Wanderings

Tag: herdenken (Pagina 1 van 4)

De ereboog van Veenhuizen

Leestijd: 3 minuten

Wat doet een mens zoal in de zomer? Paar daagjes weg. Boeken en kranten lezen. Over dingetjes nadenken. En er een stukkie over schrijven.

Zo ging ik in de zomer van 2012 geheel bij toeval een weekend naar Veenhuizen. Een prachtig dorp in een prachtige omgeving. Bij de eerste wandeling kwamen we al langs een gebouw dat zo maar een brandweerkazerne kon zijn. Echt heel duidelijk was het niet, maar soms voel je die dingen gewoon aan. De volgende dag, het was inmiddels 16 juni geworden, kwamen we er weer langs.

Post Veenhuizen

Nu stonden de deuren open en liep er een aantal mannen rond. Bezig met shaggies draaien, pleintje aanvegen en een vlag ophangen. In zo’n typisch brandweersfeertje die ik u niet uit hoef te leggen.

Dat vlag hijsen viel trouwens nog helemaal niet mee, zag ik uit een ooghoek. Er bleken ingenieuze trucs noodzakelijk om de vlag op z’n plek te krijgen. Welke precies heb ik niet gezien, ik was ondertussen namelijk quasi geïnteresseerd een naastgelegen cadeauwinkeltje ingelopen, waardoor één en ander aan het oog onttrokken werd. Wel kon ik zo nu en dan een blik door het winkelraampje werpen, kijken wat ze allemaal aan het doen waren.

De voorbereidingen worden gestart

Dat werd al snel duidelijk. Post Veenhuizen was bezig zich voor te bereiden op de ereboog ter gelegenheid van de onthulling van het Brandweermonument. Hier ontvouwde zich een nieuw toeval. Want eigenlijk had ik besloten om niet naar de formele onthulling in Arnhem te gaan. Liever zou ik op mijn eigen manier gedenken, had ik bedacht.

Maar nu stond ik hier toch opeens bij een brandweereenheid die ging meedoen aan die formele herdenking. Door net als heel veel andere kazernes en posten op dezelfde tijd een ereboog te spuiten.

Zo veel toeval kon geen toeval meer zijn. We besloten te blijven kijken en op die manier verbonden te zijn met heel brandweer Nederland, ter herinnering aan gevallen collega’s.

Precies om 14.30 klonk in Veenhuizen het bevel ‘Water’. Waarna de ereboog tot stand kwam. Het was indrukwekkend om op deze onverwachte eigen manier aan de nationale herdenking deel te nemen.

De ereboog

Mijn gedachten dwaalden ondertussen af naar een intrigerende zin uit het gedenkboek van De Punt. ‘Dat wat geleerd moet worden, herhaalt zich’.

Laat ons van de geschiedenis leren en voorkomen dat dodelijke ongevallen zich herhalen. Laat ons tegelijkertijd van de geschiedenis leren dat dat niet vanzelf gaat. Leren is hard werken, vraagt om offers: tijd, verandering en opgeven van individuele standpunten, individuele meningen. Offers die soms kunnen voelen als het opgeven van een deel van je zelf. Bedenk dan dat het opgeven van een deel van je zelf altijd beter is dan het geven van het ultieme offer, je hele zelf, je leven.

Over dit en nog een paar dingetjes dacht ik na deze zomer, terwijl ik naar de ereboog van Post Veenhuizen keek.

Dit blog is onderdeel van het thema ‘herdenking en verlies.’ Het is in 2012 geschreven als column in de reeks Ome Ed / Punt Edu en licht aangepast voor de website. De laatste update is van 20 juni 2020.

Aanslagen in Brussel; Maalbeek en Zaventem

Leestijd: 5 minuten

Deze pagina over de aanslagen in Brussel is een combinatieblog uit het thema ‘herdenking en verlies.’ Het begint met een essay over de betekenis die het incident voor mij heeft. Daarna volgt een visual note met de leerpunten van ‘de mannen van ploeg C.’ Aansluitend vind je een feitelijke omschrijving van de gebeurtenissen, gevolgd door filmpjes die een goed beeld geven van de situatie ter plekke. Het wordt afgesloten met links naar andere informatiebronnen.

When evil men plot doen wij de deur op slot

De verhouding tussen safety en security wordt al sinds jaar en dag geïllustreerd met het verhaal van de nooduitgang. Vanuit safety zou je het liefst de deur open houden, zo vertelt men dan, terwijl je vanuit security de deur juist op slot wilt. Een regelrechte tegenstelling. Meestal verliest de security maatregel het dan van safety. Het voorkomen van criminaliteit scoort vanouds namelijk lager dan het voorkomen van slachtoffers door ongevallen. Een uitermate logische redenatie, zo vond ik ook altijd. Tot nu toe.

Natuurlijk is het zo dat de patstelling van de nooduitgang met allerlei technische hulpmiddelen opgelost kan worden. Maar daar gaat het mij nu even niet om. De vraag die ik heb is of we allerlei vanzelfsprekendheden in onze voorbereiding op rampen en ongevallen niet opnieuw tegen het licht moeten houden na de aanslagen in Parijs en Brussel? De laatste terroristische aanslagen zijn nietsontziend en veroorzaken een sterk onveiligheidsgevoel omdat het elke keer lijkt of er geen einde aan komt: nog een schietpartij, en nog één, en nog één, het houdt niet op. En dan ook nog eens door zelfmoordterroristen die al door hun laatste remming heen zijn en geen grens in hun wreedheid meer kennen.

Dat geeft de laatste aanslagen een nieuwe dimensie. Niet meer één klap en dan voorbij. En ook niet meer aangekondigd, wat bij Westerse terreurgroeperingen vroeger toch wel een soort erecode was. Gaat safety in deze nieuwe werkelijkheid dan nog steeds automatisch boven security? Of moet je in sommige situaties toch voor een andere invalshoek kiezen?

