Wanderings

Tag: Muziek

De verrassende twintig van 2020

Leestijd: 7 minuten

Twintig twintig zit er voor de helft op. Tijd dus voor een halfjaarslijstje: wat zijn de pareltjes in die borrelende brij van nieuwe liedjes? Zie hier de twintig meest verrassende nummers van 2020 tot nu toe.

Ja, precies, verrassende nummers. Losse liedjes. Dus geen albums, die focus gaat met Spotify lichtelijk verloren, zoals ik eerder in dit blog schreef. Hoewel ik dat iets moet nuanceren: op mijn albumlijst verschenen dit jaar nog geen nieuwe platen uit twintig twintig, maar wel een paar oude. Zoals Gimme Fiction van Spoon en Blue World van John Coltrane.

Maar daar wilde ik het niet over hebben. Wel over verrassende muziek, want surprise is immers het overkoepelende thema van de website. Er staan daarom niet per se de beste nummers in de Verrassende Twintig, want dat is een ander criterium. Mogelijk had in dat geval Neil Young er namelijk wel in gestaan, met Kansas van het album Homegrown.

Of The Rolling Stones, met Living in a Ghost Town. Allebei prima liedjes, maar nauwelijks verrassend te noemen. Hooguit is het verrassend dat die oude lijken nog steeds nieuwe plaatjes uitbrengen. Maar dat is wellicht een onderwerp voor een volgend muziekblog.

Nee, verrassende muziek, dat is waar het om gaat. Twintig liedjes uit de eerste zes maanden van twintig twintig, die allemaal meedingen voor de eindlijst. Ze zijn voor deze gelegenheid verdeeld over drie categorieën, want dat kwam toevallig ontzettend goed uit: acht keer pop / rock, zes covers en zes keer jazz. Maar of de eindlijst ook nog zo verdeeld is blijft een verrassing. Engage.

Pop / Rock

Even leek het of daar de nieuwe single van Mark Lanegan klonk, toen Romulus en Remus’ hill donkerbruin uit de speakers schraapte. Maar nee, het was All Them Witches, het illustere darkblues kwartet uit Nashville dat van die heerlijk ouderwetse psychedelische rock maakt. Niks occults aan, ook al is de bandnaam gebaseerd op een fictief boek uit Rosemary’s Baby.
Van Khruangbin had ik nog nooit gehoord. Toch blijkt het instrumentale trio uit Texas al geruime tijd te bestaan en bracht het onlangs hun verdienstelijke vierde plaat ‘Mordechai’ uit. Die bij mij direct werd opgeslokt door de playlist ‘Easy Desert Surf Music’, waarin onder andere ook Clutchy Hopkins, Lord Newborn en Tommy Guerrero figureren. Heb je een beetje beeld op welke wind Thai Airways vliegt (Khruangbin is Thais voor vliegtuig). Texas Sun is echter geen instrumentaaltje en werd als een poor lonesome cowboy ingezongen door Leon Bridges, een R&B zanger die vergeleken wordt met Otis Redding. Da’s pas een verrassing.
Uit 2012 was ie al weer, mijn favoriete liedje ‘Au Cinema’ van Lianne La Havas. In 2015 kwamen daar nog ‘Unstoppable’ en ‘They Might Be Wrong’ bij, maar daarna werd het nogal stil rondom La Havas. Tot voor een paar weken, toen de EP ‘Weird Fishes’ met vier nieuwe liedjes verscheen. Het werk heeft de feel van Alicia Keys ten tijde van Empire State of Mind, maar dan zonder haar commerciële knieval. Zeker op Paper Thin, waar een subtiel jazzcombo met upright bass de sfeer van een nightclubje neerzet. Lekker hoor.
Van 1996 is ie, onze Marcus King. Vier en twintig dus pas. 24. En wel al vier albums uitgebracht. De eerste drie onder de noemer van The Marcus King Band, waarbij het laatste exemplaar, Carolina Confessions, een plaatsje wist te veroveren in de beste 18 van 2018. Dat ie nog steeds goed is kan dan ook nauwelijks een verrassing zijn, wel dat King daarvoor in zee wilde met Dan Auerbach van The Black Keys. Want die polijst tegenwoordig alles. Haalt de rauwe kantjes er al poetsend af. En dat is jammer, hoewel het bij No Pain toch nog net genoeg schuurt om te verrassen.
Mick Flannery staat al twee albums in mijn warme belangstelling. De Ierse singer songwriter doet er namelijk helemaal niets aan om de luisteraar te behagen. Vooral op het album ‘I Own You” uit 2016 jaagt hij je de stuipen op het lijf met haunted songs als I Own You, Cameo en Show Me The Door. Je ziet hem je al achterna komen met die buffelschedel van hem op zijn knar. Maar kennelijk is de woede gaan liggen en nu komt ie opeens met een prachtige ballad, tegen soul aan, inclusief toeters. Zou hij aan het warmlopen zijn om die oude Ierse bard op te volgen?
Ben Williams ken ik als jazz bassist, en dan vooral van zijn solo album ‘Coming of Age.’ Een geweldige plaat waarbij hij makkers als Marcus Strickland en Christian Scott Atundeh inschakelde. Het resultaat was crossover jazz met veel invloeden uit hiphop en R&B. Vijf jaar later is ie terug, met een nog grotere allegaar aan stijlen en misschien nog wel het meest verrassend, hij zingt. Come Home is een grimmig nummer over onrecht dat hij samen met Kendra Foster uitvoert. Sterk spul.
Joseph Arthur maakte ooit het prachtige, maar lijdzame ‘I Used to Know How To Walk On Water’, waarin een onzekere Jezus het opeens allemaal niet meer zo zeker weet. “I could give sight to blind men, And make a mute man sing in hell, But now I watch with awe and wonder, Doubt has now befallen me.” Dat dus. Toen ik de potten en pannenherrie van Victory Boulevard hoorde was ik dus ook lichtelijk verrast, tot ik er achter kwam dat een reissue van 20 jaar geleden betrof. Toen was ik hogelijk verrast.
Neal Francis is schatplichtig aan New Orleans, aan R&B, Soul en Dr. John. Aan Billy Preston, The Rolling Stones en The Meters. En aan Allen Toussaint en Leon Russel. Zegt ie zelf, onze Neal. Maar hij heeft gelijk. Don’t Call Me No More is heerlijke New Orleans muziek, die al weer opgevolgd is door ‘How Have I Lived’, een single die zo door Beck gemaakt had kunnen worden.

