Wanderings

Tag: Museum

Oog in oog met een oude meester. De graffiti van Gerard Houckgeest

Leestijd: 4 minuten

Wellicht hoorde je nog nooit van Gerard Houckgeest. Maar na dit blog is dat wel anders. Het is gewoon de eerste bij mij bekende graffiti master van Nederland. Uit 1651. Echt wel.

Ik had mezelf beloofd om in mei en juni 2018 eens een flink aantal musea te bezoeken. Met schilderijen. En daarna zou ik er dan een stukje over schrijven. Een essay of zo, over hoe ik oog in oog met de oude meester had gestaan. Dat hij en ik hetzelfde beeld hadden gezien, eeuwen overspannend en dat daarmee een bijzondere connectie was blootgelegd. Vervolgens zou ik diepzinnige gedachten daarover aan dit blog toevertrouwen. Het zag er destijds uit als een goed plan. Gewoon doen maar dan, toch?

Aldus toog ik opgewekt naar het Mauritshuis in Den Haag, het Meisje met de Parel was mijn doel. In de desbetreffende zaal zag het echter zo zwart van de mensen dat ik eerst maar eens verder ging kijken. Ik was er nu toch en voordat ik Vermeer ongestoord in de ogen zou kijken, was het vast al weer een uurtje later. Op verkenning dus, in dat imposante pand naast het Binnenhof.

In een zaal verderop vond ik een schilderij van Gerard Houckgeest. Nog nooit had ik van de beste man gehoord en vele anderen kennelijk ook niet; naast mij en een oude suppoost was er helemaal niemand in de ruimte. Misschien kon ik hier mijn plan ten uitvoer brengen, voor een eerste keer moest ik wellicht ook niet te kieskeurig zijn. Lekker beginnen met een Houckgeestje, om te oefenen. Uitproberen, evalueren, verbeteren. Vermeer kwam dan gewoon een volgende keer aan bod.

Ik keek om te beginnen daarom nog eens goed op het bordje, om mijn situational awareness van het schilderij te optimaliseren. Waar stond ik nou eigenlijk naar te kijken?

Zo te zien stond de graftombe van Willem de Zwijger op het schilderij afgebeeld. Uit 1651. Of zou het in 1651 zijn? Het was in ieder geval oud genoeg, zo oordeelde ik. Aan de slag. Ik deed een stap acheruit om het schilderij eerst eens volledig in mij op te nemen. En daarna zou ik inzoomen, op zoek naar het oog van de meester. En zo geschiedde. Dit was wat ik zag. Kijk vooral zelf even goed.

Het eerste wat me opviel was een soort kindertekening op een giga pilaar. Een kindertekening? Of was het grafitti? In de Middeleeuwen? Verbaasd zoomde ik in. Het was echt gewoon een stokmannetje, een vogelverschrikker.

Houckgeest moet wel een groot gevoel voor humor hebben gehad om zo’n serieus schilderij (een graftombe) te versieren met een stokmannetje. Hier moest ik meer van weten; op naar de suppoost. Die was het nog niet eerder opgevallen en sowieso had nog niemand die vraag ooit gesteld. Hij verwees me naar de informatiebalie in de hal. Daar konden ze me vast verder helpen. Maar ook bij de balie hadden ze er nog nooit van gehoord. Wel wilden ze mijn vraag doorsturen aan een conservator. Ik zou dan vanzelf een antwoord krijgen. Het was het proberen waard.

Een week later had ik inderdaad een mail in de box.

“Via de informatiebalie van het Mauritshuis kwam uw vraag over het schilderij van Gerard Houckgeest bij mij terecht. Hartelijk dank voor uw vraag, het is altijd leuk om te horen dat de schilderijen in de collectie de nieuwsgierigheid prikkelen. Op het schilderij De graftombe van Willem de Zwijger in de Nieuwe Kerk in Delft (inv. 58) zijn inderdaad rode figuurtjes te zien op de voorste pilaar. Dit is een zeventiende-eeuwse weergave van graffiti; iemand heeft met rood krijt op de pilaar getekend, misschien een van de kinderen die in de kerk aanwezig zijn. Onderaan de pilaar staan ook het monogram van de kunstenaar en het jaartal op deze manier op de pilaar geschreven. Er zit dus niet echt een betekenis achter, het is meer een amusante toevoeging van de kunstenaar en wellicht een blijk van de realiteitszin van Houckgeest.”