Kijk ter illustratie eens naar de openbaarheid van informatie op internet. In de voorbereiding op aanslagen is het verzamelen van informatie een belangrijke factor. Het internet is een zegen voor de terrorist. Alles wat hij nodig heeft staat online. Plattegronden, rampbestrijdingsplannen, schadecirkels, opslag gevaarlijke stoffen, positie en bereikbaarheid van risicovolle bedrijven, noem maar op. Ooit openbaar gemaakt vanuit het nobele streven om burgers meer inzicht te geven in de risico’s van hun woonomgeving en nu een factor die de kans en impact van een aanslag kan beïnvloeden.

De vraag is: moet echt alles op deze manier online, of moet je strategischer over planvorming en risico’s communiceren vanuit een nieuwe security awareness? Wees kritisch over al je openbare informatie-uitingen en kijk er nog eens naar met de blik van een terrorist, zoals je een ethische hacker je cybersecurity laat testen. Zou je dan nog steeds alles online zetten?

Visual note: de mannen van ploeg C

Korte omschrijving aanslagen in Brussel

  • Datum: 22 maart 2016
  • Locatie: Vertrekhal vliegveld Zaventem en metrostation Maalbeek.
  • Type incident: Explosie door bomaanslag, gevolgd door kleine restbranden. Veel glasscherven en weggeslingerd interieur.

Bijzonderheden

  • Op 22 maart 2016 gaat er omstreeks 08.00 een bom af in de vertrekhal van vliegveld Zaventem in Brussel. Een paar seconden later gaat een tweede bom af nabij een Starbucks filiaal. De aanslagen vinden plaats nog voor de securitycheck in het openbaar gebied van de luchthaven.
  • Een derde bom wordt later gevonden, nog niet afgegaan maar wel op scherp. Het blijkt de zwaarste bom van de drie te zijn, met grote nevenschade tot gevolg omdat besloten werd deze af te laten gaan in het terminal gebouw.
  • Er komen 14 mensen om het leven, inclusief twee daders en er raken ongeveer honderd mensen gewond. De verwondingen van de slachtoffers zijn heftig en doen denken aan oorlogsgebied.
  • Het schadebeeld in de Terminal is chaotisch. Veel glasscherven, zowel binnen als buiten. Plafonds en armaturen zijn naar beneden gekomen en maken het gebied moeilijk toegankelijk.
  • Ongeveer een uur later, om tien over negen, ontploft een bom in een metrostel dat net station Maalbeek had verlaten. Er komen 21 mensen om het leven, inclusief de dader. Zeventien mensen raken zwaar gewond. Veel reizigers brengen zich via de metrogangen in veiligheid.
  • In totaal komen er 35 mensen om het leven.
  • De dreigingsstatus van België wordt verhoogd naar 4, het zwaarste niveau. Veel openbare activiteiten worden stil gelegd. Mensen wordt gevraagd niet naar het centrum te komen. Twee weken later wordt het dreigingsniveau weer terug gebracht naar 3.
  • Communicatienetwerken raken overbelast, zowel portofoonkanalen als mobiele telefonie. Het publiek wordt gevraagd zo min mogelijk gebruik te maken van telefonie om de crisisbestrijding niet extra te belasten.
  • Op 3 april 2016 gaat de luchthaven beperkt in gebruik. Tentconstructie en extra controles leiden tot lange wachtrijen, waardoor veel mensen hun vlucht missen.
  • Pas op 2 juni is de herbouw gereed en kan Zaventem weer volledig open.
  • De metro rijdt weer vanaf 25 april dat jaar.

Effecten in Nederland

De bomaanslag op Brussel brengt ook in Nederland een schokgolf teweeg. Nu komt het opeens wel heel erg dichtbij. Niet iedereen is daar overigens direct van onder de indruk. Bij sommige directeuren van veiligheidsregio’s leeft de overtuiging dat een aanslag niets anders is dan normaal grootschalig optreden waar geen extra voorbereiding op nodig is. Na de eerste analyses kantelt dit beeld gelukkig en gaan diverse partijen van de Nederlandse brandweer en rampenbestrijding hard aan de slag om zich voor te bereiden op terrorismegevolgbestrijding (TGB).

In betrekkelijk korte tijd wordt onder andere een handreiking TGB opgeleverd, gevolgd door een ELO module voor de eerste inzet. Er worden diverse multidisciplinaire oefeningen georganiseerd om de afstemming tussen blauw, rood en wit te onderzoeken en protocoleren. Dat leidt onder andere tot een zonering van aanslagen waarop de taken van de verschillende hulpdiensten worden georganiseerd. Brandweermensen worden opgeleid voor optreden in de warm en cold zone. Bij de GHOR en ambulancediensten worden maatregelen genomen om het slachtofferbeeld van een aanslag adequaat te kunnen behandelen.

Ruim een jaar verder is goed zichtbaar dat de bomaanslag op Brussel ook in Nederland heeft gezorgd voor een verdere professionalisering van de hulpdiensten. In die zin zijn de explosies in Zaventem en Maalbeek echte veranderbranden en horen ze in de brandweercanon thuis.

Film

Links en nadere informatie:

Op Rizoomes verschenen al vanaf januari 2016 blogs over brandweeroptreden in vijandige en gewelddadige omgevingen, onder andere als gevolg van ongeregeldheden bij de jaarwisseling 2016. Zie bijvoorbeeld hoe word je brandweerbaar en het blog over tactische brandweerbaarheid. Geweld en agressie liggen volgens Rizoomes in een spectrum verdeeld over diverse kleurcoderingen, waarbij code black staat voor een terroristische aanslag. When evil men plot stelt vragen over de security kant van safety: misschien moet safety niet altijd meer leidend zijn, maar security. Om de safety te waarborgen. Het is inderdaad een paradox.

Dit gebeurde er in de laatste dagen voor de aanslag op Brussel. Reconstructie van wat er zich afspeelde bij de terroristen voordat ze hun aanslag pleegden

Wereld staat stil bij de aanslagen in Brussel. Liveblog van de NOS. Inmiddels gesloten, maar nog wel allemaal terug te zien.

Terrorismegevolgbestrijding. Site van Brandweer Nederland, met o.a. een link naar een documentaire over de eerste uitruk naar Zaventem.