Covers

Tracy Chapman, wie is er niet groot mee geworden? In 1988 was Fast Car een wereldhit en eerlijk gezegd denk ik dat de pracht van het nummer toen een weinig aan mij voorbij is gegaan. Gelukkig zijn daar nog altijd de Black Puma’s die de fast car weer even onder de aandacht brengen.
So remember we were driving, driving in your car
Speed so fast I felt like I was drunk
City lights lay out before us
And your arm felt nice wrapped ’round my shoulder
I had a feeling that I belonged
I had a feeling I could be someone, be someone, be someone
Ja, Peter Gunn, het is een genre op zichzelf. Dus daar kon de uitvoering van Joe nog prima bij. Puike DanceHall Jazz, lekker luchtig gehouden met hier en daar een stomend orgeltje. En weet je wat: het is misschien wel de beste versie die ik ken.
Jose James kent zijn klassiekers. Eerder coverde hij al het werk van Billie Holiday en Bill Withers, voor allebei trok hij er zelfs een hele CD voor uit. En nu is daar ‘Just the Way You Are.’ Van Billy Joel, die met geen enkel liedje zo urban jazz klonk als nu. Sterker nog, ik was zelfs verrast dat het ooit van Joel was geweest. Maar toch, het oude werk van Jose zelf is stukken beter. Luister eens naar Bird of Space, kippevel.
Gary Clark heeft het druk. Hij deed dit jaar al mee met John Legend en Sheryl Crow en nu covert hij er vrolijk ‘A Change is Gonna Come’ op los met Los Coast. Die kustmannen zeiden mij helemaal niets, dus dat moest ik even opzoeken. Ze schijnen punchy psychedelic pop soul te maken dus, allé, we proberen het even uit. Maar dat duurde niet heel lang. Geloof mij als ik zeg dat dit nummer door Gary Clark en door niets anders dan Gary Clark gedragen wordt.
Het enfant terrible van de Belgische popmuziek kreeg het weer eens voor mekaar: een nummer opnemen waarvan je niet weet of het nou om te janken zo mooi – dan wel lelijk is. Of is er nog een derde optie: om te janken zo leuk. We shall carry on en dan komen we er vanzelf achter.
Van sommige dingen kom je nooit meer af, hoe goed je je best ook doet. Luka, Marlene on the Wall en Tom’s Diner zitten voor eeuwig aan Suzanne Vega vastgeplakt. Maar hé, dat is allemaal al weer van voor 1990. Ze zal toch niet haar leven van die verantwoorde folk liedjes zijn blijven maken? Nou nee, sterker nog, op deze nieuwe uitvoering van Walk on the Wild Side klinkt ze zomaar een beetje als Marianne Faithfull en Tanita Tikaram. Wie had dat gedacht? (Het is maar een beetje, hoor)

Jazz

Van het Foehn Trio weet ik niks, behalve dat ze net een nieuw album uit hebben die ik nodig eens uit moet checken en in Frankrijk wonen. Daar komt Erik Truffaz ook vandaan en die ken ik toevallig wel heel goed, zijn muziek althans. En dit is weer zo’n prachtige dot eclectische jazz waar Truffaz een abonnementje op heeft.
In 2018 debuteerde Nubya Garcia met Nubya’s 5ive, een geweldige plaat uit het midden van de London jazz scene die tegelijkertijd met twee benen in de Amerikaanse jazz traditie geworteld staat. Nu is daar Pace en wat een bijzonder krachtig nummer is dit weer zeg, zowel qua compositie als qua spel. Ik hoor er overal de reïncarnatie van John Coltrane in. Wat een geluk. Ergens eind augustus moet de nieuwe plaat uitkomen, die waarschijnlijk ‘Source’ gaat heten. Ik kijk er reikhalzend naar uit.
Nog eentje uit de London jazz scene, van Nick Walters. Die propte zich met zes vrienden in een studio en jamde er in een dag een hele plaat uit. Gordian Knot part 2 vliegt van hot naar her, van toeter naar gitaar maar altijd is er die strakke ritme sectie van Nim Sadot en Max Hallett. Tien minuten laag vliegen dus niet raar kijken als er klachten over geluidsoverlast binnenkomen.
Rymden is opgetrokken uit de resten van E.S.T en Bugge Wesseltofts new conception’s of jazz. In potentie een supergroep, maar daar was op het eerste album nog niet zo veel van te merken vond ik. Tot mijn grote verrassing is er dan nu deze single, als voorbode van het nieuwe album Spacesailors dat in september verschijnt. Dit is wat ze er zelf van zeggen: “This is the sound of three jazztronauts, co-ordinates set, and ignition-ready. RYMDEN keep re-evaluating and reinventing their approaches to the piano trio format, and here we find them swinging in unexpected time signatures, firing a trail of dub sparks, evoking jazz trios of the past in a post-electronic universe, and always staying true to their own trajectory.” Precies, dat hoor je direct, jazztronauts.
Tom Misch en Yussef Dayes kropen eens lekker dicht bij elkaar en leverden een album af in het centrum van jazz, pop, R&B en hiphop. Zoet en strak, vrij en vast, altijd glad schurend en puur handwerk. Kyiv namen ze op met Rocco Palladino en dankzij dit filmpje zie je wat voor rasmuzikanten het zijn. Het is hopelijk weer snel ook echt live te zien.
Delvon Lamarr’s Inner City Blues. Die doe je in de car. Met de windows omlaag. Armpje er uit en starten maar, in de D van Drive. Vooruit met die goat, gassen op rechts en tappen on the left. Dat is in het short waarom ze in Amerika vrijwel alleen nog maar automaatjes hebben. Omdat Delvon Lamarr daar is, you know en je een vrije linker foot nodig hebt. That’s why.
En ter afsluiting: de Verrassende Twintig in een open Spotify Playlist

Plaatjes draaien in tijden van Spotify; van boom naar rizoom

Leestijd: 7 minuten

Minder dan een jaar zit ik nu op Spotify en het heeft mijn muziekbeleving volledig veranderd. Tegenwoordig stream ik, en ik play lists. Dat was vroeger wel anders. Toen moest je een LP opzetten en hem omdraaien, de plaat afstoffen en af en toe een naald vervangen. Een kleine muziekgeschiedenis, van boom naar rizoom.

Tientallen jaren lang was een plaatje opzetten het eerste wat ik in het weekend deed. Daarna koffiezetten en ontbijten, met de krant erbij. Eerlijk gezegd gaat dat nog steeds zo. Alleen zet ik niet meer letterlijk een plaatje op. Ik swipe door wat schermpjes en klik dan ergens op, waarna het huis zich vult met de muziek die ik net heb gekozen uit de schier oneindige database van Spotify. Het is een wonder.

LP

Toch noem ik het nog steeds plaatjes draaien, net zoals ik goede muziek nog steeds een ‘geweldige plaat’ of een ‘prachtig album’ noem. Dat is het mooie van taal: soms houden woorden de betekenis die ze hadden, terwijl de fysieke handeling die erachter ligt allang is verdwenen. We hebben geen paard meer nodig om de teugels te laten vieren, noch een stuur om het over te dragen of een plaat om muziek te luisteren. Over honderd jaar zal het een quizvraag op TV zijn. “Vingers bij de knoppen: waar komt de term plaatjes draaien vandaan?”

Mijn eerste plaat was ‘Arrival’ van ABBA, uit 1976. Ik was elf en had er hard voor gespaard. Eerder maanden dan weken. Toen ik het geld bij elkaar had, ben ik in mijn eentje op de fiets gestapt naar Siebrechts muziekwinkel, aan de andere kant van het dorp. Daar zag de uitbater eruit als een mollige versie van Simon van Collem. Vervolgens voorzichtig teruggefietst naar huis, met de LP in een plastic tas, fladderend langs het stuur.

Eenmaal thuis ging ik gelijk op zoek naar Pa, om mijn aanwinst te tonen. Hij zat bij buurman Paul. Trots liep ik daar naar binnen met mijn nieuwe schat, waar ik vrijwel direct enorme spijt van had. Buurman Paul reageerde als eerste en vroeg of hij de plaat mocht zien. Nog voor ik het door had griste hij de tas uit mijn vingers, was de plaat al uit zijn hoes en schudde hij hem tussen beide handen in, ritmisch omhoog en omlaag. Ondertussen zong hij ‘op een kangoeroe eiland’; als je het geluid hoort weet je precies welke beweging hij maakte en welke doodsangst voor mijn nieuwe plaat ik heb uitgestaan.