Amusant was het zeker. “Kwam het vaker voor, dergelijke grafitti”, zo vroeg ik mij af in een reply aan het Mauritshuis.

Weer een week later zat er een nieuw antwoord in de mailbox.

“Dat is een goede vraag. Ik ben het zelf nog niet tegengekomen op deze manier. Wat wel vaker voorkomt is dat een kunstenaar zijn werk op deze manier signeert en/of dateert, dus door het op de pilaar of een ander architecturaal element te schrijven en daardoor te integreren in de compositie. Dit voorbeeld van Houckgeest is wellicht niet uniek, maar ik kan u zo helaas geen andere voorbeelden geven; het is dus in ieder geval niet een veelvoorkomend fenomeen.”

Het is dus geen veelvoorkomend fenomeen, middeleeuwse grafitti op schilderijen. Dat nu net het eerste schilderij wat ik sta te bestuderen wordt gesierd met een stokmannetje vind ik een goede grap, met mijn achteraf wel iets te serieuze plan. Oog in oog met een oude meester, op zoek naar dieperliggende verbanden, wordt ik door hem drie en een halve eeuw later gewezen op de vanzelfsprekendheid van alledag. Een kwestie van goed kijken en het niet moeilijker maken dan het is. Niet alles zo serieus nemen. Af en toe een lolletje trappen: doe eens een practical joke en laat hem een paar eeuwen lopen. Gewoon omdat het kan. Ze wisten het al in 1651. Maar wij zijn het bijna vergeten.

Just Culture in het Museum

Leestijd: 2 minuten

Zomaar een dag in het Boijmans van Beuningen. Ik loop één van de 40 zalen van het museum binnen, waar zich net een klas van een lagere school heeft verzameld. De Juf staat met haar groepje kinderen over een schilderij van Achilles te vertellen, als er opeens een suppoost aankomt. Hij stelt zich midden in het kluitje op en zet zijn handen in de zij, onderwijl rondom omlaag kijkend. “Waren jullie net in zaal 19,” vraagt hij bars. Het valt stil in het zaaltje, de kinderen kijken elkaar onrustig aan, wat zou er aan de hand zijn?

Het verhoor gaat door. “Heeft één van de kinderen soms tegen een werk aangestoten in die zaal?” Hij kijkt vorsend om zich heen, zichtbaar tevreden over de indruk die hij maakt. Ik kijk van een afstandje toe en spits mijn oren. “Ik zou het niet weten,” antwoordt de Juf, die hem recht in de ogen terugblikt. “Jullie?” Ze kijkt vragend het klasje rond, waarin zich inmiddels een behoorlijk ongemak genesteld heeft. Moesten ze al naar zo’n saai museum, hebben ze nu per ongeluk ook nog iets gesloopt misschien. Hoe moest dat aflopen?

“Meester, is er dan iets kapot”, vraagt een meisje, terwijl ze haar vinger in de lucht steekt. De suppoost reageert niet direct, die vraag had hij kennelijk niet verwacht. “Eh dat niet,” aarzelt hij. “Hoe weet u dan dat wij er tegenaan zijn gestoten,” vraagt het meisje door. De kinderen kijken elkaar triomfantelijk aan, dat was een goeie, er was weer hoop. “Jullie moeten gewoon voorzichtig zijn,” zei de suppoost en hij beende weg.

De kinderen kletsen nu dwars door elkaar heen en bewegen als een klein zwermpje rondom de Juf. Ze willen van elkaar weten wie het gedaan heeft en vooral welk kunstwerk dat kind dan had aangestoten, maar de Juf denkt daar anders over. “Hebben we er wat aan als we weten wie het was,” vraagt ze retorisch. “Had niet iedereen van jullie het kunnen doen? Kijk eens hoe druk jullie doen.” Ze pauzeert even, om de woorden goed te laten indalen.

Ik sta bij een Rembrandt verderop net te doen of ik foto’s maak en krijg een grote glimlach op mijn gezicht. Dit was nog eens just culture in een museum. “Beter kunnen we hier van leren en op afstand van de schilderijen blijven, vinden jullie ook niet?” Dat was een goed idee. Het groepje komt opgelucht tot rust en luistert braaf verder naar het verhaal van Achilles, die zo onfortuinlijk in zijn hiel werd geschoten. Het kon altijd slechter aflopen.

