeds herkenbaar als Talk Talk, door die melancholieke stem van Mark Hollis, maar anders, heel anders. Dit zei Hollis er zelf van in 1998.

“Spirit of Eden”, I kind of think that was very much like, in a way where all those earlier albums were trying to get to. And then having got there, I then think the important thing is that, y’know, you either, you either just stop making records at that point because you’ve kind of reached what you were trying to get, or from that point, you seriously redress, y’know, these other areas that you, that you go for.”

Hun platenmaatschappij, EMI, was woest. Razend. Er stond geen enkele hit op, geen één nummer dat op de radio kon. Niets om geld mee te verdienen. Tot overmaat van ramp weigerde de band nog te gaan toeren ook. “Dit is muziek om naar te luisteren”, zo zei men in Talk Talk, “niet om live uit te voeren. Dat doen we dus ook niet”. De plaat werd de hemel in geprezen door de pers, maar de verkoop bereikte slechts een fractie van voorganger ‘The Colour of Spring’. Die verkocht meer dan twee miljoen exemplaren.

Er volgde een grimmige rechtszaak die er uiteindelijk toe leidde dat de band op straat werd gegooid. Als de gans geen gouden eieren meer legt, kan ie helemaal oprotten ook. Weg ermee. Bij het jazzlabel Verve echter vond men die nieuwe richting helemaal geen probleem, juist een aanbeveling. Zodoende verscheen daar in 1991 het nieuwe album Laughing Stock, dat ingetogen doorging op de weg die met Spirit of Eden was ingeslagen.

Laughing Stock

Ook Laughing Stock kent slechts zes nummers. En weer staat de stilte van Talk Talk voorop. Hollis vond dat geen geluid in muziek namelijk net zo belangrijk is als wel geluid. “Before you play two notes, learn how to play one note. And don’t play one note unless you’ve got a reason to play it.” Myrrhman, het eerste nummer, bevat dan ook niet zo veel ‘notes’ en doet zelfs als klassieke muziek aan.

After the Flood

“You take like the first track on that album, ah, ‘Myrrhman’, and it was kind of like Ok, Let’s, let’s write a track here where no part of it ever gets repeated.  Y’know, it’s just totally a movement like this (points hands moving forward in a straight line), rather than any recognisable song form.”

Die verstilling wordt op het volgende nummer, ‘Ascension Day, weer helemaal losgelaten. Daar klinkt Talk Talk bij vlagen als een punkband on dope, al was het maar omdat ze die song abrupt beëindigen. Ik dacht eerst nog dat ik een gecorrumpeerd exemplaar had, maar nee, het hoorde gewoon zo.

Het volgende nummer, ‘After the Flood’, is mijn favoriet van dit album. Het tikt af op bijna negen en een halve minuut en door de stug door kloppende drums voelt dit als het eerste post-rock nummer aller tijden. Later zouden bands als Radiohead en Mogwai zeggen dat ze hun muzikale mosterd hier bij Hollis hadden gehaald. Ook Grandaddy vertelde iedereen dat Talk Talk hun favoriete band was en nam ter ere van hun een nummer op met de titel ‘Laughing Stock’.

Qua verkoopcijfers verging het Laughing Stock nog slechter als zijn voorganger en de band hield het hierna voor gezien. Muziek maken is mooi, maar je moet er wel wat te drinken bij hebben. Dat Laughing Stock niet zo heel populair is bij de platenmaatschappijen kun je overigens ook afleiden uit het feit dat het niet via Itunes of Apple Music verkrijgbaar is. Wel via Spotify. Hij is daarnaast nog als LP te bestellen voor 41,95 bij Bol. En hij staat ook op Youtube. Daar zou ik lekker beginnen.

Mark Hollis.