Het kangaroe eiland van het cocktail trio; je hoort de LP ploppen 🙂

Cassette en CD

Met de LP zelf liep het die dag overigens nog best goed af, maar niet voor heel lang. Al snel kwam ik erachter dat er ook muziek bestond als Deep Purple en Status Quo en daar paste Arrival echt niet tussen. Weg dus, met dat ding. Toen in 1978 ‘Van Halen I’ uitkwam was het helemaal gedaan met de doorsnee popmuziek. Op de radio bij Alfred Lagarde’s Betonuur en Hanneke Kappen’s Stampei, daar hoorde je het echte werk. Twee keer per week zat ik klaar met mijn cassetterecorder, vingers bij de knoppen. Zo nam ik hele tapejes op met muziek van verschillende artiesten.

Terugkijkend waren dat eigenlijk mijn eerste afspeellijsten, maar zo voelde het toen nog niet. Ik ben sowieso nooit zo dol geweest op cassettebandjes, hooguit voor in de auto. De krengen liepen altijd in de soep en gaven een steeds slechter geluid. Het is ook tekenend dat een ‘cassette opzetten’ of ‘een bandje draaien’ nooit dezelfde betekenis van muziek luisteren heeft gekregen als plaatjes draaien. In die zin was een cassette vooral een opgenomen LP. Behalve dan misschien in de Guardians of the Galaxy, maar da’s vooral nostalgie. Die trouwens ook gewoon op Spotify staat.

Toen de CD kwam, midden jaren ’80, veranderde er eigenlijk niet zo heel veel aan het plaatjes draaien. Ze waren handzamer, makkelijker op te bergen en namen minder ruimte in. Maar het bleef een rondje met een gat erin, waar je een apparaat voor nodig had om de muziek erop te beluisteren. En als ie klaar was, moest je een nieuwe opzetten. Of repeaten, dat kon natuurlijk ook.

De boom van de verzamelaar

De CD-verzamelaar ondertussen vertoonde hetzelfde gedrag als de boekenverzamelaar. In een speciale kast moet alles op de juiste volgorde worden gezet. Meestal alfabetisch binnen een genre. De verzameling ontwikkelt zich dan verder via het patroon van een boom. Onder de grond zitten de wortels, de basis van de muzieksmaak. Ook al draai je die nauwelijks tot niet, je kunt er toch niet zonder. In die zin zijn het echt de wortels: je hebt ze wel nodig, maar je hoeft ze niet te zien. Denk aan muziek van bijvoorbeeld Led Zeppelin, Pink Floyd en Deep Purple. Die zit in mijn wortels.

De boom van de muziekverzamelaar. Tekening van Wendy Kiel

Bovengronds staat de stam, waar de kern van de verzameling zich bevindt. In mijn geval waren dat toen bandjes als Kyuss en Tool. Uit de stam vertakken zich dan de specialisaties, met genres en sub-genres. Zo ontstonden er bijvoorbeeld speciaaltjes met metaalwaren (Fear Factory, Sepultura), grunge (Soundgarden, Melvins) en symfonisch (Iron Maiden, Dream Theater). Alternative, niet te vergeten (Primus, Faith no More).

Kenmerkend voor de echte boom-verzamelaar: de neiging om compleet te zijn. Alles willen hebben, van obscure persingen tot zuivere duitenkloppers; verzamelaars met allemaal bekende nummers en één nieuwe ‘from the vaults.’

Uiteindelijk fragmenteert elk subgenre in steeds vreemdere plaatjes die zich als eenlingen ontvouwen gelijk de blaadjes in het loof. Niet zelden zitten daar ook de miskopen tussen (Brujeria, om er maar eens eentje te noemen). Bij het snoeien gaan die er als eerste aan. Ruimte maken voor nieuw en vers. Op de top van mijn verzameling bestond de boom uit meer dan 1300 ceedeetjes, die door mijn toen studerende nichtje altijd met enig leedvermaak werd bezien als de gekke hobby van haar oom.

Naast deze rock-boom heb ik ook nog een jazz-boom. Grappig genoeg groeit die andersom. De nieuwe plaatjes zitten in de wortels (Eric Truffaz, Nils Petter Molvaer, ik draai het nooit meer). De stam bestaat uit de Brad Mehldau’s en E.S.T.’s van deze wereld, die luister ik nog wel regelmatig. Net als de Philadelphia Experiment. En in de kroon zit oud werk van Ahmad Jamal, John Coltrane en Miles Davis. Die zet ik tegenwoordig als eerste op. Maar ook al groeit ie andersom, het is wel een boom. En dat heb ik tot mijn 53e zo gedaan.

Het rizoom van Spotify

Want toen kwam het rizoom van Spotify. Dat ging trouwens niet van de één op de andere dag, er zat nog een interbellumpje tussen met MP3’tjes. Die gebruikte ik vooral in de auto, als ware het een handig cassettebandje. Ondertussen luisterde ik via mijn computer ook steeds meer losse nummers random uit een grote bak. Precies wat Spotify in de kern ook is. Een hele grote bak muziek met 30 miljoen liedjes. Waar je betekenis aan geeft door het te organiseren via playlists.

Mijn Americana without Borders playlist; Via Spotify kan je hem compleet vinden.

Toen ik net op Spotify zat heb ik avonden besteed om mijn oude bomen weer in te richten. Keurig alles weer onder het kopje ‘albums’ ondergebracht. Maar al gauw bleek dat zo niet te werken. Voor ik het door had zat ik liedjes te rijgen in nieuwe playlists. Van alles door elkaar; oud en nieuw, bandjes en solisten, rock en jazz. Gebaseerd op één connectie tussen jou en die liedjes. Geen boom, maar een rizoom. Het is wat Deleuze het principe van connectiviteit en heterogeniteit noemt: Any point of a rhizome can be connected to anything other, and must be.

De betekenis van een lijst evolueert vanzelf als het zich in de tijd verder ontwikkelt. Dat is een tweede kenmerk van rizomen: multipliciteit. “A multiplicity has neither subject nor object, only determinations, magnitudes and dimensions that cannot increase in number without changing the multiplicity in nature.” Zo was ik ooit met een playlist ‘Americana’ begonnen, die al snel werd aangevuld met tips van Spotify. Dus stond er opeens ‘Get thy bearings’ van Donovan tussen. En even later ‘Saturday Sun’ van Nick Drake. Waarop de playlist eerst tot ‘Mostly Americana’ werd omgedoopt en later ‘Americana without borders.’

Soms wordt een playlist zo groot, dat ie niet meer het gevoel oplevert wat je er ooit mee bedoeld had of dat je bepaalde liedjes opeens te weinig hoort. Dan kan je volgens het principe van de onsignificante scheuring je playlist gewoon uit elkaar trekken. “A rhizome may be broken, shattered at a given spot, but it will start up again on one of its old lines or on new lines”. Zo heb ik uit de Americana playlist een nieuwe lijst ‘Groot zand’ afgesplitst, met liedjes van onder andere Howe Gelb en Calexico.