Optreden na een aanslag. Site van Brandweer Nederland, met o.a. een link naar het kennisdossier Terrorisme. Daar moet je wel autorisatie voor hebben.

Special Operations Team van Ambulancezorg Amsterdam. Het S.O.R.T. wil op drie gebieden gespecialiseerde respons geven; Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB), Terrorisme Gevolg Bestrijding (TGB) en Evenementen.

Aanslagen in Brussel. Wikipedia met een overzicht van de gebeurtenissen.

Dit blog is onderdeel van het thema herdenking en verlies. Laatste update is van 3 juni 2020.

Wandelend herdenken over de Waalsdorpervlakte en het Ereveld Loenen.

Leestijd: 7 minuten

De Waalsdorpervlakte is bij veel mensen bekend als de plek waar de Tweede Wereldoorlog op 4 mei wordt herdacht. Maar er is meer over te vertellen. Zo loopt er bijvoorbeeld via mijn familie een link naar het Ereveld in Loenen, waar we bij toeval achter kwamen tijdens enkele wandelingen. Die begon in Meijendell.

Meijendell

Wie van wandelen houdt, kan beter niet naar Meijendel gaan. Je struikelt er over de kinderwagens en op de verharde paden is het buitengewoon druk, alsof je in de stad tussen toeristen loopt. De drukte wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat grote delen van het gebied zijn afgesloten voor publiek en iedereen zich dus over een beperkt aantal paden moet wurmen. Er vindt namelijk ook waterwinning plaats door Dunea en onnodige vervuiling moet zo veel mogelijk voorkomen worden.

Die wandelbeperking is dus wel logisch, maar het is voor de liefhebber van het onverharde pad in rustige natuur toch even slikken. Bomen zijn er dan weer wel genoeg, dus als je het daar om te doen is, moet je misschien toch maar eens gaan kijken.

Waalsdorpervlakte

En als je daar bent, loop dan zeker ook langs het monument op de Waalsdorpervlakte. Sowieso omdat je altijd aandacht moet hebben voor oorlogsmonumenten. Daar worden de mensen herdacht die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. Dat is normaal al goed om te beseffen, maar in het huidige tijdsgewricht, met al die oplopende spanningen tussen landen en bevolkingsgroepen is het helemaal goed om even stil te staan bij wat een oorlog betekent.

Het is daarnaast ook interessant om de vlakte eens in het echt te zien en je er over te verbazen hoe klein het eigenlijk is, als je het vergelijkt met de jaarlijkse televisiebeelden van de dodenherdenking op 4 mei. Want dat is waar de meeste mensen de Waalsdorpervlakte van kennen.

Voor mij persoonlijk heeft de Waalsdorpervlakte ook een positieve herinnering uit mijn jeugd. Mijn opa en oma Meevers Scholte woonden er niet ver vandaan. Bij de vlakte linksaf en dan waren we er al bijna. Welke verschrikkingen zich er in de Tweede Wereldoorlog hadden afgespeeld wist ik als kind niet. Misschien had ik er dan een andere associatie bij gehad.

Vlakbij de Waalsdorpervlakte zit ook de oude gevangenis van Scheveningen. Tegenwoordig is het een oorlogsmonument, onder de naam Oranjehotel. Ruim 25.000 mensen hebben er in de oorlog gevangen gezeten, waaronder bekende mensen als Hein Polzer (Drs P), Simon Vestdijk en Erik Hazelhof Roelzema, de Soldaat van Oranje. Voor zover bekend zijn er minimaal 734 mensen in de gevangenis om het leven gekomen.

18 dooden

De eerste massa-executie in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog vond plaats op de Waalsdorpervlakte op 13 maart 1941. Achttien mensen werden gefusilleerd. Jan Campert maakte er het beroemde gedicht ‘de 18 dooden’ over.

Het gedicht ‘De achttien dooden’ van Jan Campert. Campert werd zelf gearresteerd toen hij Frans van Raalte hielp vluchten in Baarle Nassau. Uiteindelijk overleed hij in 1943 in kamp Neuengamme.

Naar schatting zijn er tussen de 250 en 280 mensen door de Duitsers gefusilleerd daar in de duinen. Direct na de oorlog werd het eerste monument geplaatst, in de vorm van vier houten kruizen. Later is dat monument vervangen door bronzen replica’s.

In april 1959 werd de grote Bourdonklok geplaatst, vlak bij het monument. Op de rand van de bel staat een tekst van Cleveringa:

Ik luid tot roem en volging van hen

die hun leven gaven tot wering van onrecht,

tot winning der vrijheid en

tot waring en verheffing

van al Neerlands geestelijk goed.

Bij elke herdenking wordt de klok geluid, beginnend om vijf voor half acht en eindigend vlak voor acht uur. Na twee minuten stilte klinkt het Wilhelmus en daarna loopt de stille tocht langs het monument, wederom begeleid door de grote Bourdon. Pas als de laatste bezoeker het monument heeft gepasseerd, stopt de klok met luiden.

Verboden toegang

Die tekst van Cleveringa op de rand van de klok wilde ik wel eens van dicht bij zien, nu ik er toch was. Tot mijn grote verbazing stond er echter een groot ‘verboden toegang’ bord bij de trappen naar de klok. Het is kennelijk niet de bedoeling dat je er dicht bij komt.

Op het eerste gezicht kon ik me daar nog wel iets bij voorstellen, om vandalisme te beperken. Als je wilt voorkomen dat mensen de boel slopen moeten ze misschien inderdaad uit de buurt worden gehouden. Ik kan niet goed inschatten hoeveel er daar kapot wordt gemaakt.

Maar als vandalisme zo’n groot probleem is, zet er dan een echt hek neer met een stevig slot. En niet zo’n kniehoog raster waar je zo overheen stapt. Daar trekt een sloper zich natuurlijk niets van aan, van zo’n symbolisch hekje.

