Wanderings

Tag: Jazz

De verrassende twintig van 2020

Leestijd: 7 minuten

Twintig twintig zit er voor de helft op. Tijd dus voor een halfjaarslijstje: wat zijn de pareltjes in die borrelende brij van nieuwe liedjes? Zie hier de twintig meest verrassende nummers van 2020 tot nu toe.

Ja, precies, verrassende nummers. Losse liedjes. Dus geen albums, die focus gaat met Spotify lichtelijk verloren, zoals ik eerder in dit blog schreef. Hoewel ik dat iets moet nuanceren: op mijn albumlijst verschenen dit jaar nog geen nieuwe platen uit twintig twintig, maar wel een paar oude. Zoals Gimme Fiction van Spoon en Blue World van John Coltrane.

Maar daar wilde ik het niet over hebben. Wel over verrassende muziek, want surprise is immers het overkoepelende thema van de website. Er staan daarom niet per se de beste nummers in de Verrassende Twintig, want dat is een ander criterium. Mogelijk had in dat geval Neil Young er namelijk wel in gestaan, met Kansas van het album Homegrown.

Of The Rolling Stones, met Living in a Ghost Town. Allebei prima liedjes, maar nauwelijks verrassend te noemen. Hooguit is het verrassend dat die oude lijken nog steeds nieuwe plaatjes uitbrengen. Maar dat is wellicht een onderwerp voor een volgend muziekblog.

Nee, verrassende muziek, dat is waar het om gaat. Twintig liedjes uit de eerste zes maanden van twintig twintig, die allemaal meedingen voor de eindlijst. Ze zijn voor deze gelegenheid verdeeld over drie categorieën, want dat kwam toevallig ontzettend goed uit: acht keer pop / rock, zes covers en zes keer jazz. Maar of de eindlijst ook nog zo verdeeld is blijft een verrassing. Engage.

Pop / Rock

Even leek het of daar de nieuwe single van Mark Lanegan klonk, toen Romulus en Remus’ hill donkerbruin uit de speakers schraapte. Maar nee, het was All Them Witches, het illustere darkblues kwartet uit Nashville dat van die heerlijk ouderwetse psychedelische rock maakt. Niks occults aan, ook al is de bandnaam gebaseerd op een fictief boek uit Rosemary’s Baby.
Van Khruangbin had ik nog nooit gehoord. Toch blijkt het instrumentale trio uit Texas al geruime tijd te bestaan en bracht het onlangs hun verdienstelijke vierde plaat ‘Mordechai’ uit. Die bij mij direct werd opgeslokt door de playlist ‘Easy Desert Surf Music’, waarin onder andere ook Clutchy Hopkins, Lord Newborn en Tommy Guerrero figureren. Heb je een beetje beeld op welke wind Thai Airways vliegt (Khruangbin is Thais voor vliegtuig). Texas Sun is echter geen instrumentaaltje en werd als een poor lonesome cowboy ingezongen door Leon Bridges, een R&B zanger die vergeleken wordt met Otis Redding. Da’s pas een verrassing.
Uit 2012 was ie al weer, mijn favoriete liedje ‘Au Cinema’ van Lianne La Havas. In 2015 kwamen daar nog ‘Unstoppable’ en ‘They Might Be Wrong’ bij, maar daarna werd het nogal stil rondom La Havas. Tot voor een paar weken, toen de EP ‘Weird Fishes’ met vier nieuwe liedjes verscheen. Het werk heeft de feel van Alicia Keys ten tijde van Empire State of Mind, maar dan zonder haar commerciële knieval. Zeker op Paper Thin, waar een subtiel jazzcombo met upright bass de sfeer van een nightclubje neerzet. Lekker hoor.
Van 1996 is ie, onze Marcus King. Vier en twintig dus pas. 24. En wel al vier albums uitgebracht. De eerste drie onder de noemer van The Marcus King Band, waarbij het laatste exemplaar, Carolina Confessions, een plaatsje wist te veroveren in de beste 18 van 2018. Dat ie nog steeds goed is kan dan ook nauwelijks een verrassing zijn, wel dat King daarvoor in zee wilde met Dan Auerbach van The Black Keys. Want die polijst tegenwoordig alles. Haalt de rauwe kantjes er al poetsend af. En dat is jammer, hoewel het bij No Pain toch nog net genoeg schuurt om te verrassen.
Mick Flannery staat al twee albums in mijn warme belangstelling. De Ierse singer songwriter doet er namelijk helemaal niets aan om de luisteraar te behagen. Vooral op het album ‘I Own You” uit 2016 jaagt hij je de stuipen op het lijf met haunted songs als I Own You, Cameo en Show Me The Door. Je ziet hem je al achterna komen met die buffelschedel van hem op zijn knar. Maar kennelijk is de woede gaan liggen en nu komt ie opeens met een prachtige ballad, tegen soul aan, inclusief toeters. Zou hij aan het warmlopen zijn om die oude Ierse bard op te volgen?
Ben Williams ken ik als jazz bassist, en dan vooral van zijn solo album ‘Coming of Age.’ Een geweldige plaat waarbij hij makkers als Marcus Strickland en Christian Scott Atundeh inschakelde. Het resultaat was crossover jazz met veel invloeden uit hiphop en R&B. Vijf jaar later is ie terug, met een nog grotere allegaar aan stijlen en misschien nog wel het meest verrassend, hij zingt. Come Home is een grimmig nummer over onrecht dat hij samen met Kendra Foster uitvoert. Sterk spul.
Joseph Arthur maakte ooit het prachtige, maar lijdzame ‘I Used to Know How To Walk On Water’, waarin een onzekere Jezus het opeens allemaal niet meer zo zeker weet. “I could give sight to blind men, And make a mute man sing in hell, But now I watch with awe and wonder, Doubt has now befallen me.” Dat dus. Toen ik de potten en pannenherrie van Victory Boulevard hoorde was ik dus ook lichtelijk verrast, tot ik er achter kwam dat een reissue van 20 jaar geleden betrof. Toen was ik hogelijk verrast.
Neal Francis is schatplichtig aan New Orleans, aan R&B, Soul en Dr. John. Aan Billy Preston, The Rolling Stones en The Meters. En aan Allen Toussaint en Leon Russel. Zegt ie zelf, onze Neal. Maar hij heeft gelijk. Don’t Call Me No More is heerlijke New Orleans muziek, die al weer opgevolgd is door ‘How Have I Lived’, een single die zo door Beck gemaakt had kunnen worden.