Zeven jaar bleef het stil rondom Mark Hollis en toen was daar opeens zijn solodebuut: Mark Hollis. Die maakte af waar zijn twee voorgangers aan begonnen waren: het creëren van het perfecte drieluik. Met wederom veel stilte. Het eerste nummer, The Colour of Spring, begint zelfs met 20 seconden niets. De resterende nummers zijn heel organisch opgenomen, volledig akoestisch met veel elementen van jazzmuziek en zelfs vleugjes klassiek. Maar ook de trommels roeren zich, zoals in The Gift, mijn favoriete nummer van dit album. Het is een tijdloze plaat en dat was precies wat Hollis in gedachten had.

The Gift

“The ideal is that the album won’t be recognisable as having come from any time, having been recorded in any particular year.  And the fact you’re working with acoustics, helps, means, you can’t date.”

Na deze soloplaat trok Hollis zich terug uit de muziekwereld, om op een paar kleine rariteitjes na nooit meer iets van zich te laten horen. Maar dat was ook niet nodig: het drieluik was af, er hoefde niks meer bij. Het is muziek voor eeuwig. Geen enkele reden om nog een noot te spelen.

Meer muziek lezen? Check Boek & Plaat.

De beste muziek van 2018

Leestijd: 6 minuten

Al het goede kwam in drieën

Wat was dit een goed muziek jaar, zeg. Er waren zo veel plaatjes die een enthousiaste reactie bij me op riepen dat ik de grootste moeite had om er een Top Tien uit te selecteren. Dat heb ik dan ook niet gedaan: ik heb er een Top 18 van gemaakt. Een bottom up Top 18 van 18: 6 categorieën van drie plaatjes die opmerkelijk goed bij elkaar pasten.

De beste 18 van 18 kwamen in rotten van drie

Het gaat helemaal vanzelf, je doet er niks aan. Ieder met een linkje naar een liedje. Makkelijker kan ik het niet maken. Kijk maar.

Tributes aan anderen of jezelf

José James kwam dit jaar met een prachtige tribute aan Bill Withers. Daarop staan tedere interpretaties van hits als ‘Ain’t no sunshine’ en ‘Just the Two of Us’. Dat José goed kon zingen wisten we al, nu horen we dat hij ook goed kan arrangeren: gloedvolle soul met een jazzy feel. Je kan er gerust op leunen.

Willie Nelson besloot op zijn oude dag een ode te maken aan zijn vriend Frank Sinatra en zette elf van diens klassiekers op het album ‘My Way.’ Met big band en strijkers, maar zonder de bombast van de originelen. Daarvoor in de plaats de ingetogen stem van Willie, die het tot een zeer subtiel en genietbaar album maken.

Paul Simon maakte als enige een tribute aan zichzelf. ‘In the Blue Light’ bevat tien nieuwe uitvoeringen van songs uit zijn oeuvre die volgens Paul te weinig aandacht kregen. Daarvoor kreeg hij medewerking van kanonnen uit de jazz, zoals gitarist Bill Frisell en trompettist Wynton Marsalis. Het resultaat doet zich afvragen waarom hij het niet eerder deed. Prachtige plaat.

Oude mannen met nieuwe muziek

Bozz Scags was ik volledig uit het oor verloren sinds zijn hit ‘Lido Shuffle’ uit 1976. Lang geleden dus. Groot was mijn verrassing dan ook toen hij opeens met deze jazzy bluesplaat aan kwam zetten. Met eigen werk en een paar covers, waaronder een prachtige uitvoering van ‘On the Beach.’ U weet wel, van Neil Young.

John Hiatt is op ‘The Eclipse Sessions’ meer Hiatt dan ooit. Nimmer klonken zijn rauwe nummers zo rauw en zijn ingetogen songs zo ingetogen. Als je Hiatt’s muziek opzet weet je wat je krijgt, maar nog nooit zo veel als nu. Misschien wel zijn beste plaat.