Met Escher op Reis in Leeuwarden

Leestijd: 6 minuten

Die dag was ik al vroeg in Leeuwarden, voor negenen om precies te zijn. De ochtendzon streek haar licht zachtjes over de gebouwen en maakte lange schaduwen op de grond. Die zouden allengs korter worden en dan zou het weer net zo warm worden als gisteren, met onweersbuien als afsluiter. Maar nu was het nog rustig.

Ik zat met een croissant en koffie voor het station, en keek recht op twee grote witte hoofden die uit de grond staken. Er hing een mistig wolkje omheen. Had er water uit gespoten, dan had ik gedacht dat het een fontein was. Maar nu wist ik het niet zo zeker. Het maakte de toeristen in ieder geval niet uit wat het was, zij verdrongen zich toch wel voor de beelden om foto’s te maken. Er vormde zich al een rij, inclusief voordringers. Amsterdamse toestanden, daar in de culturele hoofdstad op de vroege ochtend.

De nieuwe fontein van Leeuwarden

Iets verderop, bij een onduidelijk laag muurtje, kwam een groepje Japanners aan, in de voor hen tegenwoordig zo kenmerkende uitdossing van mondkapjes, handschoentjes en doorzichtige poncho’s. Je weet, als je dit soort groepen ziet is er in de buurt altijd iets internationaals te doen.

In dit geval was het de tentoonstelling ‘Escher op reis’ in het Fries Museum. Maar die ging pas om 10.00 uur open. Nog meer dan een uur moest men zichzelf vermaken en dat ging hen niet makkelijk af. Luidkeels giechelend drentelde men om elkaar heen, selfies makend in elke mogelijke variatie die de groep kon verzinnen. Kennelijk lieten ze hun Zen thuis als ze op vakantie gingen. Ik besloot om maar eens een rondje te gaan wandelen, weg uit de onrust en de koffie was toch op.

Toen ik iets na tienen bij het museum arriveerde was de groep Japanners nergens meer te bekennen. Mogelijk waren ze al binnen, of misschien waren ze wel ergens anders heen gegaan. Wie zou het zeggen?

Bij de entree was het gelukkig niet zo druk, ik kon gelijk doorlopen. De zaal was op de eerste verdieping en plechtig deed ik de deur open, benieuwd wat erachter zou zitten. Het eerste wat opviel was het gedempte licht en het verbod om foto’s te maken. Mensen bewogen zich in kleine groepjes door de ruimte en verspreidden murmelende geluiden, alsof er overal beekjes ontsproten.

De tentoonstelling zelf was in chronologische volgorde opgezet, waardoor je een goed beeld van leven en werk van Escher krijgt. Veel bekend werk, zag ik al gauw, en mooi om het een keer in het echt te zien.

Maar de gebruikte techniek van Escher is zo goed reproduceerbaar in posters en boeken, dat je weinig nieuwe details ziet en dan leveren de bijna publiek geworden beelden, zoals de hand met de spiegelende bal, eigenlijk geen verrassingen meer op. Ik was dan ook redelijk snel door het eerste deel van de tentoonstelling heen.

De trap naar de tentoonstellingszaal in het Fries Museum

Het tweede deel was echter wel nieuw voor mij, en bestond uit beelden van nachtelijk Rome. Dat deel van de zaal was vrijwel donker, en door een uitgekiende belichting van de kunstwerken springen de witte objecten tussen de zwarte lijntjes van Escher uit. Met name het kerkje van Piazza Venezia is mooi, maar ook de San Giorgio in Vellabro en de koepels van de Monte Santo en Santa Maria dei Miracoli zijn prachtig. Het is net alsof ze echt in lamplicht staan, alsof het leeft. Niet in onze wereld, maar in een eigen wereld met eigen wetten, waar we een glimp van mogen opvangen via de gravures van Escher.