The map is not the territory

Nog een kenmerk van een rizoom. “The rhizome is altogether different, a map and a tracing. The map is open and connectable in all of its dimensions; it is detachable, reversible. Susceptible to constant modification.” Elke maandag en vrijdag komt Spotify met nieuwe aanbevelingen, gebaseerd op hoe je rizomen er op dat moment bijstaan. Dat levert soms grote verrassingen op, soms ook zit het er volledig naast. Maar ergens ligt er dan toch een connectie volgens het algoritme, in een dimensie die je zelf (nog) niet ziet. Neveneffect: je kunt nooit compleet zijn, er past altijd wel iets bij. Alles willen hebben moet je gewoon loslaten.

Get thy Bearings van Donovan

Ook de family playlist kan bijzondere invullingen krijgen: zo bleek ik opeens allerlei liedjes van Alicia Keys bij te dragen aan de familielijst. Dat is het principe van de decalcomania: forming through continuous negotiation with its context, constantly adapting by experimentation, thus performing a non-symmetrical active resistance against rigid organization and restriction. Je rizoom verandert door de context waar hij in groeit, net zoals de context verandert door het rizoom. Dat u het maar weet, niks gebeurt in isolatie.

Een van de belangrijkste kenmerken van een rizoom is dat het meerdere ingangen kent. Er zijn alleen lagen, er is geen begin en geen einde. Ook dat zie je in Spotify terug, op verschillende manieren zelfs. Als een playlist afgelopen is, gaat ie vanzelf door met er aan gelieerde muziek: nummerradio dan wel artiestenradio. Zet een grote playlist op shuffle, en het ding speelt nooit dezelfde volgorde van liedjes. Daarnaast kun je van een album een playlist maken, en die kan je dan weer in een mapje stoppen. Een beetje op z’n booms, eigenlijk, maar dan via de wetten van het rizoom: the map is not the territory.

Inmiddels is me duidelijk geworden dat sommige albums zo goed zijn, dat het een playlist op zichzelf is. Zoals ‘Dream River’ van Bill Callahan, ‘Antiphon’ van Alfa Mist of ‘Desolation Blues’ van Chris Whitley. (Ja, de muzieksmaak is inderdaad nogal veranderd de afgelopen jaren). Die staan nog steeds onder het kopje ‘albums.’

Van de rest heb ik de beste nummers overgenomen in een playlist en het album zelf verwijderd. Uit mijn eigen mapjes, althans. Want in de territory, de bak van Spotify, daar staan ze gewoon nog in. Wie weet kom ik ze weer eens tegen, als ik een playlist ben begonnen waar ze inpassen. Want dat is plaatjes draaien in tijden van Spotify. Continu veranderende playlists, met af en toe een geweldig album; muziek luisteren in een rizoom.

Stagger Lee zal nooit meer sterven zolang de blues blijft leven

Leestijd: 4 minuten

Stagger Lee is een mythische figuur uit de bluesmuziek, die in een ontelbaar aantal nummers is terug te vinden. Heeft hij echt bestaan, of is het slechts een urban legend, oral history? En wat zijn eigenlijk de beste stekkerliedjes?

Stagger Lee shot Billy

St. Louis 1895, Kerstavond. Het is druk in Bill Curtis Saloon, een beruchte kroeg aan de Morgan Street. Henry Crump en Bill Lyons zitten samen aan de bar te kletsen als Lee Shelton binnenkomt, ook wel bekend als Stack Lee of Stagger Lee. Stagger Lee is een pooier en bekend in het criminele circuit. Hij is lid van een bende die zich The Macks noemen. De leden daarvan kleden zich graag extravagant, met dure schoenen, fluwelen pakken en opvallende hoeden. Cecil Brown, die een schitterend boek schreef over het verhaal van Stagger Lee, omschrijft het als volgt: The Macks were not just “urban strollers”; they presented themselves as objects to be observed.

Stack O’Lee killed Billy in een strip van Timothy Lane

‘Who’s treatin’, vraagt Stagolee als hij binnenkomt. De bezoekers wijzen naar Lyons en Lee loopt op hem af. De twee kennen elkaar wel uit het wereldje, hoe bevriend ze echt waren is nooit duidelijk geworden. Die avond kunnen ze het echter prima met elkaar vinden, tot de discussie op politiek terecht komt.

Dan ontstaat er ruzie. Stagger Lee slaat de hoed van het hoofd van Lyons, die als wraak diens witte Stetson kaapt. Lee waarschuwt dat Lyons van zijn hoed moet afblijven en hem terug moet geven, maar Lyons is kwaad en weigert dat. Daarop pakt Stagger Lee zijn pistool en schiet Lyons dood. Lee pakt daarna doodleuk zijn hoed, zet hem recht en loopt de saloon uit.

Don’t mess with a men’s hat.

Het originele death certificate van Billy Lyons.

Oral History

Deze gebeurtenis is de basis van een song die meer dan 400 uitvoeringen kent. “The origins of the Stagolee legend coincide with the origins of the blues in the 1890s”, schrijft Cecil Brown in zijn boek ‘Stagolee shot Billy.’ Stagolee is volgens hem een metafoor voor de manier waarop afro americans zich zouden moeten gedragen. Niet per se als gangster, maar wel als iemand die niet met zich laat spotten. Het is een rolmodel dat zich door de jaren heen steeds weer aan de tijd aanpast, waardoor het originele verhaal inmiddels vele, steeds weer nieuwe, vormen kent. Het is onsterfelijk geworden, net als Afro Blue.

Ik was al bekend met de uitvoering van Nick Cave, maar had er verder niet bij stilgestaan dat er misschien nog een heel ander verhaal achter zou zitten. Ik besefte me dat pas toen ik onlangs tegen het onvolprezen album ‘Dislocation Blues’ van Chris Whitley aanliep. Dat begint gelijk met een stomende uitvoering van Stagger Lee.

‘Wat een vreemde cover’, dacht ik eerst nog, ‘zo klinkt Cave helemaal niet. Laat ik dat eens even checken’. Waarop ik Stagger Lee intikte bij Spotify. Dat leverde een hele rits nummers op, waardoor ik gelijk wist dat hier wat anders achter moest zitten. Een urban legend, of iets met oral history of zo. Het blijkt een combinatie van beide. Ik heb tijdens mijn zoektocht naar Stagger Lee vele mooie uitvoeringen gehoord, maar de acht meest interessante heb ik voor dit blog bewaard: de Stekkerliedjes.

Acht stekkerliedjes

Mississippi John Hurt schreef in 1928 één van de eerste uitvoeringen die grote bekendheid kreeg. Het is een klassiek voorbeeld van de oral history die oude blues vaak is.
Wilson Pickett haalde in 1967 de 22e plek op de US pop charts. De blues was er toen wel een beetje van af. Rock ‘n roll, zou je het nu noemen.
Samuel L. Jackson nam voor de film Black Snake Moan een enthousiaste electric boogie op. Mannish Boy en Boom Boom zijn nooit ver weg.
Curtis Mayfield, u weet wel, die van Superfly, maakte een hele coole uitvoering onder de titel Billy Jack. Met zijn eigen tekst: One sided duel, gun and a fool
What a way to go
London Calling, die kent iedereen wel van de Clash. Maar ook zij deden een stekkerliedje: Wrong ‘Em Boyo
Stack shot Billy is de interpretatie van The Black Keys. En wat voor één. Kale electric blues, waar de tekst perfect bij de muziek past. Een van mijn favoriete stekkerliedjes. De op twee na, om precies te zijn.
Nick Cave is altijd al niveau extraordinaire, dus ook met Stagger Lee. Hij maakte het nog een ruiger verhaal dan het al was, op het album Murderballads. Tegen de Guardian zei hij daarover: “I like the way the simple, almost naive traditional murder ballad has gradually become a vehicle that can happily accommodate the most twisted acts of deranged machismo. Just like Stag Lee himself, there seems to be no limits to how evil this song can become.”
Het beste stekkerliedje is van Chris Whitley en Jeff Lang. Het is hypnotiserende muziek, een 7,5 minuut durende folk voodoo blues die precies past bij wat er die avond in 1895 gebeurde.
Dit is de volledige lijst van stekkerliedjes op Spotify die ik voor dit blog heb afgeluisterd. Met onder andere ook nog verrassende uitvoeringen van Neil Diamond, Ike & Tina Turner, Dr John en Josh Ritter.