En opeens besefte ik dat bij het symbolische hekje mijn probleem zat. Want een monument is in zijn geheel een symbool, een plaats van eer en herdenking. Als het hekje slechts een symbolische anti-vandalisme werking had, waarom is er dan het symbool van het verbod geplaatst, met een verwijzing naar het strafrecht?

Het effect van deze vreemde maatregel is dat er nu een ‘verboden toegang’ bord staat bij een oorlogsmonument. Verboden om te herdenken, lijkt het. Waarom is er niet gekozen voor het symbool van respect, met een vraag om dit monument te eerbiedigen, zoals bij de vier bronzen kruizen verderop wel is gedaan? Dat zou veel beter passen. De toegang verbieden tot een oorlogsmonument is het verbieden van herdenken. Zo ver moeten we het niet laten komen.

Ereveld Loenen

Veel van de verzetsstrijders die gefusilleerd en begraven waren op de Waalsdorpervlakte zijn later herbegraven op het Ereveld in Loenen. Laatst was de Engelandvaarder Grisnigt op televisie, en hij zei onder andere dat hij vond dat er te weinig aandacht was voor de Nederlandse erevelden waar soldaten, verzetsstrijders en slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog begraven liggen.

Grisnigt heeft natuurlijk groot gelijk en dan moet je ook iets gaan doen wat verder gaat dan er alleen maar een mening over hebben. Omdat we al in de buurt van Loenen waren, besloten we om er een kijkje te nemen. En daar later dit blog over te schrijven.

Het ereveld van Loenen is een indrukwekkende plek, waar je gelouterd vandaan komt. Je loopt er over meanderende paden langs ontelbare graven. Allemaal met naam, geboortedatum en datum van overlijden. In het midden van het veld torent een groot wit kruis, dat vanuit elke plek zichtbaar is. Net naast de ingang van het veld staat een computer, waar je de naam van iemand die je zoekt in kan vullen. Nu waren wij niet op zoek, maar wel nieuwsgierig.

Tot onze grote verbazing kwam er toch een naam uit van iemand die mogelijk familie kon zijn: Gerard Hendricus Meevers Scholte, geboren op 16 augustus 1920 in Den Haag. Een onwaarschijnlijke link met de Waalsdorpervlakte die ik verder uitgezocht heb. En Gerard is inderdaad familie, zo blijkt uit een stamboom die ik van mijn oom Cees heb gekregen.

Na veel gepuzzel lijkt het er op mijn opa en Gerard achterneven waren. Hun beider opa’s waren broers, zonen van Antonie Hendrikus Johannes die geboren werd op het Noordwijkerhout, 2 oktober 1829. De vader van Gerard heette zelf ook Gerard Hendrikus en was aardappelbezorger in Den Haag. Hij overleed in 1952. De moeder van Gerard, Geertruida de Jonge, was op 36 jarige leeftijd al overleden in 1929. Verder is er over haar niets bekend in de stamboom.

Gerard was enigskind en heeft zelf ook geen nageslacht. Kennelijk werd hij op jonge leeftijd soldaat bij het Garderegiment Grenadiers en Jagers, dat in verschillende eenheden rondom Den Haag en Rotterdam was gelegerd. Op de één of andere manier moet hij vervolgens in Duitsland geraakt zijn. Met de bombardementen in Leipzig van 6 april 1945 werd die tak van de familie Meevers Scholte voorgoed afgebroken.

Den Vaderland getrouwe

Het ereveld van Loenen is niet ‘klaar’ nu de Tweede Wereldoorlog is afgelopen. Sinds 1988 worden militairen van de Nederlandse krijgsmacht die zijn uitgezonden en omgekomen tijdens vredesmissies, ook aangemerkt als oorlogsslachtoffer. Hierdoor kunnen zij op het ereveld Loenen begraven worden.

Tot nu toe vonden 11 uitgezonden militairen hier hun laatste rustplaats, waaronder Dennis van Uhm, de zoon van de toenmalige opperbevelhebber. Daarnaast wordt er nog steeds onderzoek gedaan naar de resten van onbekende verzetsstrijders, om die uiteindelijk ook hun naam te kunnen terug geven. Het monument voor de onbekende verzetsstrijder is symbolisch onder grond niveau geplaatst.

Op de rand van de schaal prijkt de tekst: Den Vaderland Getrouwe. Laten we hopen dat er op een mooie dag geen onbekende verzetsstrijder meer over is en iedereen geïdentificeerd is. Blijf dus herdenken, niet alleen op 4 en 5 mei. Ga af en toe eens kijken, op één van die vele oorlogsmonumenten in Nederland en sta stil bij al die mensen die hun leven voor de vrijheid gaven.

En als je daar toch bent, loop dan gelijk het Loenense Enkenpad. Een prachtig klompenpad van 11 kilometer. Bovendien combineert het prima: zowel wandelen als herdenken is een goede oefening voor de ziel.

Ereveld vol leven is een kort filmpje waarin achter elk graf een persoon plaatsneemt en de gevallenen zo een gezicht geeft. Ereveld vol leven. Indrukwekkend!

Dit blog is onderdeel van het thema ‘herdenking en verlies.’ De eerste update is van 27 juli 2017 over familiestamboom. Tweede update over Jan Campert op 2 mei 2020. Laatste update van 8 juni 2020

Fatale brand Arnemuiden

Leestijd: 3 minuten

Deze pagina over de brand in Arnemuiden is een combinatieblog uit het thema ‘herdenking en verlies.’ Het begint met het kort essay ‘machteloosheid’ over de betekenis die het incident voor mij heeft. Daarna volgt een feitelijke omschrijving van de gebeurtenissen, gevolgd door een filmpje dat een goed beeld geeft van de situatie ter plekke. Het wordt afgesloten met links naar andere informatiebronnen.

Machteloosheid

Als hulpverlener wordt je soms geconfronteerd met je eigen emoties tijdens een heftige inzet. Daar hoort verlies bij, angst, ontzetting. Boosheid misschien ook wel. Maar de ergste emotie is misschien wel machteloosheid. En ik bedoel dan echte machteloosheid. Niet dat er een gebouw volledig afbrand of zo. Of een stuk bos.