Covers

Tracy Chapman, wie is er niet groot mee geworden? In 1988 was Fast Car een wereldhit en eerlijk gezegd denk ik dat de pracht van het nummer toen een weinig aan mij voorbij is gegaan. Gelukkig zijn daar nog altijd de Black Puma’s die de fast car weer even onder de aandacht brengen.
So remember we were driving, driving in your car
Speed so fast I felt like I was drunk
City lights lay out before us
And your arm felt nice wrapped ’round my shoulder
I had a feeling that I belonged
I had a feeling I could be someone, be someone, be someone
Ja, Peter Gunn, het is een genre op zichzelf. Dus daar kon de uitvoering van Joe nog prima bij. Puike DanceHall Jazz, lekker luchtig gehouden met hier en daar een stomend orgeltje. En weet je wat: het is misschien wel de beste versie die ik ken.
Jose James kent zijn klassiekers. Eerder coverde hij al het werk van Billie Holiday en Bill Withers, voor allebei trok hij er zelfs een hele CD voor uit. En nu is daar ‘Just the Way You Are.’ Van Billy Joel, die met geen enkel liedje zo urban jazz klonk als nu. Sterker nog, ik was zelfs verrast dat het ooit van Joel was geweest. Maar toch, het oude werk van Jose zelf is stukken beter. Luister eens naar Bird of Space, kippevel.
Gary Clark heeft het druk. Hij deed dit jaar al mee met John Legend en Sheryl Crow en nu covert hij er vrolijk ‘A Change is Gonna Come’ op los met Los Coast. Die kustmannen zeiden mij helemaal niets, dus dat moest ik even opzoeken. Ze schijnen punchy psychedelic pop soul te maken dus, allé, we proberen het even uit. Maar dat duurde niet heel lang. Geloof mij als ik zeg dat dit nummer door Gary Clark en door niets anders dan Gary Clark gedragen wordt.
Het enfant terrible van de Belgische popmuziek kreeg het weer eens voor mekaar: een nummer opnemen waarvan je niet weet of het nou om te janken zo mooi – dan wel lelijk is. Of is er nog een derde optie: om te janken zo leuk. We shall carry on en dan komen we er vanzelf achter.
Van sommige dingen kom je nooit meer af, hoe goed je je best ook doet. Luka, Marlene on the Wall en Tom’s Diner zitten voor eeuwig aan Suzanne Vega vastgeplakt. Maar hé, dat is allemaal al weer van voor 1990. Ze zal toch niet haar leven van die verantwoorde folk liedjes zijn blijven maken? Nou nee, sterker nog, op deze nieuwe uitvoering van Walk on the Wild Side klinkt ze zomaar een beetje als Marianne Faithfull en Tanita Tikaram. Wie had dat gedacht? (Het is maar een beetje, hoor)

Jazz

Van het Foehn Trio weet ik niks, behalve dat ze net een nieuw album uit hebben die ik nodig eens uit moet checken en in Frankrijk wonen. Daar komt Erik Truffaz ook vandaan en die ken ik toevallig wel heel goed, zijn muziek althans. En dit is weer zo’n prachtige dot eclectische jazz waar Truffaz een abonnementje op heeft.
In 2018 debuteerde Nubya Garcia met Nubya’s 5ive, een geweldige plaat uit het midden van de London jazz scene die tegelijkertijd met twee benen in de Amerikaanse jazz traditie geworteld staat. Nu is daar Pace en wat een bijzonder krachtig nummer is dit weer zeg, zowel qua compositie als qua spel. Ik hoor er overal de reïncarnatie van John Coltrane in. Wat een geluk. Ergens eind augustus moet de nieuwe plaat uitkomen, die waarschijnlijk ‘Source’ gaat heten. Ik kijk er reikhalzend naar uit.
Nog eentje uit de London jazz scene, van Nick Walters. Die propte zich met zes vrienden in een studio en jamde er in een dag een hele plaat uit. Gordian Knot part 2 vliegt van hot naar her, van toeter naar gitaar maar altijd is er die strakke ritme sectie van Nim Sadot en Max Hallett. Tien minuten laag vliegen dus niet raar kijken als er klachten over geluidsoverlast binnenkomen.
Rymden is opgetrokken uit de resten van E.S.T en Bugge Wesseltofts new conception’s of jazz. In potentie een supergroep, maar daar was op het eerste album nog niet zo veel van te merken vond ik. Tot mijn grote verrassing is er dan nu deze single, als voorbode van het nieuwe album Spacesailors dat in september verschijnt. Dit is wat ze er zelf van zeggen: “This is the sound of three jazztronauts, co-ordinates set, and ignition-ready. RYMDEN keep re-evaluating and reinventing their approaches to the piano trio format, and here we find them swinging in unexpected time signatures, firing a trail of dub sparks, evoking jazz trios of the past in a post-electronic universe, and always staying true to their own trajectory.” Precies, dat hoor je direct, jazztronauts.
Tom Misch en Yussef Dayes kropen eens lekker dicht bij elkaar en leverden een album af in het centrum van jazz, pop, R&B en hiphop. Zoet en strak, vrij en vast, altijd glad schurend en puur handwerk. Kyiv namen ze op met Rocco Palladino en dankzij dit filmpje zie je wat voor rasmuzikanten het zijn. Het is hopelijk weer snel ook echt live te zien.
Delvon Lamarr’s Inner City Blues. Die doe je in de car. Met de windows omlaag. Armpje er uit en starten maar, in de D van Drive. Vooruit met die goat, gassen op rechts en tappen on the left. Dat is in het short waarom ze in Amerika vrijwel alleen nog maar automaatjes hebben. Omdat Delvon Lamarr daar is, you know en je een vrije linker foot nodig hebt. That’s why.
En ter afsluiting: de Verrassende Twintig in een open Spotify Playlist

Plaatjes draaien in tijden van Spotify; van boom naar rizoom

Leestijd: 7 minuten

Minder dan een jaar zit ik nu op Spotify en het heeft mijn muziekbeleving volledig veranderd. Tegenwoordig stream ik, en ik play lists. Dat was vroeger wel anders. Toen moest je een LP opzetten en hem omdraaien, de plaat afstoffen en af en toe een naald vervangen. Een kleine muziekgeschiedenis, van boom naar rizoom.

Tientallen jaren lang was een plaatje opzetten het eerste wat ik in het weekend deed. Daarna koffiezetten en ontbijten, met de krant erbij. Eerlijk gezegd gaat dat nog steeds zo. Alleen zet ik niet meer letterlijk een plaatje op. Ik swipe door wat schermpjes en klik dan ergens op, waarna het huis zich vult met de muziek die ik net heb gekozen uit de schier oneindige database van Spotify. Het is een wonder.

LP

Toch noem ik het nog steeds plaatjes draaien, net zoals ik goede muziek nog steeds een ‘geweldige plaat’ of een ‘prachtig album’ noem. Dat is het mooie van taal: soms houden woorden de betekenis die ze hadden, terwijl de fysieke handeling die erachter ligt allang is verdwenen. We hebben geen paard meer nodig om de teugels te laten vieren, noch een stuur om het over te dragen of een plaat om muziek te luisteren. Over honderd jaar zal het een quizvraag op TV zijn. “Vingers bij de knoppen: waar komt de term plaatjes draaien vandaan?”

Mijn eerste plaat was ‘Arrival’ van ABBA, uit 1976. Ik was elf en had er hard voor gespaard. Eerder maanden dan weken. Toen ik het geld bij elkaar had, ben ik in mijn eentje op de fiets gestapt naar Siebrechts muziekwinkel, aan de andere kant van het dorp. Daar zag de uitbater eruit als een mollige versie van Simon van Collem. Vervolgens voorzichtig teruggefietst naar huis, met de LP in een plastic tas, fladderend langs het stuur.