De beste muziek van 2019

Leestijd: 6 minuten
8 december 2019

Het is weer tijd voor jaarlijstjes, tijd voor de beste muziek van 2019. Volgens Rizoomes dan. Tien toppers op een rijtje

Elk pad ontstaat door er over te lopen. Met die gedachte in mijn achterhoofd startte ik vorig jaar een traditie, zo dacht ik, om elk jaar de beste muziek van het afgelopen jaar in een lijstje te zetten. Mijn eigen jaarlijstje, een jeugddroom. Is het niet in de Oor, dan in ieder geval op mijn eigen website. Het hoeft immers niet alleen over crisis te gaan in het leven.

Maar dat was vorig jaar, 2018, toen ik nog niet op Spotify zat. Toen de wereld nog overzichtelijk geordend was in albums. Toen het fenomeen playlist mij nog niet bereikt had. Toen TOOL alleen nog maar op fysieke geluidsdragers verkrijgbaar was en al ruim twaalf jaar geen nieuw werk had uitgebracht.

Hoe anders ziet die wereld er nu uit. TOOL zit op Spotify. Ik zit op Spotify. En ik play meer lists dan albums. Wat dat gaat betekenen voor mijn nieuwe traditie zullen we volgend jaar zien, als ik een heel jaar Spotify achter de rug heb. Maar dat er iets zal veranderen is duidelijk. In 2018 vond ik met gemak 18 beste albums. Dit jaar kwam ik niet verder dan tien. Maar die zijn dan wel weer allemaal heel erg goed. In ieder geval negen ervan. Kijk en luister maar mee.

Fear Inoculum – TOOL

Dertien jaar lang liet TOOL ons wachten op hun nieuwste album. Dertien jaar. Dan verwacht je iets heel bijzonders en dat kregen we ook. Fear Inoculum is een geweldige plaat. Zeven nieuwe nummers, waarvan er zes boven de tien minuten klokken. 7empest doet zelfs ruim een kwartier. Het herkenbare TOOL-stramien is hier opnieuw verder opgerekt: de ritmes zijn nog onnavolgbaarder, de bas soleert meer dan ooit en de gitaarlijnen slingerden nimmer zo veel kanten tegelijk op. En Maynard James Keen zingt weer net zo strak als dertien jaar geleden. Toch wringt er iets. Hoe mooi het allemaal ook klinkt, echt verrassend is het niet. Niet zo verrassend als Lateralus was in 2001. Dat kan maar één ding betekenen: TOOL is af. Niets meer aan doen en weer dertien jaar wachten.

Black Pumas – Black Pumas

Soms gaat het snel. Op het ene moment doe je een telefonische auditie bij Adrian Quesada die op zoek is naar een zanger voor zijn nieuwe muziek, en even later ben je een psychedelisch funk seventies Motown hiphop duo onder de naam Black Pumas. Hun debuut is overdonderend vertrouwd. Oude sound in een nieuwe jas, denk je. Je hoort Marvin Gaye, Bill Withers, Charles Bradley. Maar toch ook weer niet: elke keer dat een nummer klinkt of je hem al jaren kent, blijkt dat helemaal niet zo te zijn. De Black Pumas zijn gewoon de Black Pumas, de albumtitel zei het eigenlijk al. Maar altijd goed om ff te checken of het waar is wat ze je laten horen in het kader van #fakemusic.

South of Reality – The Claypool Lennon Delirium

Nooit vroeg ik me bij enig liedje af of The Beatles zo geklonken zouden hebben, hadden ze nog bestaan. Totdat ik het nummer Blood and Rockets, hoorde van The Claypool Lennon Delirium. Zouden The Beatles zo geklonken kunnen hebben, zo vroeg ik mij toen opeens af. Het antwoord daarop is ja en nee. Ja, want Sean Lennon doet mee en het moet al heel gek lopen als hij ook niet wat Johnnerigs in kan brengen. Al maakt hij van Amethyst Realm vooral een Pink Floyd nummer.

Nee, want Les Claypool doet mee en alles waar Claypool aan mee doet klinkt als Claypool. Dat kan dus nooit op The Beatles lijken. Precies daarom mislukte ook zijn auditie bij Metallica. Die wilden helemaal niet als Claypool klinken.  Maar deze mindmeld van Claypool en Lennon is echt veel meer dan The Beatles meets Primus, het is een fenomeen op zich. Beamus! Pritles! Dat dus.

New Ways – Leif Vollebekk

Vollebekk levert met ‘New Ways’ zijn vierde en tot nu toe beste plaat af. Ik ontdekte hem via ‘Big Sky Country’, dat ik eerst abusievelijk aanzag voor een cover van Chris Withley. Terwijl het toch totaal anders klinkt, maar zo werkt tunnelvisie nu eenmaal. Vollebekk heeft een melancholieke stem met een klein gruizig randje. Precies hoe zijn liedjes klinken. Dat begint al bij de opener ‘The Way that You Feel.’ ‘Never be Back’ is een curieus rap experiment en ‘Hot Tears’ is de single. De klapper is het vierde nummer. Transatlantic Flight vind ik het beste liedje van 2019. Die heb ik dan ook hoog op mijn Top2000 en Snob2000 lijstjes gezet. Benieuwd of ik daar dit jaar nog iets van terug zal zien, waarschijnlijk niet. Daarom hier alvast de oproep voor volgend jaar: zet Transatlantic Flight op uw lijstjes voor 2020. Laat Leif niet met zijn Vollebekk vol tanden staan. (Of is die te makkelijk?)

Stay Around – JJ Cale

Van de doden niets dan goeds, dat moeten de vrouw en de manager van JJ Cale gedacht hebben toen ze ‘Stay Around’ uitbrachten. De beste man had immers al meer dan zes jaar geleden het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld en dan komt zo’n nieuwe plaat toch een beetje uit de hemel vallen. En ja, nieuw, voor ons liefhebbers wel. Wij wisten immers niet dat deze vijftien nummers ooit opgenomen waren. Maar nu wel en kunnen we ze ook horen. Gelukkig zit er niets verrassends bij. Het is net-als-altijd-JJ-Cale-Americana, in het niemandsland tussen country en jazz. Nieuwe zieltjes zal hij er niet mee winnen, maar dat kon Cale al niet schelen toen hij nog onder de levenden was. Gewoon een plaat to Stay Around. Weggaan kan altijd nog.