Nee, ik bedoel echte machteloosheid, machteloosheid die de kern van je mens-zijn raakt. Vergaan in het zicht van de haven. Zoals de mislukte redding bij de Kelders in Leeuwarden. De brandweermannen in De Punt, die hun collega’s zochten maar niet meer konden vinden. Net als bij de Motorkade. Die machteloosheid.

Toevallig trof ik in twee verschillende boeken indrukwekkende verhalen over precies dat gevoel. Het gaat om een brand in een Chinees restaurant te Arnemuiden, kerstavond 2007. De brandweer kon de vier meisjes die er woonden niet meer bereiken, het vuur was te heftig geworden voor een binnenaanval. Ik schreef er in twee eerdere blogs over, in de brandweercanon komen ze hier bij elkaar als illustratie van wat machteloosheid is.

Uit het blog de kunst van het verliezen

Soms kom je voor een onmogelijk en ethisch dilemma te staan, zoals het staken van een redding. Aart van Oosten beschrijft dit probleem op overtuigende wijze in het boekje ‘Dat ene dilemma’ over een fatale brand in Arnemuiden op kerstavond 2007. “Het betekende dat we niet meer gingen inzetten op het redden van de kinderen. Die beslissing vond ik enorm lastig, temeer omdat de vader naast me stond. (…) Ik voelde me machteloos naar ze toe, omdat ik geen hoop kon bieden.”

Uit het blog verhalen van de brandweer

Het verhaal ‘Meisjes’ van Jaco uit Arnemuiden begint nietsvermoedend met het afhalen van een Chinese maaltijd bij het restaurant in het dorp, waar hij later die avond naar moet uitrukken. “Die zal het toch niet zijn, schiet nog even door me heen, maar ja, die was het dus wel.”

“Opgeven kunnen we nog niet. We rennen naar de achterkant, maar daar slaan de vlammen uit alle ramen. We raken door onze opties heen. Het pand is de hoek van een rijtje, maar ook via het naastgelegen woonhuis kunnen we niks. De tijd tikt verder.”

Uiteindelijk moet de brandweer machteloos toezien dat vier kinderen het leven laten op de dag voor kerstmis. Het werd dat jaar geen mooie kerst in Arnemuiden.

Korte beschrijving van het incident

Datum24 december 2007, Kerstavond
Locatie en type objectWoning boven Chinees restaurant aan de Noordstraat in Arnemuiden
Type incidentUitslaande brand in oude binnenstad
Bijzonderheden
  • 4 meisjes van 1, 3, 7 en 8 jaar komen om het leven
  • Uitslaande brand wordt in paniek gemeld aan de AC.
  • Vlammen zijn bij melding vanaf de kazerne te zien, waarop tijdens het aanrijden al wordt opgeschaald naar grote brand en GRIP 1.
  • Bij aankomst werd eerst het restaurant verkend, niemand was daar meer aanwezig.
  • De trap naar boven was al geblokkeerd door hitte en rook. Daarom moest die reddingspoging worden afgebroken.
  • Een tweede aanval werd verricht via een ladder buiten om. Na verkenning van de woonruimte liepen brandweermensen door naar de overloop. Die bleek echter volledig in de brand te staan en was zo heet dat een verdere inzet onmogelijk was geworden.
  • Verdere reddingspogingen waren niet meer mogelijk door hevig ontwikkelde brand.
  • Goede samenwerking en opleiding van het Forensisch Team Opsporing van de politie zorgde er voor dat direct met de berging van de kinderen en het brandonderzoek gestart kon worden.
  • De dag er na zijn voorlichtingsbijeenkomsten gehouden voor bewoners in de buurt.
  

Film

Meer informatie

Dit is een blog uit het thema ‘herdenking en verlies.’ Laatste update is van 5 juni 2020.

Verhalen van de brandweer. Een boekbespreking

Leestijd: 4 minuten

Met enige regelmatig verschijnen er boeken over de brandweer, die meestal gaan over voertuigen, geschiedenis of techniek. Boeken over de brandweermensen zelf zijn zeldzaam, of het moet een duidelijke aanleiding hebben zoals een fataal ongeval. Over de brand in Harderwijk en De Punt verschenen bijvoorbeeld indrukwekkende gedenkboeken. En de brandweer Amsterdam Amstelland publiceerde in 2012 ter gelegenheid van het Jan van der Heijden een mooi fotoboek onder de titel ‘Brand!’.  Maar daarna wordt het een beetje stil in de boekenkast.

Tot begin oktober van dit jaar. Toen verscheen opeens ‘Verhalen van de brandweer’ van Mariette Middelbeek. Een boek dat tot mijn genoegen over brandweermensen gaat, verteld door en voor brandweermensen. Een boek ook dat gelijk allerlei herinneringen oproept aan je eigen belevenissen, omdat alles zo herkenbaar is.

Laanslootse weg

Het eerste wat bij mij naar boven kwam was mijn bevelvoerderstage aan de kazerne Laanslootseweg in Rotterdam. We schrijven zomer 1992. De 2e dag dat ik op die post was, zag ik er een kat slapen die ik de dag ervoor compleet gemist had. “Nee hoor”, zeiden ze, “poes houdt niet zo van de ploeg van gisteren. Dan blijft ze altijd een dagje weg.” Toen ik wat verbaast keek, glimlachten ze dat ik morgen maar eens op Ben, de brandmeester, moest letten. Dan zou wel duidelijk worden waarom de kazernekat soms een dagje oversloeg.

En inderdaad, het werd al gauw duidelijk. Op de grote grasvelden rondom de kazerne, richting het Sparta stadion, dartelde een clubje konijnen. Ben zette zijn hand tegen zijn voorhoofd om de zon uit zijn ogen te weren, tuurde in de verte, mompelde iets en verdween in de kofferbak van zijn auto. Vlak er na liep hij met een geweer het veld op en kwam even later terug met twee geschoten konijnen. “Stadsjager”, zei hij ter verduidelijking. “Ik ben één van de vijf stadsjagers.”