Eenmaal thuis ging ik gelijk op zoek naar Pa, om mijn aanwinst te tonen. Hij zat bij buurman Paul. Trots liep ik daar naar binnen met mijn nieuwe schat, waar ik vrijwel direct enorme spijt van had. Buurman Paul reageerde als eerste en vroeg of hij de plaat mocht zien. Nog voor ik het door had griste hij de tas uit mijn vingers, was de plaat al uit zijn hoes en schudde hij hem tussen beide handen in, ritmisch omhoog en omlaag. Ondertussen zong hij ‘op een kangoeroe eiland’; als je het geluid hoort weet je precies welke beweging hij maakte en welke doodsangst voor mijn nieuwe plaat ik heb uitgestaan.

Het kangaroe eiland van het cocktail trio; je hoort de LP ploppen 🙂

Cassette en CD

Met de LP zelf liep het die dag overigens nog best goed af, maar niet voor heel lang. Al snel kwam ik erachter dat er ook muziek bestond als Deep Purple en Status Quo en daar paste Arrival echt niet tussen. Weg dus, met dat ding. Toen in 1978 ‘Van Halen I’ uitkwam was het helemaal gedaan met de doorsnee popmuziek. Op de radio bij Alfred Lagarde’s Betonuur en Hanneke Kappen’s Stampei, daar hoorde je het echte werk. Twee keer per week zat ik klaar met mijn cassetterecorder, vingers bij de knoppen. Zo nam ik hele tapejes op met muziek van verschillende artiesten.

Terugkijkend waren dat eigenlijk mijn eerste afspeellijsten, maar zo voelde het toen nog niet. Ik ben sowieso nooit zo dol geweest op cassettebandjes, hooguit voor in de auto. De krengen liepen altijd in de soep en gaven een steeds slechter geluid. Het is ook tekenend dat een ‘cassette opzetten’ of ‘een bandje draaien’ nooit dezelfde betekenis van muziek luisteren heeft gekregen als plaatjes draaien. In die zin was een cassette vooral een opgenomen LP. Behalve dan misschien in de Guardians of the Galaxy, maar da’s vooral nostalgie. Die trouwens ook gewoon op Spotify staat.

Toen de CD kwam, midden jaren ’80, veranderde er eigenlijk niet zo heel veel aan het plaatjes draaien. Ze waren handzamer, makkelijker op te bergen en namen minder ruimte in. Maar het bleef een rondje met een gat erin, waar je een apparaat voor nodig had om de muziek erop te beluisteren. En als ie klaar was, moest je een nieuwe opzetten. Of repeaten, dat kon natuurlijk ook.

De boom van de verzamelaar

De CD-verzamelaar ondertussen vertoonde hetzelfde gedrag als de boekenverzamelaar. In een speciale kast moet alles op de juiste volgorde worden gezet. Meestal alfabetisch binnen een genre. De verzameling ontwikkelt zich dan verder via het patroon van een boom. Onder de grond zitten de wortels, de basis van de muzieksmaak. Ook al draai je die nauwelijks tot niet, je kunt er toch niet zonder. In die zin zijn het echt de wortels: je hebt ze wel nodig, maar je hoeft ze niet te zien. Denk aan muziek van bijvoorbeeld Led Zeppelin, Pink Floyd en Deep Purple. Die zit in mijn wortels.

De boom van de muziekverzamelaar. Tekening van Wendy Kiel

Bovengronds staat de stam, waar de kern van de verzameling zich bevindt. In mijn geval waren dat toen bandjes als Kyuss en Tool. Uit de stam vertakken zich dan de specialisaties, met genres en sub-genres. Zo ontstonden er bijvoorbeeld speciaaltjes met metaalwaren (Fear Factory, Sepultura), grunge (Soundgarden, Melvins) en symfonisch (Iron Maiden, Dream Theater). Alternative, niet te vergeten (Primus, Faith no More).

Kenmerkend voor de echte boom-verzamelaar: de neiging om compleet te zijn. Alles willen hebben, van obscure persingen tot zuivere duitenkloppers; verzamelaars met allemaal bekende nummers en één nieuwe ‘from the vaults.’

Uiteindelijk fragmenteert elk subgenre in steeds vreemdere plaatjes die zich als eenlingen ontvouwen gelijk de blaadjes in het loof. Niet zelden zitten daar ook de miskopen tussen (Brujeria, om er maar eens eentje te noemen). Bij het snoeien gaan die er als eerste aan. Ruimte maken voor nieuw en vers. Op de top van mijn verzameling bestond de boom uit meer dan 1300 ceedeetjes, die door mijn toen studerende nichtje altijd met enig leedvermaak werd bezien als de gekke hobby van haar oom.

Naast deze rock-boom heb ik ook nog een jazz-boom. Grappig genoeg groeit die andersom. De nieuwe plaatjes zitten in de wortels (Eric Truffaz, Nils Petter Molvaer, ik draai het nooit meer). De stam bestaat uit de Brad Mehldau’s en E.S.T.’s van deze wereld, die luister ik nog wel regelmatig. Net als de Philadelphia Experiment. En in de kroon zit oud werk van Ahmad Jamal, John Coltrane en Miles Davis. Die zet ik tegenwoordig als eerste op. Maar ook al groeit ie andersom, het is wel een boom. En dat heb ik tot mijn 53e zo gedaan.

Het rizoom van Spotify

Want toen kwam het rizoom van Spotify. Dat ging trouwens niet van de één op de andere dag, er zat nog een interbellumpje tussen met MP3’tjes. Die gebruikte ik vooral in de auto, als ware het een handig cassettebandje. Ondertussen luisterde ik via mijn computer ook steeds meer losse nummers random uit een grote bak. Precies wat Spotify in de kern ook is. Een hele grote bak muziek met 30 miljoen liedjes. Waar je betekenis aan geeft door het te organiseren via playlists.

Mijn Americana without Borders playlist; Via Spotify kan je hem compleet vinden.

Toen ik net op Spotify zat heb ik avonden besteed om mijn oude bomen weer in te richten. Keurig alles weer onder het kopje ‘albums’ ondergebracht. Maar al gauw bleek dat zo niet te werken. Voor ik het door had zat ik liedjes te rijgen in nieuwe playlists. Van alles door elkaar; oud en nieuw, bandjes en solisten, rock en jazz. Gebaseerd op één connectie tussen jou en die liedjes. Geen boom, maar een rizoom. Het is wat Deleuze het principe van connectiviteit en heterogeniteit noemt: Any point of a rhizome can be connected to anything other, and must be.

De betekenis van een lijst evolueert vanzelf als het zich in de tijd verder ontwikkelt. Dat is een tweede kenmerk van rizomen: multipliciteit. “A multiplicity has neither subject nor object, only determinations, magnitudes and dimensions that cannot increase in number without changing the multiplicity in nature.” Zo was ik ooit met een playlist ‘Americana’ begonnen, die al snel werd aangevuld met tips van Spotify. Dus stond er opeens ‘Get thy bearings’ van Donovan tussen. En even later ‘Saturday Sun’ van Nick Drake. Waarop de playlist eerst tot ‘Mostly Americana’ werd omgedoopt en later ‘Americana without borders.’