Activate Infinity – The Bad Plus

Met ‘Avail’ valt The Bad Plus nogal met de deur in huis, maar op het tweede nummer ‘Slow Reactors’ wordt alles weer even strakgetrokken. Dan besef je dat er ook in jazzmuziek oorwurmen bestaan, van die liedjes die je niet meer uit je hoofd krijgt. De nieuwe pianist Orrin Evans klingelt een heerlijk simpel melodietje, waarop bassist Reid Anderson en drummer Dave King lekker doorgroven. Het is het basisrecept voor dit hele album. Geen covers van popmuziek dit keer, zoals nog wel op vorige platen als ‘It’s Hard’ en ‘These are the Vistas’. Evengoed wel een prachtige jazzplaat tegen de rock aan. Helemaal not so Bad Dus.

Marc Copland – And I love her

Marc Copland begon zijn muzikale carrière ooit als alto saxofonist, maar is gelukkig voor ons overgestapt op de piano. Want wat maakt deze man een mooie muziek, zeg. In tegenstelling tot de Bad Plus, dat tegen rock aan zit, is ‘And I love her’ wel heel echte jazz. Met echte jazz bedoel ik natuurlijk niet van die bitterballen bigband herrie van je opa, of van die VVDemocratische dixieland. Ik heb het hier over een pianotrio dat improviseert op bestaande liedjes en daar op haast telepathische wijze nieuwe nummers van maakt. Microfoontje erbij, jammen en klaar. Het album begint met een schitterende uitvoering van Afro Blue, gaat swingend door naar Cantaloupe Island en komt dan vijf nummers later terecht bij ‘And I love her.’ Inderdaad, die van The Beatles, but not as we know it Captain. Probeer het eens, zou ik zeggen. Het staat gewoon op Spotify. Gratis bij de rest van je abonnement.

Esbjorn Svensson Trio – Live in Gothenburg

Vorig jaar schreef ik over een nieuwe CD met oude live opnamen van Esbjorn Svensson Trio. “Esbjorn Svensson was een groot talent uit de Europese jazz die tien jaar geleden door een duikongeval om het leven kwam. Dit jaar kwam voor mij onverwachts een nieuw album uit van zijn pianotrio e.s.t., ‘Live in London’. Met alle bekende nummers, zo goed gespeeld dat je spontaan heimwee krijgt naar 2008.” En het feest is nog niet afgelopen. Nu is er alweer een nieuw oud album, ‘Live in Gothenburg.’ Door Svensson altijd genoemd als zijn beste concert en dat hoor je: wat een topplaat.

Mon Chien Stupide – Brad Mehldau

Negen uur heb ik in 2019 naar Brad Mehldau geluisterd, volgens Spotify. Daarmee stond ie op nummer één, voor Nick Cave en Van Morrison. Die brachten dit jaar niks bijzonders uit, maar Mehldau wel: de filmmuziek bij ‘Mon Chien Stupide.’ Met prachtige uitvoeringen van ‘And I love her’ (jawel) en Paranoid Android. Overigens ook een hoop niemendalletjes, typisch filmmuziek. Dat is dus precies wat er verandert door Spotify. Op CD had ik het niet gekocht, maar nu heb ik alle nummers die boven de vier minuten klokten in mijn openbare playlist ‘So this is Jazz’ gezet. Daar glinsteren ze nu tussen 228 andere juweeltjes.

TaxiWars – Artificial Horizon

We moeten het hebben over TaxiWars. Uit België. Ergens in 2018 liep ik tegen hun tweede plaat aan, Fever. Die kwam uit 2016 en paste zodoende niet in het lijstje van vorig jaar. Anders had ie er zeker in gestaan. Dit jaar was daar opeens de derde plaat, ‘Artificial Horizon’, en die is zo mogelijk nog beter. TaxiWars is namelijk de ontbrekende schakel tussen jazz en rock. Alleen is het geen fossiel, maar een afstammeling. Dit is muziek die volledig op zichzelf staat, een eigen genre vormt, en toch nooit had kunnen bestaan zonder de voorouders. Dit is de hoop dat de mens nog steeds evolueert en zich kan verbeteren. Dit is de nieuwste incarnatie van Tom Barman, ooit van dEUS. Dit is de beste plaat van 2019. Follow that car.

De beste muziek van 2018

Leestijd: 6 minuten

Al het goede kwam in drieën

Wat was dit een goed muziek jaar, zeg. Er waren zo veel plaatjes die een enthousiaste reactie bij me op riepen dat ik de grootste moeite had om er een Top Tien uit te selecteren. Dat heb ik dan ook niet gedaan: ik heb er een Top 18 van gemaakt. Een bottom up Top 18 van 18: 6 categorieën van drie plaatjes die opmerkelijk goed bij elkaar pasten.

De beste 18 van 18 kwamen in rotten van drie

Het gaat helemaal vanzelf, je doet er niks aan. Ieder met een linkje naar een liedje. Makkelijker kan ik het niet maken. Kijk maar.

Tributes aan anderen of jezelf

José James kwam dit jaar met een prachtige tribute aan Bill Withers. Daarop staan tedere interpretaties van hits als ‘Ain’t no sunshine’ en ‘Just the Two of Us’. Dat José goed kon zingen wisten we al, nu horen we dat hij ook goed kan arrangeren: gloedvolle soul met een jazzy feel. Je kan er gerust op leunen.

Willie Nelson besloot op zijn oude dag een ode te maken aan zijn vriend Frank Sinatra en zette elf van diens klassiekers op het album ‘My Way.’ Met big band en strijkers, maar zonder de bombast van de originelen. Daarvoor in de plaats de ingetogen stem van Willie, die het tot een zeer subtiel en genietbaar album maken.

Paul Simon maakte als enige een tribute aan zichzelf. ‘In the Blue Light’ bevat tien nieuwe uitvoeringen van songs uit zijn oeuvre die volgens Paul te weinig aandacht kregen. Daarvoor kreeg hij medewerking van kanonnen uit de jazz, zoals gitarist Bill Frisell en trompettist Wynton Marsalis. Het resultaat doet zich afvragen waarom hij het niet eerder deed. Prachtige plaat.

Oude mannen met nieuwe muziek

Bozz Scags was ik volledig uit het oor verloren sinds zijn hit ‘Lido Shuffle’ uit 1976. Lang geleden dus. Groot was mijn verrassing dan ook toen hij opeens met deze jazzy bluesplaat aan kwam zetten. Met eigen werk en een paar covers, waaronder een prachtige uitvoering van ‘On the Beach.’ U weet wel, van Neil Young.

John Hiatt is op ‘The Eclipse Sessions’ meer Hiatt dan ooit. Nimmer klonken zijn rauwe nummers zo rauw en zijn ingetogen songs zo ingetogen. Als je Hiatt’s muziek opzet weet je wat je krijgt, maar nog nooit zo veel als nu. Misschien wel zijn beste plaat.

Van Morrison moet haast wel denken dat zijn tijd er bijna op zit. In een razend tempo levert hij platen af, de één nog beter dan de ander. ‘The Prophet Speaks’ is zelfs zijn tweede album van 2018. Merendeels met covers die hij naar zijn eigen hand zet, en deze keer drie nieuwe liedjes erbij van hem zelf. Die naadloos inpassen tussen de rest.

Nieuwe hoop in oude muziek

Jonathan Jeremiah leverde met ‘Good Day’ zijn vierde plaat af, maar voor mij is het de eerste. En gelijk de beste: een prachtig soulvol album met een geweldige retro feeling. Alsof de tijd heeft stil gestaan.

Jamison Ross maakte met ‘All for One’ de beste plaat die Terence Trent Darby nooit gemaakt heeft. New Orleans blues – soul – jazz in optima forma, met Jamison zowel aan de vocals als op de drums. Lekker hoor.