Deze herinnering kwam weer bij me boven door het verhaal ‘Plof’. Mij overkwam namelijk min of meer hetzelfde tijdens die stage in Rotterdam. Ik was een avond weg geweest voor een oefening, en toen ik weer terug kwam was de hele kazerne al donker. Iedereen lag al in één van de stapelbedden op de slaapzaal te ronken. Het was me een gesnurk van jewelste. Stilletjes kroop ik onder de lakens. De slaap kwam snel en ik was al onder zeil toen ik opeens een raar geluid hoorde. Alsof er lucht in een skippybal werd geblazen. Maar het bleek een ademluchtfles die een lagedruk kussen opblies. Ik raakte met mijn neus al zowat het bed boven me. Ik was kennelijk dieper in slaap dan ik zelf door had en in de tussentijd was mijn matras bijna een halve meter gelift. Tot grote hilariteit van de ploeg. Het leven op de kazerne is inderdaad nooit saai, zoals Eelco in het boek concludeert bij zijn verhaal ‘Plof’.

Eelco is niet de enige die verhalen van de brandweer vertelt. In totaal komen 15 brandweermensen aan bod, verspreid over het hele land, die een inkijkje geven in het leven bij de brandweer. Het is een feest van herkenning. Kazerneleven, oefenavonden, opleidingen, bijzondere ontmoetingen en spannende inzetten, het komt allemaal voorbij. Natuurlijk zitten er ook de sterke verhalen bij: ‘ring’ en ‘ketting’ vertellen over mensen die op onfortuinlijke wijze bekneld zijn geraakt tijdens amoureuze escapades en door de brandweer bevrijd moesten worden. Ik maakte het zelf nooit mee, maar hoorde meerdere van dergelijke anekdotes aan de eettafels in de kazernes van Amsterdam. Het waren vrolijke verhalen, die steeds mooier werden, steevast afgesloten met de kreet ‘is het niet waar, is het toch een mooi verhaal’.

Heftig

Middelbeek heeft echter niet alleen de leuke gebeurtenissen verzameld. Het verhaal ‘Meisjes’ van Jaco uit Arnemuiden begint nietsvermoedend met het afhalen van een Chinese maaltijd bij het restaurant in het dorp, waar hij later die avond naar moet uitrukken. Ergens in mijn achterhoofd ontstaat al lezend de herinnering aan die fatale brand uit 2007. “Die zal het toch niet zijn,” schiet nog even door me heen, maar ja, die was het dus wel. “Opgeven kunnen we nog niet. We rennen naar de achterkant, maar daar slaan de vlammen uit alle ramen. We raken door onze opties heen. Het pand is de hoek van een rijtje, maar ook via het naastgelegen woonhuis kunnen we niks. De tijd tikt verder.” Uiteindelijk moet de brandweer machteloos toezien dat vier kinderen het leven laten op de dag voor kerstmis. Het werd dat jaar geen mooie kerst in Arnemuiden.

Ook aangrijpend is het verhaal over Wiebe uit Veendam. “Wiebe is dood. Hij is buiten het pand onder een omvallende muur terecht gekomen en reanimatie mocht niet meer baten (..) De jongens die bij de brand zijn geweest, hebben zich op de kazerne verzameld. Ik zie ze zitten. Stoere brandweercollega’s, normaal niet voor één gat te vangen, nu gebroken bij elkaar.” Een herkenbaar beeld dat zonder effectbejag wordt verteld door Anka . Nergens wordt het overdreven emotioneel, maar gelukkig gebeurt het omgekeerde ook niet: waar er emoties horen te zijn, zijn ze er ook. Heftige inzetten worden in het boek besproken met de gevoelens die bij dergelijke situaties passen, inclusief korte inkijkjes over bedrijfsopvangteams.

Verhalen van de brandweer is een boek met een lach en een traan, met geluk en pech, met verdriet en plezier. Het is een staalkaart van de mensen die er werken, het is het leven zelf. Een mooi boek om cadeau te doen tijdens de feestdagen of om lekker zelf te houden. Want hij hoort gewoon wel in je kast te staan.

Meer verhalen over de brandweer lezen? Kijk eens bij het thema ‘herdenking en verlies.

De les van de Adder. Hulpverlening op de Noordzee.

Leestijd: 6 minuten

Voor twee jaar geleden had ik nog nooit van rammonitor de Adder gehoord. Tot ik bij het zoeken naar een incident van de dag voor de brandweercanon haar verhaal en de onfortuinlijke afloop tegenkwam.

De gebeurtenis met de Adder had direct mijn belangstelling en eigenlijk staat het al twee jaar op een lijstje om er een side story over te schrijven. Maar ja, er is zo veel te schrijven en er is eigenlijk altijd wel iets actuelers van commentaar te voorzien.

Het kwam er dus steeds maar niet van, totdat de Onderzoeksraad voor Veiligheid deze week haar rapport over medische hulpverlening op de Noordzee publiceerde. De parallellen tussen het zinken van de Adder en het overlijden van de sportduiker zijn te groot om er niets over te schrijven.

Bovendien spreekt de timing tot de verbeelding: in de week dat de Adder in 1882 verging, schreef de OvV dat de medische hulpverlening op de Noordzee beter moest. Precies dat was de conclusie van de onderzoekscommissie die Koning Willem III in het leven had geroepen en in oktober 1882 de aanbeveling deed om kustbewaking te organiseren teneinde de hulpverlening op zee te verbeteren. Daarmee was de voorganger van de huidige kustwacht geboren.

Adder_in_volle_vaart
De Adder in volle vaart

Op weg naar Hellevoetsluis

Maar eerst gaan we terug naar 4 juli 1882. Toen vertrok de Adder van Amsterdam naar IJmuiden, om vervolgens op 5 juli in de ochtend de Noordzee op te varen. Het doel was Hellevoetsluis, waar de Adder tot oktober betrokken zou zijn bij oefeningen van de Marine.