Soms wordt een playlist zo groot, dat ie niet meer het gevoel oplevert wat je er ooit mee bedoeld had of dat je bepaalde liedjes opeens te weinig hoort. Dan kan je volgens het principe van de onsignificante scheuring je playlist gewoon uit elkaar trekken. “A rhizome may be broken, shattered at a given spot, but it will start up again on one of its old lines or on new lines”. Zo heb ik uit de Americana playlist een nieuwe lijst ‘Groot zand’ afgesplitst, met liedjes van onder andere Howe Gelb en Calexico.

The map is not the territory

Nog een kenmerk van een rizoom. “The rhizome is altogether different, a map and a tracing. The map is open and connectable in all of its dimensions; it is detachable, reversible. Susceptible to constant modification.” Elke maandag en vrijdag komt Spotify met nieuwe aanbevelingen, gebaseerd op hoe je rizomen er op dat moment bijstaan. Dat levert soms grote verrassingen op, soms ook zit het er volledig naast. Maar ergens ligt er dan toch een connectie volgens het algoritme, in een dimensie die je zelf (nog) niet ziet. Neveneffect: je kunt nooit compleet zijn, er past altijd wel iets bij. Alles willen hebben moet je gewoon loslaten.

Get thy Bearings van Donovan

Ook de family playlist kan bijzondere invullingen krijgen: zo bleek ik opeens allerlei liedjes van Alicia Keys bij te dragen aan de familielijst. Dat is het principe van de decalcomania: forming through continuous negotiation with its context, constantly adapting by experimentation, thus performing a non-symmetrical active resistance against rigid organization and restriction. Je rizoom verandert door de context waar hij in groeit, net zoals de context verandert door het rizoom. Dat u het maar weet, niks gebeurt in isolatie.

Een van de belangrijkste kenmerken van een rizoom is dat het meerdere ingangen kent. Er zijn alleen lagen, er is geen begin en geen einde. Ook dat zie je in Spotify terug, op verschillende manieren zelfs. Als een playlist afgelopen is, gaat ie vanzelf door met er aan gelieerde muziek: nummerradio dan wel artiestenradio. Zet een grote playlist op shuffle, en het ding speelt nooit dezelfde volgorde van liedjes. Daarnaast kun je van een album een playlist maken, en die kan je dan weer in een mapje stoppen. Een beetje op z’n booms, eigenlijk, maar dan via de wetten van het rizoom: the map is not the territory.

Inmiddels is me duidelijk geworden dat sommige albums zo goed zijn, dat het een playlist op zichzelf is. Zoals ‘Dream River’ van Bill Callahan, ‘Antiphon’ van Alfa Mist of ‘Desolation Blues’ van Chris Whitley. (Ja, de muzieksmaak is inderdaad nogal veranderd de afgelopen jaren). Die staan nog steeds onder het kopje ‘albums.’

Van de rest heb ik de beste nummers overgenomen in een playlist en het album zelf verwijderd. Uit mijn eigen mapjes, althans. Want in de territory, de bak van Spotify, daar staan ze gewoon nog in. Wie weet kom ik ze weer eens tegen, als ik een playlist ben begonnen waar ze inpassen. Want dat is plaatjes draaien in tijden van Spotify. Continu veranderende playlists, met af en toe een geweldig album; muziek luisteren in een rizoom.

Afro Blue, het lied van hoop

Leestijd: 5 minuten

Afro Blue wordt gezien als de eerste latin jazz standard, geschreven door Mongo Santamaria in 1959. Ikzelf ontdekte het toevallig, toen ik kort na elkaar de versies hoorde van Melanie de Biasio, Robert Glasper en Marc Copland. Steeds datzelfde thema in zulke verschillende muziek. Het maakte mij nieuwsgierig naar het verhaal achter Afro Blue. Dat begint in Cuba.

“When I play I don’t know how I do it, or what I do … I just play”

mongo santamaria

Cuba, 1898. Na ruim 400 jaar overheersing jaagt Amerika de Spanjaarden uit de Cubaanse kolonie en sticht er een onafhankelijke staat. Nou ja, onafhankelijk, het is eerder een protectoraat. De Verenigde Staten grijpen nog meerdere malen in en blijven lange tijd een vinger in de pap houden. Tot Fidel Castro de macht grijpt in 1959, maar dat is weer een heel ander verhaal.

In 1917 wordt Ramon Santamaria geboren in Havana. Zijn vader geeft hem de bijnaam ‘Mongo’. ‘Leider van de stam’ betekent dat in Mali, het land waar de voorouders van Ramon vandaan komen. Hij groeit in armoede op, tussen vriendjes van voornamelijk Afrikaanse komaf. Ze maken veel muziek op straat, met bongo en percussie. De jongens leren spelen van elkaar en door naar anderen te kijken. Ondertussen hopen ze allemaal op een carrière als muzikant. In 1937 is dat eindelijk zover voor Mongo: hij krijgt zijn eerste echte baan als percussionist bij het Septeto Balano en later het Orquesta Cubaney.

Mongo in 1969, toen al 52 jaar. Zijn hele leven zou hij een jonge uitstraling houden

Van Mexico naar New York

Ondertussen was het behoorlijk gaan rommelen in Cuba. Rond 1933 ontstaat er in het landsbestuur een hoop gedoe door de ‘Opstand der Sergeanten’. Een zekere Battista grijpt de macht, onder goedkeurend wegkijken van Amerika. Er worden stromannen benoemd, terwijl Battista zelf achter de schermen aan de touwtjes trekt en dubieuze samenwerkingsrelaties aangaat met de Amerikaanse maffia. Het is in deze onrust dat veel jazzmuzikanten het land verlaten. Santamaria gaat eind jaren veertig eerst nog naar Mexico, waar hij speelt met de danser Pablito Duarte. In 1950 vestigt hij echter zich in New York. Daar groeit hij uit tot een invloedrijke figuur in de latin-jazz.

”Mongo’s major contribution,” said the percussionist Bobby Sanabria, ”was that he applied the conversational aspect normally played on the bongo to the conga drums. But more importantly, Mongo always represented the close ties that Cuban music has to West Africa.”

Afro Blue

En dat is precies wat je hoort in zijn grootse jazz standard ‘Afro Blue’, die hij in 1959 opneemt met de band van Cal Tjader. De eerste vijf seconden beginnen met percussie in een typisch Afrikaans ritme. Dan valt de bas in en staat het basisframe van het nummer. Na 20 seconden komt er nog een ritme overheen en nog één en nog één, alles bij mekaar wordt het een vrolijk polyritmisch spektakel. Met daar tussendoor steeds die fluit, die keer op keer het wereldberoemde thema van Afro Blue inzet. Er spreekt hoop uit, geloof in een betere toekomst, maar tegelijkertijd ook een zekere melancholie. Het is die combinatie van sferen die het voor mij zo’n onweerstaanbaar muziekstuk maken.