Zelf had hij een uitgesproken mening over Rome. “Ik werkte aldus: des avonds van plusminus 8 uur tot 11 of 12 uur ’s nachts, schetste ik in Rome, in dat verwonderlijk prachtige nachtelijke Rome, waarvan ik zooveel meer houd dan van dezelfde architectuur overdag. Alle overmatige barok-tierelantijnen waarmee Rome overvuld is vervagen des nachts.” Een mooie quote, die meer over Eschers karakter zegt dan zijn gravures doen. Je kunt een mens dus niet alleen inschatten op basis van zijn werk.

De persooon Escher komt nog dichterbij door drie getypte velletjes die onopvallend aan het eind van de tentoonstelling in een vitrine zijn opgehangen. Alle blockbusters, zoals de ‘Metamorphose’ en de ‘Waterval’ heb je dan net gehad en ook de groep Japanners had mij inmiddels ingehaald.

“(Werk)reizen en verblijfplaatsen van M.C. Escher, geb. 17 juni 1898,” stond er boven het eerste A-viertje getypt. Met blauwe pen is erbij geschreven dat het opgemaakt is in Laren, ongeveer 1971. Mijn aandacht was gewekt, dit had Escher zelf gemaakt! Nu had hij natuurlijk alle werken zelf gemaakt, maar die zijn van zo’n buitenaardse kwaliteit dat je de mens erachter er niet meer in terug ziet. Maar dit waren gewoon drie velletjes, waarin hij voor zichzelf had opgeschreven waar hij allemaal geweest was. Het soort lijstje dat je zelf gemaakt zou kunnen hebben. En dat ik nu ook ging namaken, want omdat je niet mocht fotograferen heb ik van alles in mijn smartphone moeten noteren.

Piazza Venezia

De opsomming begint met dat hij leerling was aan de school voor Bouwkunde en Sierende Kunsten te Haarlem. Van 1920 tot 1922. Daarna maakt hij zijn eerste reis, naar Italië. “Gedeeltelijk met 2 jeugdvrienden”, schrijft hij erbij. Wat volgt is een lange feitelijke lijst met plaatsen. Het zijn de persoonlijke noten tussendoor die het overzicht zijn persoonlijkheid geeft.

Zoals in 1925. Hij reist dan naar Meran. “Overlijden van broer Arnold”, staat er tussen haakjes achter. En dan in 1926. Bij 23 juli staat dat zijn eerste zoon George is geboren. Op 8 december 1928 gevolgd door de 2e zoon Arthur. De plaats staat er niet bij. De geboortes zijn kennelijk net zo belangrijk als de reizen, concludeer ik al typend. Escher leefde dus niet alleen voor zijn kunst.

6 maart 1938 wordt derde zoon Jan geboren. Ukkel, schreef hij erbij, want daar woonden ze vanaf 1937. Op 14 mei 1939 overlijdt zijn vader en een jaar later op 27 mei 1940 zijn moeder. Kennelijk gebeurde dat allemaal in Ukkel, gezien de opmerking die hij in de kantlijn schrijft bij het overlijden van zijn moeder. “Pas op 3 juni kon ik weer naar Den Haag”, schrijft hij.

Ik vroeg me heel even af wat daar dan allemaal gebeurd zou zijn, tot ik besefte dat op 10 mei 1940 de Duitse invasie had plaatsgevonden. Het was oorlog en het leven van Escher moest gewoon door. Even wachten dus tot de eerste oorlogshandelingen voorbij waren. Je kan je er nu weinig meer bij voorstellen hoe dat geweest moet zijn.

San Giorgio Vellabro

Vanwege de oorlog keerde het gezin Escher vlak daarna terug naar Nederland. “20 febr. 1941 definitief vertrek uit Ukkel naar Baarn Nic. Beetslaan 20”. Er volgen nog verhuizingen naar de v. Heemstralaan 56 (later 32) en in 1945 naar nummer 28. “Eigen woning”, noteert hij. In 1970 verhuist hij naar het Rosa Spierhuis in Laren. De laatste reisvermelding is ook van 1970. “16-17 nov. teruggevlogen van Montréal naar Schiphol”. Escher zou nooit meer op reis gaan.

Thuis overdenk ik de velletjes nog eens. Hij moet ze geschreven hebben in het Rosa Spier huis, in Laren, aan het eind van zijn leven. Maar voor wie, of aan wie? “Het Rosa Spier Huis is een woon- en werkgemeenschap van oudere kunstenaars. Met de zorg en ondersteuning van onze betrokken medewerkers, kunnen zij tot op hoge leeftijd hun vak blijven beoefenen.”