De laatste nieuwe hoop hoorde ik het eerst op Radio 2 en is van de The Marcus King Band. Met ‘Carolina Confessions’ levert de pas 22 jarige King een geweldige plaat op, bluesy soul met toeters en een orgeltje. En wat een strot. Nu al. Moge hij de club van 27 ruimschoots passeren.

Jazz uit Europa

Esbjorn Svensson was een groot talent uit de Europese jazz die tien jaar geleden door een duikongeval om het leven kwam. Dit jaar kwam voor mij onverwachts een nieuw album uit van zijn pianotrio e.s.t., ‘Live in London’. Met alle bekende nummers, zo goed gespeeld dat je spontaan heimwee krijgt naar 2008.

Mansur Brown is een beest van een gitarist uit de London jazz scene die op diverse platen van collega’s speelde, zoals Black Focus van Yussef Kamaal. Nu debuteert hij met Shiroi, hip hop georiënteerde fusion waar Prince volgens mij nooit ver weg is. Ook al wordt er niet gezongen.

Nik Bartsch timmert al vanaf 2001 aan de weg met een minimalistische vorm van muziek die hij zelf Zen Funk noemt. Awase is zijn nieuwste plaat en betekent ‘samen bewegen’. Dat doe ik dan vanuit de luie stoel, met de rechter voet ritmisch op de vloer. Rustig aan, want het kortste nummer klokt 8 minuten en het langste 18. Voor Awase hebbe men geen haast.

Blues muziek

Cedric Burnside is de kleinzoon van R.L. Burnside die met Benton County Relic zijn eerste solo album op de markt brengt. Slechts begeleid door een drummer knalt hij de ene rauwe bluesbom na de ander voor je voeten, zodat je na 46 minuten blij bent dat het voorbij is. Even bijkomen voor de volgende aanval

Buddy Guy is inmiddels al weer 82 jaar oud en maakt nog steeds nieuwe plaatjes. ‘The Blues is (dus) Alive and Well’ en Buddy viert dat met gastoptredens van Jeff Beck, Keith Richard en Mick Jagger. Niet dat hij die echt nodig had om één van de beste bluesplaten uit 2018 te maken. Laat Shady Pines nog maar even op hem wachten.

Walter Wolfman Washington doet het op zijn 74e wel wat rustiger aan en kwam met ‘My Future is My Past’. Tien pareltjes voor in de lounge, smooth met een glaasje whisky die de oude Walter al in het eerste nummer ‘Lost Mind’ voor je inschenkt. Op voor je het weet.

NOLA Jazz

Van Angel Sucheras weet ik helemaal niets dan dat hij piano speelt en een album afleverde met de titel ‘New Orleans Spirits’. En dat zit er dan ook meer dan voldoende in. Swingende NOLA Jazz met hier en daar wat zang. Een plaatje om vrolijk van te worden.

Over Delvon Lamarr Organ Trio is gelukkig wel meer te vertellen. ‘Close but no Cigar’ is dampende orgelswing met knisperend gitaarwerk dat zelfs je familiefeest tot een eh nou ja feest maakt. Oorspronkelijk uit 2016 en in eigen beheer uitgebracht, nu gelukkig via een major label ook voor u en mij beschikbaar. Opletten bij gebruik in de auto, dat wel.

John Medeski komt helemaal niet uit New Orleans, maar uit Medeski, Martin en Wood. Voor Mad Skillet maakte hij echter een uitzondering en haalde hij zijn bandje uit The Big Easy, inclusief een souzafoon voor de bas. Het resultaat is verdorie heuse echte NOLA Jazz. Met hier en daar wat schurends, omdat ie anders niet meer terug mag naar Martin en Wood. En dat zou ook zonde zijn.

Van 2019 is ook een jaarlijst. Kijk maar eens hier.

Andrew Duhon – False River. Muziekrecensie

Leestijd: 3 minuten

Vanaf welke leeftijd luistert een mens actief naar muziek? Dat je weet wat je hoort, wie er speelt en je zou kunnen spreken van een eerste favoriet, dat je ergens fan van bent. En dan niet bepaald door wat de meest populaire klasgenoten leuk vonden, want dat ging namelijk niet om de muziek maar om wat anders, groepsdynamica.

Daardoor kan ik (gelukkig wel) The Rubettes en ABBA van mijn lijstje schrappen. Wat dan overblijft als mijn eerste favoriet is denk ik Deep Purple. Buurjongen Theo had er een LP van, Deep Purple in Rock, en die mocht ik lenen om op te nemen. Op een cassettebandje, zo’n bruin met oranje BASF-ding, ja ja.

Van Morrison heeft eigenlijk nooit op mijn lijstje gestaan, of eigenlijk niet dat ik wist, terwijl het wel tijdgenoten zijn. Zo dacht ik bijvoorbeeld lange tijd dat Brown Eyed Girl van The Rolling Stones was. Pas bij de CD ‘What’s wrong with this Picture’ raakte ik geïnteresseerd in Van the Man en zijn soulvolle stem. En nog steeds maakt hij fijne platen, zoals ‘Roll with the Punches’ uit 2017 en onlangs nog ‘You’re driving me Crazy.’ Dat is hoe de oude Van Morrison nu klinkt.

Als je wilt weten hoe de nieuwe Van Morrison nu zou klinken, moet je vooral eens gaan luisteren naar False River van Andrew Duhon. Al vanaf de eerste zinnen in het openingsnummer ‘Comin Around’ hoor je dezelfde soul die in de zang van Van Morrison zit. Het doet trouwens ook wel een beetje denken aan Foy Vance, nog zo’n zanger die een geloofwaardige emotie in zijn stem weet te leggen. Luister maar eens naar ‘Make it Rain’. Prachtig.

Op False River staat muziek waar je op weg zweeft, naar oorden ver van hier rondom de Mississippi Delta. Ook niet zo gek, als je weet dat Duhon uit New Orleans komt en de Delta blues de primaire inspiratie was voor deze plaat. Hij mixt verder wat soul en jazz door die blues en noemt zich desondanks een singer songwriter. Ik vind het prima, als het maar lekker klinkt. En dat doet het, het zijn stuk voor stuk geweldige nummers, opgebouwd rondom die steeds weer bijzondere stem van Duhon.

Grofweg verdeelt Duhon zijn teksten over twee onderwerpen: verbroken relaties en zijn omgeving. Die laatste categorie liedjes heeft net iets mijn voorkeur, zoals ‘Street Fair’ en ‘Mississipi be my guide,’ omdat hij daarin elementen van blues en jazz verwerkt die die liedjes net iets spannender maken.

Dat lijkt bij nadere beschouwing niet zo vreemd als het lijkt. Duhon vertelt dat veel van de songs op False River zijn ontstaan samen met de band.

“These new songs came along not just as solo compositions the way I had written in the past, but I allowed what the trio was doing to start musically pushing and musically informing me to write more thoughtful music, basically. Before this record I would have told you the lyrics come first, but in playing with these guys the music came about first that put me in a space the lyrics had to fit into more rigidly. So some of this stuff was a learning curve in trying to write songs that way.”

andrew duhon

Een andere inspiratiebron voor deze muziek was het essay ‘self-reliance’ van Ralph Waldo Emerson uit 1841. Een Amerikaanse klassieker, met quotes als: “To believe your own thought, to believe that what is true for you in your private heart is true for all men, —that is genius” en “Trust thyself: every heart vibrates to that iron string.” De teksten van False River klinken met deze wetenschap dan toch weer net even anders. Niet dat het heel veel uitmaakt. False River is gewoon een prachtig album, gezongen door een man met een geweldige stem die je ook gelooft als je hem niet verstaat.