Oscar Brown

In 1959 schrijft Oscar Brown een tekst voor Afro Blue, die hij een jaar later op zijn LP ‘Sin & Soul’ zet. “The album is regarded as a true classic for openly tackling the experiences of African Americans with songs such as ‘Bid ‘Em In’ and ‘Afro Blue’. Sin & Soul is also significant because Brown took several popular jazz instrumentals and combined them with self-penned lyrics on songs such as ‘Dat Dere’, ‘Afro Blue’ and ‘Work Song‘. Het oorspronkelijke Afro Blue is op Sin & Soul teruggebracht tot een kaal percussieritme waar Brown haast a-capella zijn tekst over uit spreekt.

Dream of a land my soul is from

I hear a hand stroke on a drum

Elegant boy, Beautiful girl

Dancing for joy, Delicate whirl

Shades of delight Cocoa hue

Rich as a night

Afro blue

Two young lovers dance face to face

With undulating grace

They gently sway, Then slip away

To some secluded place

Whispering trees, Echo their sighs

Passionate pleas, Tender replies

Shades of delight Cocoa hue

Rich as a night

Afro blue

Lovers on flight, Upward they glide

Burst at the height, Slowly subside

And my slumbering fantasy assumes reality

Until it seems it’s not a dream

The two are you and me

Shades of delight Cocoa hue

Rich as the night

Afro blue

Oh shades of delight Cocoa hue

Rich as the night

Afro blue

John Coltrane

Afro Blue wordt pas echt beroemd door de uitvoering van John Coltrane. Hij verschijnt op de LP ‘Live at Birdland’ uit 1964. Coltrane maakt van het vrolijk polyritmisch nummer een furieuze jazz wals, met McCoy Tyner aan de piano, Jim Garrison op bas en Elvin Jones achter de drums. Dit viertal zou een jaar later het meesterwerk ‘A Love Supreme’ opnemen en was hier al flink op stoom om dat topniveau te gaan halen. Toch laat ik niet die uitvoering van Afro Blue hier horen, maar eentje van McCoy Tyner uit 2001, van het album ‘Plays John Coltrane at the Village Vanguard.’ Tenslotte was McCoy Tyner er ook al bij in 1964, en deze uitvoering heeft zo’n mooie sound. Dat is ook wat waard.

The Doors

The Doors zijn weliswaar geen jazzband, maar pikken af en toe toch een stukje mee. Tijdens de live uitvoering van Universal Mind, van het album ‘Absolutely Live’ uit 1970, begint na zo’n 2,5 minuut Robbie Krieger met het themaatje van Afro Blue, waarna de rest enthousiast invalt. Het is één van de eerste crossovers van Afro Blue naar pop. Daar zouden er nog vele van volgen.

Melanie de Biasio

Zoals de versie van Melanie de Biasio uit België, van het album Lilies uit 2017. Volgens allmusic.com is het echter geen pop, maar jazz. Nou ja, als het maar goed klinkt. En dat doet het. De Biasio maakt met haar interpretatie een bloedstollende versie als uit een film noir, waar de grens tussen pop en jazz volledig in de schemer verdwenen is. Al helemaal op deze liveregistratie uit 2018.

Robert Glasper

Er zijn ook artiesten die de grens tussen pop en jazz juist door zonneschijn laten verdwijnen. Die het gewoon laten verbleken. Zo iemand is Robert Glasper, die samen met Erykah Badu op ‘Black Radio’ een heerlijk lui hip hop jazz funk nummer op de plaat heeft gezet. Ja, het is allemaal nog steeds dat liedje van Mongo uit 1959. Maar dan weer anders.

Marc Copland

Marc Copland wordt ook wel de piano whisperer genoemd, vanwege zijn techniek en het kristalheldere geluid. In 2019 verscheen ‘And I love her’, een prachtig album met Drew Gress en Joey Baron. Dat vond allaboutjazz.com ook:

What’s remarkable about this compelling album opener is that it was never planned to be a part of And I Love Her‘s recording session.”We were warming up,” Copland says [in the press sheet], “and as so often happens, Joey started a groove, in this case a 6/8 thing….and I heard ‘Afro Blue’ in my head, which I’m not sure I’d ever played before.”

Er zijn nog ontelbare andere versies van Afro Blue gemaakt. Die ga ik je niet allemaal laten horen, als je zin hebt kun je zelf door mijn Spotify Playlist scrollen. Ik heb er in dit blog zeven op een rijtje gezet die mij om verschillende redenen fascineren. Wat ze allemaal gemeen hebben is die combinatie van hoop en melancholie.

Dat is de kracht van echt goede muziek: het roept andere gevoelens bij je op dan alleen de herkenning van een leuke melodie of refrein. Precies de magie die je niet in woorden kunt vatten, zoals Mongo zelf ook al zei: “When I play I don’t know how I do it, or what I do … I just play”.

Afro Blue, De Playlist

De beste muziek van 2019

Leestijd: 6 minuten
8 december 2019

Het is weer tijd voor jaarlijstjes, tijd voor de beste muziek van 2019. Volgens Rizoomes dan. Tien toppers op een rijtje

Elk pad ontstaat door er over te lopen. Met die gedachte in mijn achterhoofd startte ik vorig jaar een traditie, zo dacht ik, om elk jaar de beste muziek van het afgelopen jaar in een lijstje te zetten. Mijn eigen jaarlijstje, een jeugddroom. Is het niet in de Oor, dan in ieder geval op mijn eigen website. Het hoeft immers niet alleen over crisis te gaan in het leven.

Maar dat was vorig jaar, 2018, toen ik nog niet op Spotify zat. Toen de wereld nog overzichtelijk geordend was in albums. Toen het fenomeen playlist mij nog niet bereikt had. Toen TOOL alleen nog maar op fysieke geluidsdragers verkrijgbaar was en al ruim twaalf jaar geen nieuw werk had uitgebracht.

Hoe anders ziet die wereld er nu uit. TOOL zit op Spotify. Ik zit op Spotify. En ik play meer lists dan albums. Wat dat gaat betekenen voor mijn nieuwe traditie zullen we volgend jaar zien, als ik een heel jaar Spotify achter de rug heb. Maar dat er iets zal veranderen is duidelijk. In 2018 vond ik met gemak 18 beste albums. Dit jaar kwam ik niet verder dan tien. Maar die zijn dan wel weer allemaal heel erg goed. In ieder geval negen ervan. Kijk en luister maar mee.

Fear Inoculum – TOOL

Dertien jaar lang liet TOOL ons wachten op hun nieuwste album. Dertien jaar. Dan verwacht je iets heel bijzonders en dat kregen we ook. Fear Inoculum is een geweldige plaat. Zeven nieuwe nummers, waarvan er zes boven de tien minuten klokken. 7empest doet zelfs ruim een kwartier. Het herkenbare TOOL-stramien is hier opnieuw verder opgerekt: de ritmes zijn nog onnavolgbaarder, de bas soleert meer dan ooit en de gitaarlijnen slingerden nimmer zo veel kanten tegelijk op. En Maynard James Keen zingt weer net zo strak als dertien jaar geleden. Toch wringt er iets. Hoe mooi het allemaal ook klinkt, echt verrassend is het niet. Niet zo verrassend als Lateralus was in 2001. Dat kan maar één ding betekenen: TOOL is af. Niets meer aan doen en weer dertien jaar wachten.