Escher was er alleen ingetrokken, zijn vrouw had in 1968 besloten om terug naar Zwitserland te gaan. De enige belangrijke datum die hij niet op de lijst heeft geschreven. Zou het te pijnlijk zijn geweest of vond hij het de vermelding niet waard? Ik heb geen idee. Het leidt tot de constatering dat ik nu tegelijkertijd zowel meer als minder kennis van Escher had. Dat je iets weet over een mens betekent kennelijk niet dat je hem beter hebt leren kennen. Een paradox waar Escher vast een prachtige gravure over had kunnen maken.

Silveren Seepaerd Eindhoven

Leestijd: 8 minuten

Dit is een combinatieblog uit the Museum of Accidents. Het begint met een kort essay, ‘waarom mensen dodelijk verrast worden door rook’. Daarna volgt een feitelijke omschrijving van de gebeurtenissen in het Silveren Seepaerd op 28 september 1971, aangevuld met foto’s die een goed beeld geven van de situatie ter plekke. Het wordt afgesloten met links naar andere informatiebronnen. In een naschrift staan nog wat foto’s van hoe de plek des onheils er heden ten dage uit ziet.

Waarom mensen dodelijk verrast worden door rook

Ik ben nooit in hotel ‘t Silveren Seepaerd geweest. Nadat het afbrandde op 28 september 1971 is het niet herbouwd. Toch voel ik een diepere verbinding met de ramp die daar plaats vond dan met een willekeurige andere brand in een hotel waar ik nooit was. Dat komt door deze foto van Hans Peters, uit het ANP-archief.

In het midden hangt de stille getuige van het drama dat zich binnen afspeelde: een lap stof, aan een spijl van het raamkozijn gebonden. Zo op het eerste gezicht lijkt hij nog helemaal schoon. In tegenstelling tot de muur er omheen, die zwartgeblakerd is door de brand. Als je goed kijkt zie je het patroon van de rookwolk rond het raam nog zitten. De punt ervan lijkt precies samen te komen op de plek waar de stof is vastgeknoopt.

Die lap is een raadsel op zichzelf. Mijn eerste associatie was een Palestijnse sjaal, zo eentje die ik vroeger op school droeg. Ik had een paarse. In tweede instantie bedacht ik mij dat het wellicht toch een tafellaken was, van Brabants bont. Het ding was hoe dan ook te kort. Twee van de negen slachtoffers overleden tijdens of door hun vluchtpoging, zo las ik later. Zou één van hen langs het te korte tafellaken zijn gegleden? Of zou het toch te laat zijn geweest, en is de vluchtpoging ingehaald door de branduitbreiding? Wat ik al zei, het is een raadsel.

Brandontwikkeling

De hotelgasten in het Seepaerd zijn waarschijnlijk allemaal overvallen in hun slaap. Een alarminstallatie was er niet, en die is cruciaal om mensen ertoe te bewegen om te vluchten. Ik denk dat maar weinig mensen beseffen hoe snel een brand zich kan ontwikkelen. Zeker als de preventieve voorzieningen niet op orde zijn.

Het is niet eens de brand zelf die zo gevaarlijk is, het is vooral de rook. Die kan zich exponentieel verspreiden in een ruimte en daarna binnen enkele seconden volledig het zicht en zuurstof ontnemen. Kijk maar eens naar dit filmpje van het National Institute of Standards and Technology uit Amerika.

Je kan goed zien hoe snel de rookontwikkeling gaat aan het eind. Laat ik er eens een klein rekenvoorbeeldje over maken. Stel, er ontstaat brand in een vertrek, bijvoorbeeld een hotelkamer. De rook halveert elke seconde het zicht in de kamer. Na 30 seconden is de ruimte volledig verstopt met rook en is de gezichtsbeperking 100%. Na hoeveel seconden was de kamer nog maar voor 50% gevuld?

Precies, na 29 seconden. Dit is wat de hockeystick wordt genoemd: een lange steel met een snelle bocht naar de kop. Ik denk dat mijn tekening niet eens helemaal klopt: het groene stuk is nog platter en het rode steiler. Maar het idee is duidelijk: na 25 seconden onduidelijk gepruttel met vage signalen staat binnen twee seconden de hele kamer vol met rook en zie je niets meer. De tijd om te handelen is dan eigenlijk voorbij en het is gewoon over, te laat. Je komt er niet meer uit.