Sam Baker – Land of Doubt

Leestijd: 3 minuten

stars and crosses

crosses and stars

we meet at the border 

with its beauty and its scars

the sunken city rises in this land of drought

the border is restless in this land of doubt

Er was een tijd dat ik nieuwe CD’s als eerste wilde hebben, eerder dan de recensies in Oor. Bijna elke vrijdagmiddag stond ik in Get Records in de Utrechtse Straat plaatjes te luisteren. Als ik binnenkwam werd er al van afstand gewuifd en ik wist dat de muziek die vervolgens in de winkel gedraaid werd bedoeld was voor mij, als tip of als test.

In maart 2008, deze maand alweer tien jaar geleden, bleek dat Get het niet ging redden. Ik kwam er toen overigens al niet wekelijks meer, maar toch nog vaak genoeg om mijzelf een overvolle cd-kast te bezorgen. Tot groot leedvermaak van mijn nichtje, die elke keer weer keihard stond te lachen om mijn ouderwetse verzamelwoede. Foto’s van mijn kast werden gierend met haar vrienden gedeeld. Ome Ed was niet helemaal van deze tijd meer.

Streamen moet je, als je de ontwikkelingen bij wilt houden, maar dat doe ik niet. En zo loop je dus opeens ongemerkt achter het muziekfront aan en gaat er van alles aan je voorbij. Wat op zichzelf lekker rustig is, maar zo nu en dan loop je wel de echte pareltjes mis.

Zoals de nieuwe plaat van Sam Baker, Land of Doubt. Die verscheen al in juni 2017, maar ik ontdekte hem pas deze maand. En wat is het een prachtplaat, zeg. Al vanaf de eerste gitaartonen uit ‘Summerwind’ wordt je meegenomen naar een desolate woestijn. Je zit op de veranda van je ranch, tot aan de einder is er niets te zien, behalve een Joshua Tree. De zomerwind steekt op, het is wachten tot het regenen gaat, het geluid van blaffende honden in de verte.

the dogs are running hard tonight

black and silver in the wheat

they howl beneath a bent and slivered moon

Het is muziek die melancholiek maakt. Americana pur sang, met in sommige nummers de jazztrompet van Dan Mitchell er overheen, wat het dan opeens een cinematografisch gevoel geeft. Wie ooit dacht dat jazz en americana niet samenging, had het mis.

Land of Doubt is niet de eerste plaat van Sam Baker. Er verschenen al vier albums, waarvan er drie zijn gewijd aan de bomaanslag die hij overleefde in Peru. Daarbij verbrijzelde hij zijn linkerhand en liep hij een hersenbeschadiging op. Hij moest zichzelf opnieuw gitaar leren spelen en zingen. Het geeft zijn muziek iets onverzettelijks mee, het is het geluid van de overlever die niet berust in zijn lot maar ook wel weet dat sommige dingen toch zullen gebeuren.

but honey nothing tells the truth

like the lie

Ik kijk voor mij uit en zie in gedachten de deur van Get Records openzwaaien. Achterin de zaak staat Marcel, hij steekt zijn duim op en wijst naar een plaatje in zijn hand, een Summerwind steekt op en daar klinkt de stem van Sam Baker.

breathing hard like summer wind

waiting for the rains to come

waiting for these dreams to subside

I hear you are still the merchant

the dealer in spoken things

the one who dresses truth in colored lies

Station Nightclub Fire

Leestijd: 3 minuten

Op 20 februari 2003 begon Great White, een Amerikaanse glamrock band, hun concert in de Station Nightclub met het nummer Desert Moon. Net als in de clip hieronder werd er flink met vuur gestunt, te flink. Het podium vloog in brand en in een mum van tijd was de ruimte gevuld met dikke zwarte rook.

Honderd mensen kwamen om het leven, waaronder de gitarist van de band, Ty Longley. In dit combinatieblog vind je een korte omschrijving van de calamiteit, twee youtube filmpjes over de brand en een link naar het onderzoeksrapport van de NIST. Ter afsluiting nog een link naar ‘Face the Day’ met de lyrics. Een toepasselijker nummer dan Desert Moon.

Korte omschrijving incident Station Nightclub Fire

Datum 20 februari 2003
Locatie en type object

The Station Nightclub, Rhode Island, USA

Type incident Brand in een nachtclub ontstaan door vuurwerk
Bijzonderheden
  •  Op 20 februari 2003 zou rockband Great White een concert geven in The Station Nightclub.
  • De pyrotechniek veroorzaakte een brand in het akoestisch isolatiemateriaal dat overal was opgehangen. Het gebruikte buitenvuurwerk mocht niet binnen gebruikt worden.
  • In het begin dacht iedereen dat dat de brand bij de show hoorde, zie ook de foto’s. In 5,5 minuut was de hele ruimte gevuld met vette zwarte rook.
  • Behalve de buitengewone snelheid van brandontwikkeling door een combinatie met hoogst brandbaar materiaal op een podium en onachtzaam gebruik van vuur is ook het gedrag van mensen bij brand goed zichtbaar (zie youtube filmpje).
  • NIST heeft onderzoek gedaan naar de Station Nightclub Fire, een computersimulatie gemaakt en een rapport opgeleverd. Op pagina 12 staan aanbevelingen om nachtclubs veiliger te maken.
  • Uiteindelijk kwamen 100 mensen om en raakten er 230 gewond. Ongeveer 130 mensen kwamen er zonder fysieke klachten vanaf, maar een groot aantal onder hen ontwikkelde PTST.
  • Er zijn jarenlange rechtszaken gevoerd tegen zowel het management van de band als de Nightclub. Uiteindelijk is er voor ongeveer 115 miljoen dollar geschikt.

Foto & Film

Plattegrond van de Station Nightclub Fire

Meer informatie

Rapport NIST

Face the Day

Face the Day is een nummer van Great White (cover van The Angels), die zou optreden in de Station Nightclub

I don’t wanna face the day, the day, today
I don’t wanna face the day, the day, today
Long night leaves me stranded
Black visions, danger signs
No love, need protection
Feels like I’m on production line
Daggers of dawn, cold hearted-day
Why does it have to be morning?
Cover my head, stayin’ in bed
Too late, the luckless warning
I don’t wanna face the day, the day, today
I don’t wanna face the day, the day, today
Outside, screaming city
Red lights and hungry eyes
Sucks like a space invader
The vacuum of its lies
Stealing my strength, stealing my time
It’s raining in a world of traders
I don’t wanna face the day
I don’t wanna face the day
Let me keep on sleeping
Forget that I’m alone
One day of faceless living
Is 24 hours too long!
I don’t wanna face the day
I don’t wanna face the day
I don’t wanna face the day, the day, today
I don’t wanna face the day, the day, today
Give the night, it’s more forgiving
Hold back the light from my eyes
Please stay invisible darkness
Can’t see the tears I cry
I know it’s coming loaded with nothing
Trapped in a tunnel of time
I don’t wanna face the day

Dit blog is onderdeel van the Museum of Accidents. Laatste update is van 23 augustus 2020

© 2020 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