Black Pumas – Black Pumas

Soms gaat het snel. Op het ene moment doe je een telefonische auditie bij Adrian Quesada die op zoek is naar een zanger voor zijn nieuwe muziek, en even later ben je een psychedelisch funk seventies Motown hiphop duo onder de naam Black Pumas. Hun debuut is overdonderend vertrouwd. Oude sound in een nieuwe jas, denk je. Je hoort Marvin Gaye, Bill Withers, Charles Bradley. Maar toch ook weer niet: elke keer dat een nummer klinkt of je hem al jaren kent, blijkt dat helemaal niet zo te zijn. De Black Pumas zijn gewoon de Black Pumas, de albumtitel zei het eigenlijk al. Maar altijd goed om ff te checken of het waar is wat ze je laten horen in het kader van #fakemusic.

South of Reality – The Claypool Lennon Delirium

Nooit vroeg ik me bij enig liedje af of The Beatles zo geklonken zouden hebben, hadden ze nog bestaan. Totdat ik het nummer Blood and Rockets, hoorde van The Claypool Lennon Delirium. Zouden The Beatles zo geklonken kunnen hebben, zo vroeg ik mij toen opeens af. Het antwoord daarop is ja en nee. Ja, want Sean Lennon doet mee en het moet al heel gek lopen als hij ook niet wat Johnnerigs in kan brengen. Al maakt hij van Amethyst Realm vooral een Pink Floyd nummer.

Nee, want Les Claypool doet mee en alles waar Claypool aan mee doet klinkt als Claypool. Dat kan dus nooit op The Beatles lijken. Precies daarom mislukte ook zijn auditie bij Metallica. Die wilden helemaal niet als Claypool klinken.  Maar deze mindmeld van Claypool en Lennon is echt veel meer dan The Beatles meets Primus, het is een fenomeen op zich. Beamus! Pritles! Dat dus.

New Ways – Leif Vollebekk

Vollebekk levert met ‘New Ways’ zijn vierde en tot nu toe beste plaat af. Ik ontdekte hem via ‘Big Sky Country’, dat ik eerst abusievelijk aanzag voor een cover van Chris Withley. Terwijl het toch totaal anders klinkt, maar zo werkt tunnelvisie nu eenmaal. Vollebekk heeft een melancholieke stem met een klein gruizig randje. Precies hoe zijn liedjes klinken. Dat begint al bij de opener ‘The Way that You Feel.’ ‘Never be Back’ is een curieus rap experiment en ‘Hot Tears’ is de single. De klapper is het vierde nummer. Transatlantic Flight vind ik het beste liedje van 2019. Die heb ik dan ook hoog op mijn Top2000 en Snob2000 lijstjes gezet. Benieuwd of ik daar dit jaar nog iets van terug zal zien, waarschijnlijk niet. Daarom hier alvast de oproep voor volgend jaar: zet Transatlantic Flight op uw lijstjes voor 2020. Laat Leif niet met zijn Vollebekk vol tanden staan. (Of is die te makkelijk?)

Stay Around – JJ Cale

Van de doden niets dan goeds, dat moeten de vrouw en de manager van JJ Cale gedacht hebben toen ze ‘Stay Around’ uitbrachten. De beste man had immers al meer dan zes jaar geleden het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld en dan komt zo’n nieuwe plaat toch een beetje uit de hemel vallen. En ja, nieuw, voor ons liefhebbers wel. Wij wisten immers niet dat deze vijftien nummers ooit opgenomen waren. Maar nu wel en kunnen we ze ook horen. Gelukkig zit er niets verrassends bij. Het is net-als-altijd-JJ-Cale-Americana, in het niemandsland tussen country en jazz. Nieuwe zieltjes zal hij er niet mee winnen, maar dat kon Cale al niet schelen toen hij nog onder de levenden was. Gewoon een plaat to Stay Around. Weggaan kan altijd nog.

Activate Infinity – The Bad Plus

Met ‘Avail’ valt The Bad Plus nogal met de deur in huis, maar op het tweede nummer ‘Slow Reactors’ wordt alles weer even strakgetrokken. Dan besef je dat er ook in jazzmuziek oorwurmen bestaan, van die liedjes die je niet meer uit je hoofd krijgt. De nieuwe pianist Orrin Evans klingelt een heerlijk simpel melodietje, waarop bassist Reid Anderson en drummer Dave King lekker doorgroven. Het is het basisrecept voor dit hele album. Geen covers van popmuziek dit keer, zoals nog wel op vorige platen als ‘It’s Hard’ en ‘These are the Vistas’. Evengoed wel een prachtige jazzplaat tegen de rock aan. Helemaal not so Bad Dus.

Marc Copland – And I love her

Marc Copland begon zijn muzikale carrière ooit als alto saxofonist, maar is gelukkig voor ons overgestapt op de piano. Want wat maakt deze man een mooie muziek, zeg. In tegenstelling tot de Bad Plus, dat tegen rock aan zit, is ‘And I love her’ wel heel echte jazz. Met echte jazz bedoel ik natuurlijk niet van die bitterballen bigband herrie van je opa, of van die VVDemocratische dixieland. Ik heb het hier over een pianotrio dat improviseert op bestaande liedjes en daar op haast telepathische wijze nieuwe nummers van maakt. Microfoontje erbij, jammen en klaar. Het album begint met een schitterende uitvoering van Afro Blue, gaat swingend door naar Cantaloupe Island en komt dan vijf nummers later terecht bij ‘And I love her.’ Inderdaad, die van The Beatles, but not as we know it Captain. Probeer het eens, zou ik zeggen. Het staat gewoon op Spotify. Gratis bij de rest van je abonnement.

Esbjorn Svensson Trio – Live in Gothenburg

Vorig jaar schreef ik over een nieuwe CD met oude live opnamen van Esbjorn Svensson Trio. “Esbjorn Svensson was een groot talent uit de Europese jazz die tien jaar geleden door een duikongeval om het leven kwam. Dit jaar kwam voor mij onverwachts een nieuw album uit van zijn pianotrio e.s.t., ‘Live in London’. Met alle bekende nummers, zo goed gespeeld dat je spontaan heimwee krijgt naar 2008.” En het feest is nog niet afgelopen. Nu is er alweer een nieuw oud album, ‘Live in Gothenburg.’ Door Svensson altijd genoemd als zijn beste concert en dat hoor je: wat een topplaat.

Mon Chien Stupide – Brad Mehldau

Negen uur heb ik in 2019 naar Brad Mehldau geluisterd, volgens Spotify. Daarmee stond ie op nummer één, voor Nick Cave en Van Morrison. Die brachten dit jaar niks bijzonders uit, maar Mehldau wel: de filmmuziek bij ‘Mon Chien Stupide.’ Met prachtige uitvoeringen van ‘And I love her’ (jawel) en Paranoid Android. Overigens ook een hoop niemendalletjes, typisch filmmuziek. Dat is dus precies wat er verandert door Spotify. Op CD had ik het niet gekocht, maar nu heb ik alle nummers die boven de vier minuten klokten in mijn openbare playlist ‘So this is Jazz’ gezet. Daar glinsteren ze nu tussen 228 andere juweeltjes.