Script theorie van David Canter

Wacht dus vooral niet tot het laatste moment om wat te gaan doen, wil ik maar zeggen. Doe aan weak signals, hard respons; Weick zei het al in zijn boek ‘Managing the Unexpected’. Proactief handelen is volgens hem van het allergrootste belang om ongelukken te voorkomen.

Helaas zijn mensen daar niet echt goed in. We hebben moeite om vooruit te denken, al helemaal in scenario’s met lastigheden als opties en consequenties. En als er al naar voren wordt gedacht is ons redeneren ook nog eens onderhevig aan allerlei denkfouten en human bias, zoals Kahneman in ‘Thinking Fast and Slow’ beschrijft.

Dat precies maakt exponentiele rookontwikkeling zo gemeen. Geruime tijd na het ontstaan van de brand is er weinig onraad te bespeuren en is het lastig om een kloek besluit te nemen. Wat de meeste mensen dus ook niet doen. Op het moment dat het echter duidelijk wordt dat de boel niet pluis is gaat het zo snel, dat handelen eigenlijk alweer te laat is. Je raakt volledig gedesoriënteerd en komt de verstikkende ruimte niet meer uit. Het is daarom dat mensen dodelijk worden verrast door rook.

Dit probleem wordt nog eens versterkt door een fenomeen dat door David Canter ‘scripts’ wordt genoemd. Een script is een voorgeprogrammeerde vorm van handelen, waardoor mensen automatisch die dingen doen die volgens hen bij die betreffende situatie horen. Bijvoorbeeld in een restaurant. Je gaat zitten bij een tafeltje, doet een bestelling, eet het op en wacht met vertrekken tot je betaald hebt. Dat is een regulier script voor gedrag in een horecagelegenheid.

Zo’n script laat zich lastig doorbreken, zeker als je op een onbekende plek bent; hoe onbekender de plek, hoe meer mensen zich aan hun originele script vasthouden. Weak signals krijgen daardoor een nog minder harde respons dan in de normale omgeving. Scripts versterken dus de fataliteit van de exponentiele rookontwikkeling.

Ooit zag ik Canter het verhaal van de scripts uitleggen bij een TV-serie met de titel ‘De strijd tegen het vuur.’ Ik kon er op youtube niet zo gauw iets van terug vinden. Wel herinner ik mij nog dat hij vertelde over de grote warenhuisbrand bij Woolworth’s van 8 mei 1979, waarbij tien mensen om het leven kwamen. Negen van hen werden in het restaurant aangetroffen. Waarschijnlijk omdat ze nog niet hadden afgerekend en aan het wachten waren om te betalen alvorens te vertrekken, zei Canter. Toen de weak signals overgingen in dikke rook was het te laat.

Andere grote branden

Vergelijkbare situaties speelden zich in Düsseldorf af in 1996. Op de luchthaven brak als gevolg van werkzaamheden een brand uit die zich maar heel traag verspreidde. Het duurde daardoor lang voor iedereen door had wat er aan de hand was. Mensen in de lounges vingen weliswaar vage signalen op van een brand, maar hadden al ingecheckt en wachten op het moment dat ze konden gaan boarden. Enkelen van hen belden nog wel de brandweercentrale, maar die stelde ze gerust. De brandweer is onderweg, zo werd gezegd, u kunt gerust blijven zitten. Dat werd uiteindelijk 17 mensen fataal.

De brand in ’t Silveren Seepaerd is bij lange na niet de enige grote hotelbrand geweest. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen het massatoerisme langzaam voor iedereen betaalbaar werd en de hotels steeds groter, waren er diverse andere iconische hotelbranden. In Nederland was er natuurlijk de brand in Hotel Polen, in België hotel Switel. Al was die iets later, met oudjaar 1994. Uit Amerika is de MGM-brand van 21 november 1980 wereldberoemd, met 85 slachtoffers.