Van Morrison moet haast wel denken dat zijn tijd er bijna op zit. In een razend tempo levert hij platen af, de één nog beter dan de ander. ‘The Prophet Speaks’ is zelfs zijn tweede album van 2018. Merendeels met covers die hij naar zijn eigen hand zet, en deze keer drie nieuwe liedjes erbij van hem zelf. Die naadloos inpassen tussen de rest.

Nieuwe hoop in oude muziek

Jonathan Jeremiah leverde met ‘Good Day’ zijn vierde plaat af, maar voor mij is het de eerste. En gelijk de beste: een prachtig soulvol album met een geweldige retro feeling. Alsof de tijd heeft stil gestaan.

Jamison Ross maakte met ‘All for One’ de beste plaat die Terence Trent Darby nooit gemaakt heeft. New Orleans blues – soul – jazz in optima forma, met Jamison zowel aan de vocals als op de drums. Lekker hoor.

De laatste nieuwe hoop hoorde ik het eerst op Radio 2 en is van de The Marcus King Band. Met ‘Carolina Confessions’ levert de pas 22 jarige King een geweldige plaat op, bluesy soul met toeters en een orgeltje. En wat een strot. Nu al. Moge hij de club van 27 ruimschoots passeren.

Jazz uit Europa

Esbjorn Svensson was een groot talent uit de Europese jazz die tien jaar geleden door een duikongeval om het leven kwam. Dit jaar kwam voor mij onverwachts een nieuw album uit van zijn pianotrio e.s.t., ‘Live in London’. Met alle bekende nummers, zo goed gespeeld dat je spontaan heimwee krijgt naar 2008.

Mansur Brown is een beest van een gitarist uit de London jazz scene die op diverse platen van collega’s speelde, zoals Black Focus van Yussef Kamaal. Nu debuteert hij met Shiroi, hip hop georiënteerde fusion waar Prince volgens mij nooit ver weg is. Ook al wordt er niet gezongen.

Nik Bartsch timmert al vanaf 2001 aan de weg met een minimalistische vorm van muziek die hij zelf Zen Funk noemt. Awase is zijn nieuwste plaat en betekent ‘samen bewegen’. Dat doe ik dan vanuit de luie stoel, met de rechter voet ritmisch op de vloer. Rustig aan, want het kortste nummer klokt 8 minuten en het langste 18. Voor Awase hebbe men geen haast.

Blues muziek

Cedric Burnside is de kleinzoon van R.L. Burnside die met Benton County Relic zijn eerste solo album op de markt brengt. Slechts begeleid door een drummer knalt hij de ene rauwe bluesbom na de ander voor je voeten, zodat je na 46 minuten blij bent dat het voorbij is. Even bijkomen voor de volgende aanval

Buddy Guy is inmiddels al weer 82 jaar oud en maakt nog steeds nieuwe plaatjes. ‘The Blues is (dus) Alive and Well’ en Buddy viert dat met gastoptredens van Jeff Beck, Keith Richard en Mick Jagger. Niet dat hij die echt nodig had om één van de beste bluesplaten uit 2018 te maken. Laat Shady Pines nog maar even op hem wachten.

Walter Wolfman Washington doet het op zijn 74e wel wat rustiger aan en kwam met ‘My Future is My Past’. Tien pareltjes voor in de lounge, smooth met een glaasje whisky die de oude Walter al in het eerste nummer ‘Lost Mind’ voor je inschenkt. Op voor je het weet.

NOLA Jazz

Van Angel Sucheras weet ik helemaal niets dan dat hij piano speelt en een album afleverde met de titel ‘New Orleans Spirits’. En dat zit er dan ook meer dan voldoende in. Swingende NOLA Jazz met hier en daar wat zang. Een plaatje om vrolijk van te worden.