TaxiWars – Artificial Horizon

We moeten het hebben over TaxiWars. Uit België. Ergens in 2018 liep ik tegen hun tweede plaat aan, Fever. Die kwam uit 2016 en paste zodoende niet in het lijstje van vorig jaar. Anders had ie er zeker in gestaan. Dit jaar was daar opeens de derde plaat, ‘Artificial Horizon’, en die is zo mogelijk nog beter. TaxiWars is namelijk de ontbrekende schakel tussen jazz en rock. Alleen is het geen fossiel, maar een afstammeling. Dit is muziek die volledig op zichzelf staat, een eigen genre vormt, en toch nooit had kunnen bestaan zonder de voorouders. Dit is de hoop dat de mens nog steeds evolueert en zich kan verbeteren. Dit is de nieuwste incarnatie van Tom Barman, ooit van dEUS. Dit is de beste plaat van 2019. Follow that car.

De beste muziek van 2018

Leestijd: 6 minuten

Al het goede kwam in drieën

Wat was dit een goed muziek jaar, zeg. Er waren zo veel plaatjes die een enthousiaste reactie bij me op riepen dat ik de grootste moeite had om er een Top Tien uit te selecteren. Dat heb ik dan ook niet gedaan: ik heb er een Top 18 van gemaakt. Een bottom up Top 18 van 18: 6 categorieën van drie plaatjes die opmerkelijk goed bij elkaar pasten.

De beste 18 van 18 kwamen in rotten van drie

Het gaat helemaal vanzelf, je doet er niks aan. Ieder met een linkje naar een liedje. Makkelijker kan ik het niet maken. Kijk maar.

Tributes aan anderen of jezelf

José James kwam dit jaar met een prachtige tribute aan Bill Withers. Daarop staan tedere interpretaties van hits als ‘Ain’t no sunshine’ en ‘Just the Two of Us’. Dat José goed kon zingen wisten we al, nu horen we dat hij ook goed kan arrangeren: gloedvolle soul met een jazzy feel. Je kan er gerust op leunen.

Willie Nelson besloot op zijn oude dag een ode te maken aan zijn vriend Frank Sinatra en zette elf van diens klassiekers op het album ‘My Way.’ Met big band en strijkers, maar zonder de bombast van de originelen. Daarvoor in de plaats de ingetogen stem van Willie, die het tot een zeer subtiel en genietbaar album maken.

Paul Simon maakte als enige een tribute aan zichzelf. ‘In the Blue Light’ bevat tien nieuwe uitvoeringen van songs uit zijn oeuvre die volgens Paul te weinig aandacht kregen. Daarvoor kreeg hij medewerking van kanonnen uit de jazz, zoals gitarist Bill Frisell en trompettist Wynton Marsalis. Het resultaat doet zich afvragen waarom hij het niet eerder deed. Prachtige plaat.

Oude mannen met nieuwe muziek

Bozz Scags was ik volledig uit het oor verloren sinds zijn hit ‘Lido Shuffle’ uit 1976. Lang geleden dus. Groot was mijn verrassing dan ook toen hij opeens met deze jazzy bluesplaat aan kwam zetten. Met eigen werk en een paar covers, waaronder een prachtige uitvoering van ‘On the Beach.’ U weet wel, van Neil Young.

John Hiatt is op ‘The Eclipse Sessions’ meer Hiatt dan ooit. Nimmer klonken zijn rauwe nummers zo rauw en zijn ingetogen songs zo ingetogen. Als je Hiatt’s muziek opzet weet je wat je krijgt, maar nog nooit zo veel als nu. Misschien wel zijn beste plaat.

Van Morrison moet haast wel denken dat zijn tijd er bijna op zit. In een razend tempo levert hij platen af, de één nog beter dan de ander. ‘The Prophet Speaks’ is zelfs zijn tweede album van 2018. Merendeels met covers die hij naar zijn eigen hand zet, en deze keer drie nieuwe liedjes erbij van hem zelf. Die naadloos inpassen tussen de rest.

Nieuwe hoop in oude muziek

Jonathan Jeremiah leverde met ‘Good Day’ zijn vierde plaat af, maar voor mij is het de eerste. En gelijk de beste: een prachtig soulvol album met een geweldige retro feeling. Alsof de tijd heeft stil gestaan.

Jamison Ross maakte met ‘All for One’ de beste plaat die Terence Trent Darby nooit gemaakt heeft. New Orleans blues – soul – jazz in optima forma, met Jamison zowel aan de vocals als op de drums. Lekker hoor.

De laatste nieuwe hoop hoorde ik het eerst op Radio 2 en is van de The Marcus King Band. Met ‘Carolina Confessions’ levert de pas 22 jarige King een geweldige plaat op, bluesy soul met toeters en een orgeltje. En wat een strot. Nu al. Moge hij de club van 27 ruimschoots passeren.

Jazz uit Europa

Esbjorn Svensson was een groot talent uit de Europese jazz die tien jaar geleden door een duikongeval om het leven kwam. Dit jaar kwam voor mij onverwachts een nieuw album uit van zijn pianotrio e.s.t., ‘Live in London’. Met alle bekende nummers, zo goed gespeeld dat je spontaan heimwee krijgt naar 2008.

Mansur Brown is een beest van een gitarist uit de London jazz scene die op diverse platen van collega’s speelde, zoals Black Focus van Yussef Kamaal. Nu debuteert hij met Shiroi, hip hop georiënteerde fusion waar Prince volgens mij nooit ver weg is. Ook al wordt er niet gezongen.

Nik Bartsch timmert al vanaf 2001 aan de weg met een minimalistische vorm van muziek die hij zelf Zen Funk noemt. Awase is zijn nieuwste plaat en betekent ‘samen bewegen’. Dat doe ik dan vanuit de luie stoel, met de rechter voet ritmisch op de vloer. Rustig aan, want het kortste nummer klokt 8 minuten en het langste 18. Voor Awase hebbe men geen haast.

Blues muziek

Cedric Burnside is de kleinzoon van R.L. Burnside die met Benton County Relic zijn eerste solo album op de markt brengt. Slechts begeleid door een drummer knalt hij de ene rauwe bluesbom na de ander voor je voeten, zodat je na 46 minuten blij bent dat het voorbij is. Even bijkomen voor de volgende aanval

Buddy Guy is inmiddels al weer 82 jaar oud en maakt nog steeds nieuwe plaatjes. ‘The Blues is (dus) Alive and Well’ en Buddy viert dat met gastoptredens van Jeff Beck, Keith Richard en Mick Jagger. Niet dat hij die echt nodig had om één van de beste bluesplaten uit 2018 te maken. Laat Shady Pines nog maar even op hem wachten.

Walter Wolfman Washington doet het op zijn 74e wel wat rustiger aan en kwam met ‘My Future is My Past’. Tien pareltjes voor in de lounge, smooth met een glaasje whisky die de oude Walter al in het eerste nummer ‘Lost Mind’ voor je inschenkt. Op voor je het weet.

NOLA Jazz

Van Angel Sucheras weet ik helemaal niets dan dat hij piano speelt en een album afleverde met de titel ‘New Orleans Spirits’. En dat zit er dan ook meer dan voldoende in. Swingende NOLA Jazz met hier en daar wat zang. Een plaatje om vrolijk van te worden.