Deze branden waren een grote driver achter een stroom van wetenschappelijk onderzoek, zoals dat van Canter. Midden jaren tachtig kwam John Bryan met een publicatie over menselijk gedrag bij hotelbranden, gebaseerd op interviews met slachtoffers die het wel hadden gered. Hieronder zie je zijn belangrijkste conclusies:

Deze observaties passen precies in het verhaal waarom mensen dodelijk verrast worden door brand. Het opvangen van vage signalen die geen aanleiding zijn om direct te vluchten, het aflopen van scripts zoals het verzamelen van informatie en de buren waarschuwen en daarna pas vluchten. Via de dichtstbijzijnde trap, zelfs ‘through smoke under conditions they described as zero visibility,’ om er dan achter te komen dat je volledig omsingeld bent door de brand.  

Zo ongeveer moet het in het Silveren Seepaerd op 28 september 1971 ook zijn gegaan. Af en toe sta ik daar weer even bij stil, onder andere door dit soort blogs elk jaar opnieuw onder de aandacht te brengen, in de hoop dat iedereen gaat beseffen hoe belangrijk het is dat we leren van dat wat ons overkomt. Dat is het immers doel van het Museum of Accidents.

Korte omschrijving incident Silveren Seepaerd

Datum28 september 1971
Locatie en type objectHet Silveren Seepaerd was een hotel-restaurant aan het Stationsplein in Eindhoven. Het gebouw bestond uit 2 delen. Het originele deel uit 1915, en een aanbouw uit 1961.
Type incidentHotelbrand die zich door flashover snel uitbreidde
Bijzonderheden
  • De brand is ‘s nachts in het restaurant ontstaan en heeft zich van daaruit bijzonder snel verspreid. De brandweer was om 5.40 ter plaatse
  • Vluchtwegen waren slecht aangegeven; van een nieuwe vluchtweg was niet eens gebruik gemaakt, omdat de aanwezigheid ervan onbekend was.
  • Zeven mensen probeerden via de lift naar beneden te vluchten. Aldaar liepen ze tegen een muur van vuur, waardoor ze gelukkig weer met de lift naar de bovenste verdieping konden. Van daaruit konden ze zich met de trappen in veiligheid brengen.
  • 11 mensen omgekomen, 19 mensen raken gewond.
  • Brandweer trof bij aankomst een zeer onoverzichtelijke situatie aan. De rook had zich door het gehele hotel verspreid. In veel kamers probeerden hotelgasten zich te redden, met handdoeken en geknoopte lakens. Op diverse plekken lagen al gevallen slachtoffers. Er zijn diverse aangrijpende foto’s met de stille getuigen van de vluchtpogingen.
  • De Phillips brandweer gaf met drie voertuigen bijstand en ondersteunde de redding. In totaal zijn 25 mensen actief door de brandweer gered via ladders.
  • Het voetbalteam van Chemie Halle verloor een speler bij dit incident. De geplande return tegen PSV voor de Europa Cup werd daarom afgelast.
  • De brand leidde in Nederland tot strengere brandvoorschriften voor hotels en restaurants

35 jaar later, op 28 april 2006 is er alsnog een wedstrijd gespeeld tussen PSV en FC Halle als herdenking. PSV won met 3 – 0.

Foto’s

Alle foto’s komen uit het Nationaal Archief, collectie Anefo. Hans Peters was de fotograaf.

Naschrift

Op 1 oktober 2020 was ik toevallig in Eindhoven voor een bezoek aan het Van Abbemuseum. Als je vanaf de parkeerplaats onder het Stadhuisplein naar het museum loopt, kom je over een brug waar een monument is geplaatst ter nagedachtenis aan de Herculesramp. Dat bracht me op het idee om op zoek te gaan naar het monument van ‘t Silveren Seepaerd.

Maar dat is er dus niet. Ter plaatse trof ik als enig gedenkteken deze foto aan op de buitenmuur van een kroeg in de Dommelsstraat. Het stoeltje met de tafel er voor is eigenlijk wel illustratief voor de situatie.

Net om de hoek van de Dommelstraat loop je door naar het Stationsplein. Daar zie je deze gebouwen op de plek waar ooit ‘t Silveren Seepaerd stond. Jammer dat de gemeente Eindhoven niet meer aandacht besteed aan zo’n heftige gebeurtenis uit haar geschiedenis.

Meer informatie

Wikipedia
Youtubefilmpje
Eindhovenfoto’s special over Seepaerd
Digibron

Dit is een blog uit the Museum of Accidents.

© 2020 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