Over Delvon Lamarr Organ Trio is gelukkig wel meer te vertellen. ‘Close but no Cigar’ is dampende orgelswing met knisperend gitaarwerk dat zelfs je familiefeest tot een eh nou ja feest maakt. Oorspronkelijk uit 2016 en in eigen beheer uitgebracht, nu gelukkig via een major label ook voor u en mij beschikbaar. Opletten bij gebruik in de auto, dat wel.

John Medeski komt helemaal niet uit New Orleans, maar uit Medeski, Martin en Wood. Voor Mad Skillet maakte hij echter een uitzondering en haalde hij zijn bandje uit The Big Easy, inclusief een souzafoon voor de bas. Het resultaat is verdorie heuse echte NOLA Jazz. Met hier en daar wat schurends, omdat ie anders niet meer terug mag naar Martin en Wood. En dat zou ook zonde zijn.

Van 2019 is ook een jaarlijst. Kijk maar eens hier.

Alfa Mist – Antiphon

Leestijd: 2 minuten

De cameralens lijkt een beetje geblurred, of misschien is het wel de ochtendzon die door het venster schijnt. We zien een klassiek roederaam, waarschijnlijk van een oud pakhuis, met opgebonden touwen aan haken ernaast. Zou het dan toch een gymzaal zijn?

De woorden ‘Mahagony sessions’ verschijnen in beeld en er begint zachtjes een piano te spelen, een betoverend, repetitief deuntje. De camera zwaait voorzichtig naar rechts, nog meer touwen aan de muur en daar komt de achterkant van een schilderij in zich. Het beeld zwenkt verder door en zoomt in op een drummer, die gelijktijdig begint te spelen met een nog onzichtbare trompet. Het doek gaat op en daar is de hele band: Alfa Mist in een oud theater, ergens in Londen.

De magie zwelt verder aan als Alfa Mist het nummer Keep On helemaal uitrolt en ook de gitarist losgaat. Het klinkt retestrak, zonder de beelden erbij zou je denken dat het een producer is die alles aan elkaar heeft gemixed. Dat is overigens niet zo’n gekke gedachte: Alfa Mist is van origine een hiphop producer en is pas later jazzmuziek gaan maken. Hij leerde zichzelf piano spelen en muziek componeren. Opnemen kon ie al.

Het resultaat is te horen op Antiphon, een meditatieve jazzplaat, met invloeden uit soul en dance. Uitermate geschikt voor de late zondagmiddag, het valt als een warme deken over je heen met voldoende ruimte voor een glaasje lekker erbij. Alles live ingespeeld door andere coryfeeën uit de London jazzscene, zoals Jamie Houghton op drums, Jamie Leeming op gitaar en Rudi Creswick op bas. Je ziet hen ook spelen in de clip van de Mahagony sessions. Gitarist Mansur Brown verdient het om hier ook nog even apart genoemd te worden, ook hij speelt mee op Antiphon. Luister eens naar zijn solo op Kyoki en je weet dat Prince een waardig opvolger heeft gevonden. Check ook even deze video: wat een gitaarbeul. En wat een drummer.

Deze plaat van Alfa Mist is alweer uit 2017 en het is mijn favoriete cd uit de hausse aan UK-jazzmuziek van de afgelopen jaren. Daar zit een hele nieuwe generatie muzikanten die invloeden uit allerlei muzieksoorten aan elkaar verbindt, met jazz als de gemeenschappelijke noemer. Spelen is daarbij belangrijker dan zittend luisteren en de scene bevolkt dan ook een groot aantal clubs in met name Dalston. Ze spelen in elkaars band en op elkaars plaat en dat leverde al vele juwelen op. Naast Antiphon van Alfa Mist zijn deze platen ook zeer de moeite waard:

Yussef Kamaal – Black Focus

Nubya Garcia – Nubya’s Five

Binker and Moses – Alive in the East

GoGo Penguin – Humdrum Star

Hopelijk is de Brexit niet te hard om deze muziek zachtjes te laten landen in de rest van Europa. Het is ons van harte gegund.

« Oudere berichten

© 2021 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