Over Delvon Lamarr Organ Trio is gelukkig wel meer te vertellen. ‘Close but no Cigar’ is dampende orgelswing met knisperend gitaarwerk dat zelfs je familiefeest tot een eh nou ja feest maakt. Oorspronkelijk uit 2016 en in eigen beheer uitgebracht, nu gelukkig via een major label ook voor u en mij beschikbaar. Opletten bij gebruik in de auto, dat wel.

John Medeski komt helemaal niet uit New Orleans, maar uit Medeski, Martin en Wood. Voor Mad Skillet maakte hij echter een uitzondering en haalde hij zijn bandje uit The Big Easy, inclusief een souzafoon voor de bas. Het resultaat is verdorie heuse echte NOLA Jazz. Met hier en daar wat schurends, omdat ie anders niet meer terug mag naar Martin en Wood. En dat zou ook zonde zijn.

Van 2019 is ook een jaarlijst. Kijk maar eens hier.

Alfa Mist – Antiphon

Leestijd: 2 minuten

De cameralens lijkt een beetje geblurred, of misschien is het wel de ochtendzon die door het venster schijnt. We zien een klassiek roederaam, waarschijnlijk van een oud pakhuis, met opgebonden touwen aan haken ernaast. Zou het dan toch een gymzaal zijn?

De woorden ‘Mahagony sessions’ verschijnen in beeld en er begint zachtjes een piano te spelen, een betoverend, repetitief deuntje. De camera zwaait voorzichtig naar rechts, nog meer touwen aan de muur en daar komt de achterkant van een schilderij in zich. Het beeld zwenkt verder door en zoomt in op een drummer, die gelijktijdig begint te spelen met een nog onzichtbare trompet. Het doek gaat op en daar is de hele band: Alfa Mist in een oud theater, ergens in Londen.

De magie zwelt verder aan als Alfa Mist het nummer Keep On helemaal uitrolt en ook de gitarist losgaat. Het klinkt retestrak, zonder de beelden erbij zou je denken dat het een producer is die alles aan elkaar heeft gemixed. Dat is overigens niet zo’n gekke gedachte: Alfa Mist is van origine een hiphop producer en is pas later jazzmuziek gaan maken. Hij leerde zichzelf piano spelen en muziek componeren. Opnemen kon ie al.

Het resultaat is te horen op Antiphon, een meditatieve jazzplaat, met invloeden uit soul en dance. Uitermate geschikt voor de late zondagmiddag, het valt als een warme deken over je heen met voldoende ruimte voor een glaasje lekker erbij. Alles live ingespeeld door andere coryfeeën uit de London jazzscene, zoals Jamie Houghton op drums, Jamie Leeming op gitaar en Rudi Creswick op bas. Je ziet hen ook spelen in de clip van de Mahagony sessions. Gitarist Mansur Brown verdient het om hier ook nog even apart genoemd te worden, ook hij speelt mee op Antiphon. Luister eens naar zijn solo op Kyoki en je weet dat Prince een waardig opvolger heeft gevonden. Check ook even deze video: wat een gitaarbeul. En wat een drummer.

Deze plaat van Alfa Mist is alweer uit 2017 en het is mijn favoriete cd uit de hausse aan UK-jazzmuziek van de afgelopen jaren. Daar zit een hele nieuwe generatie muzikanten die invloeden uit allerlei muzieksoorten aan elkaar verbindt, met jazz als de gemeenschappelijke noemer. Spelen is daarbij belangrijker dan zittend luisteren en de scene bevolkt dan ook een groot aantal clubs in met name Dalston. Ze spelen in elkaars band en op elkaars plaat en dat leverde al vele juwelen op. Naast Antiphon van Alfa Mist zijn deze platen ook zeer de moeite waard:

Yussef Kamaal – Black Focus

Nubya Garcia – Nubya’s Five

Binker and Moses – Alive in the East

GoGo Penguin – Humdrum Star

Hopelijk is de Brexit niet te hard om deze muziek zachtjes te laten landen in de rest van Europa. Het is ons van harte gegund.

The Philadelphia Experiment – The Philadelphia Experiment

Leestijd: 2 minuten

The Philadelphia Experiment is een complottheorie van het soort Area 51, alleen zitten er geen aliens in. Het verhaal is dat er in 1943 experimenten zouden zijn gedaan met de USS Eldridge om het schip ontraceerbaar voor radar te maken. Zelfs Einstein zou erbij betrokken zijn geweest, vanwege zijn bemoeienis met de Unified Field Theory.

Sterke elektromagnetische velden moesten het schip onzichtbaar maken, maar in plaats daarvan werd de Eldridge geteleporteerd van Philadelphia naar Norfolk in een grote groene mist. Daarbij zouden sommige matrozen volledig verdwenen zijn, terwijl anderen versmolten met het dek of de wanden van de torpedobootjager. Het leger zat zo in zijn maag met die situatie dat ze iedereen die erbij betrokken was gehersenspoeld zou hebben. Zegt de complottheorie. Gelukkig hebben we de foto’s nog.

USS Eldridge omstreeks 1944

Van dat alles was ik mij overigens niet bewust toen ik in 2001 een plaatje van The Philadelphia Experiment uit de bakken viste. Hee, dacht ik, Questlove op drums. Die is toch van The Roots? Wat moet die nu met een onbekende bassist (Christian McBride) en toetsenist (Uri Caine)? Laat ik maar eens even gaan luisteren.

Het eerste nummer start aarzelend op met een Fender Rhodes, daarna een spaarzame bas en het geluid van een ijle trompet, in de verte. Dan valt Questlove in met zijn overbekende minimal snaredrum en opeens klinkt er een vette funky band met subtiele gastsolo’s op gitaar (Pat Martino) en trompet (John Swana).

De volgende nummers, Grover en Lesson 4 liggen een beetje in het verlengde daarvan. Call for all Demons is een cover van Sun Ra en buitencategorie coole groove. Het begint met een retestrak ritme van Questlove die hij het hele nummer volhoudt. Ondertussen wisselen Caine en McBride hun swingende solo’s af en doet McBride zelfs een wedstrijdje how low can you go.

Al luisterend word ik steeds enthousiaster. Zou dit dan mijn eerste jazzplaatje worden? Ile Ife Man en The Miles Hit grooven er vervolgens zo ijskoel op los dat ik verkocht ben. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de onderkoelde shuffle die ze van Marvin Gaye’s Trouble Man hebben gemaakt. Wat een geweldige plaat. Zelfs de cello uitvoering van Elton John’s Philadelphia Freedom is geslaagd.

Als dan McBride in het laatste nummer Just the Two of Us improviseert op zijn bas (hij begint op ongeveer 04.32 in dat nummer, een soort hidden track) kan deze cd voor mij niet meer stuk. Het is pas thuis dat ik besef dat ik, als metalhead, een funky jazzalbum heb gekocht. Of is het een hiphop soulplaat? Ik zou het niet weten, maar ik krijg er hoe dan ook altijd een goed humeur van, anno 2018 nog steeds. En dat is wat telt. Met die metal was het daarna trouwens snel afgelopen.

© 2020 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