Feitelijk was de Adder geen schip, maar een vaartuig. Monitoren waren drijvende forten, bedoeld om de riviermonding tegen vijandelijke schepen te verdedigen. Een rammonitor had nauwelijks diepgang maar wel een hoog zwaartepunt door het geschut in de toren. Dat maakte het vaartuig eigenlijk niet zeewaardig. Door het nemen van allerlei maatregelen kon er volgens de commandanten, die door de onderzoekscommissie gehoord werden, wel op zee gevaren worden bij gunstig weer en tij. Zo zeiden zij onder meer:

  • Het omgaan met monitors en in het bijzonder met rammonitors, diende te allen tijde met omzichtigheid te gebeuren en wat het sturen aangaat vereiste dit ook van de meest ervaren zeeman voortdurende oplettendheid;
  • Met een rammonitor was het mogelijk om onder gunstige weersomstandigheden, behoorlijk bemand en indien de vereiste voorzorgsmaatregelen genomen worden, veilig over zee van de ene naar de volgende haven te varen;
  • Vereiste maatregelen waren het uit voorzorg schalmen van de koekoeken, vastzetten van de toren, dichtmaken van alle openingen. Tevens diende men terug te keren of ergens binnen te vallen als zee en tij ongunstig worden;
  • Bij ongunstig weer werden zelfs kleine tochten over zee afgeraden.
Doorsnede_rammonitor_adder

En juist daar ging het dus mis. Was er op 5 juli in eerste instantie sprake van gunstige weersomstandigheden, rond 12.00 stak er een harde westenwind op. Ook het tij keerde: van eb werd het vloed. Er zijn diverse ooggetuigen geweest die de Adder nog hebben zien vechten tegen de elementen. Zo ziet een oud zeeman bij Scheveningen de monitor ‘in de naet van het ty’ varen. Maar hij ziet ook de golven tegen de toren slaan en de Adder steeds dieper in zee steken. Tegen 18.00 is het voor hem duidelijk dat de Adder de nacht op zee zal moeten doorbrengen.

Een visserschip dat later in de buurt kwam kreeg niet de indruk dat er om hulp werd gevraagd en ging door met vissen. Ook toen later vuurpijlen werden afgestoken en er een stakelvuur werd gestookt, kapte men de netten niet. Om 8 uur ’s avonds zagen de vissers een sterke opleving van vuur aan boord van de monitor, dat onmiddellijk weer doofde. “Nu is er een ongeluk gebeurd! Nu zou het wel kunnen gebeuren dat zij aan hun eind zijn…”. Maar ook die conclusie zette de vissers niet om in actie.

Toen de Adder was gezonken….

Toen de Adder was gezonken, gebeurde er drie dagen helemaal niets. Niemand wist waar het vaartuig was en naar later bleek had ook niemand het gemist. Als een soort Schrodingers kat verbleef de Adder ergens op zee en pas als iemand zou gaan kijken zou duidelijk worden of de Adder nog dreef of was vergaan. Maar dat gebeurde niet.

Op vrijdag 8 juli spoelden de eerste wrakstukken op de kust, later op de dag gevolgd door twee lijken. Hun horloges stonden stil op 21.15. Toen was duidelijk dat het slecht met de Adder was afgelopen, maar het zou nog tot 9 juli duren voor de marine besloot een zoektocht in te stellen naar de Adder, echter zonder resultaat. Het wrak van de Adder werd pas weken later, op 21 juli 1882, door een duiker ontdekt. En daar ligt het nu nog. Alle 66 opvarenden kwamen om het leven.

Ligplaats Adder
Ligplaats van de Adder

Zoals gezegd stelde Koning Willem III een onderzoekscommissie in, die de directe aanleiding van de ramp echter niet wist te achterhalen.

“‘Uwe Commissie meent de meer verwijderde oorzaken van de ramp met vrij groote zekerheid te hebben aangegeven, maar de naaste en directe oorzaak van de ramp ligt in het duister.”

Ik zal hier niet het hele onderzoek bespreken, maar de volgende elementen zijn wel interessant om te vermelden omdat het basisrisicofactoren van ongevallen zijn.

  • De techniek was niet in orde. Rammonitor de Adder was niet geschikt om op zee te varen, ook niet met inachtneming van het commentaar van de commandanten. Dat het vaartuig al negen keer niet gezonken was op dezelfde reis lijkt mij nauwelijks een bewijs van zeewaardigheid. De afwezigheid van bewijs is niet het bewijs van afwezigheid.
  • Er was slecht gecommuniceerd bij vertrek en door allerlei foute aannames wist niemand dat de Adder al op zee was. Daardoor was er ook niemand die het vaartuig miste en ging er nergens een alarmbelletje rinkelen.
  • De standenmaatschappij was in 1882 nog volop aanwezig. Een marineofficier in die tijd zou het zich niet verwaardigen om hulp van een visser te vragen als het niet strikt noodzakelijk was. Een dik ego is niet zelden een belangrijke ongevalsoorzaak.
  • Überhaupt was de situational awareness op de Adder onvoldoende. Er was geen loods aan boord genomen die de wateren kende, er is geen hulp ingeroepen van een sleepboot toen het vaartuig niet meer tegen het tij in kon manoeuvreren en er is te laat geprobeerd te keren.

De belangrijkste kritiek ging echter naar de Marine, die onvoldoende actief was geweest om een reddingsactie op touw te zetten. De Marine werd een ernstige vorm van lethargie en uitgeblustheid verweten. Dat laatste hebben diverse marineofficieren zich ter harte genomen. Met 189 collega’s richtten zij de Koninklijke Vereniging van Marine Officieren KVMO op om iets aan die situatie te doen. De KMVO bestaat heden ten dage nog steeds.

Daarnaast werd de eerste versie van de Kustwacht opgericht. “In de zomer van 1883 werd naar aanleiding van deze ramp ‘het houden van een uitkijk en het rapporteren van in nood verkerende schepen aan Hoofden Kustwacht’ aan het personeel van de Kustverlichting opgedragen. De Kustwacht kwam dus onder het beheer van het Loodswezen.”

Besturingsmodel Kustwacht

Ongeval met de sportduiker

In 1987 werd de huidige Kustwacht opgericht, om de veelheid aan initiatieven en activiteiten op de Noordzee beter te organiseren. Volgens de website van de Kustwacht hebben ze op dit moment 15 taken, aangestuurd vanaf 5 ministeries. Daar hoort medische hulpverlening ook bij, in de taak maritieme hulpverlening, opsporing en redding.

Maar die taak verloopt niet goed, zo concludeerde de OvV in een onderzoek van 7 juli 2016 naar een overleden sportduiker. “De medische hulpverlening op de Noordzee schiet te kort en dat leidt ertoe dat mensen niet altijd effectieve, veilige en tijdige zorg krijgen. De Kustwacht heeft van de rijksoverheid een te beperkte opdracht gekregen en is daardoor niet berekend op zijn taak om spoedeisende medische hulpverlening op de Noordzee te organiseren.”

De OvV beveelt daarom de minister van Infrastructuur en Milieu aan om samen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ervoor te zorgen dat de organisatie van de medische hulpverlening op zee voldoet aan de uitgangspunten van medische zorg in Nederland en dat het aansluit bij manier waarop de medische hulpverlening op land is ingericht.

Wie het onderzoek van de Raad leest, ziet dat er grote parallellen zijn tussen het zinken van de Adder en het verdrinken van de sportduiker. Natuurlijk is de schaal onvergelijkbaar en ook de omstandigheden verschillen. Maar toch. In beide gevallen is de directe aanleiding van het ongeval niet gevonden en  zijn er een groot aantal indirecte oorzaken aan te wijzen. Die gaan over techniek problemen, misverstanden, miscommunicatie en cultuur. Allemaal basisrisicofactoren die altijd op de loer liggen, hoe geavanceerd de techniek en de organisatie ook is.

Ligging_van_de_adder

Tegelijkertijd kunnen we ook vaststellen dat er heel veel wel goed gaat op de Noordzee, onder andere dankzij de Kustwacht en de KNRM. De ongevallen die door de mazen van het net glippen moeten aanleiding zijn voor leren en verbeteren, voor het opzetten van nieuwe organisatievormen en structuren, voor continue verbetering en voor doorgaan. Dat is de les van de Adder.

Om verder te lezen: uitgebreid artikel over De geschiedenis van de Adder.

75 jaar brandweerinspectie; de stilstand van verandering

Leestijd: 9 minuten

Gerard Koppers noem ik al jaren de onvolprezen chroniqueur van de Nederlandse brandweer. Hij heeft een grote serie publicaties op zijn naam staan, waaronder een leuk boekje over 60 jaar Brandweer Schiphol. En nu ligt daar al weer een tijdje een uitgave over de geschiedenis van de brandweerinspectie, dat hij schreef samen met Mariska Peeters.

Het is gratis te downloaden van de website van de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVJ), dat tegenwoordig toezicht op het brandweerwezen houdt. De brandweerinspectie als zodanig bestaat dus eigenlijk helemaal niet en heeft zelfs nooit onder die naam bestaan, zo weet ik nu na lezing van dit boek.

Brandweerinspectie

Ik kan me dan ook  voorstellen dat men in Den Haag de wenkbrauwen licht fronst bij het zien van de term brandweerinspectie in dit blog, een beetje zoals men bij Sociale Zaken al jaren tevergeefs van de term Arbeidsinspectie af probeert te raken. Ach ja, het is misschien niet de officiële naam, maar iedereen weet waar je het over hebt en het is voor mij wel zo makkelijk als ik niet alle door de jaren heen gevoerde namen van de inspectie hoef te beschrijven.

Brandweerinspectie dus, in deze boekbespreking, als geuzennaam voor alle betitelingen die het toezicht op de brandweer de afgelopen 75 jaar had. En om dan maar meteen met de deur in huis te vallen: dit boek is een must read. Als je een beetje wil begrijpen hoe de brandweer zich in de 20e eeuw ontwikkeld heeft en met welke erfenissen men heden ten dage eigenlijk nog loopt te stoeien, dan kan je niet zonder deze geschiedschrijving.

Ik wil in deze boekbespreking vooral de drie hoofdlijnen beschrijven die mij zijn opgevallen: de moeizame samenwerking van de korpsen op nationaal niveau, de overvleugeling van de brandweer door het lokaal bestuur en de bovengemiddelde noodzaak van persoonlijk draagvlak om veranderingen door te voeren. Het zijn 75 jaren waarin veel is gebeurd, maar waarin tegelijkertijd weinig echt is veranderd. De stilstand van verandering.

75 jaar toezicht

1e rode draad: samenwerking over het brandweervak op nationaal niveau verloopt moeizaam

Laat ik de eerste rode draad beginnen met een citaat van commandant Gordijn uit december 1940: “We staan aan de vooravond van een belangrijke reorganisatie op het gebied van het brandweerwezen. Wat wij in Nederland eigenlijk missen en toch zoo nodig hebben, dat is de eenheid van het brandweerwezen in de uitvoering van haar taak. Deze zal thans worden bevorderd door de instelling van een Rijksinspectie. Hierdoor komt er een centraal punt, waarvan veel kan uitgaan, zoodat in de toekomst niet ieder op eigen gelegenheid werkt, doch volgens een vooraf goed overwogen plan.” (p14)

In dit citaat spreekt Gordijn duidelijk de wens uit dat er een gezamenlijk beleid op nationaal niveau komt, waaruit een eensgezinde professionele brandweerzorg zou moeten ontstaan. Deze wens tot nationale eenheid blijkt de afgelopen 75 jaar een veelvuldig terugkerend issue te zijn.

Maar kennelijk is het niet eenvoudig te realiseren en zijn er zo nu en dan stevige wake up calls noodzakelijk. Zo verklaarde minister Struycken de brandweer tot achtergebleven gebied in 1959 tijdens een toespraak ter gelegenheid van de nieuwe brandweerkazerne in Breda. Die uitspraak werd breed opgepikt door de media.

“Het helpt enigszins, want de Brandweerraad, een typisch poldermodel-adviesorgaan van de regering over brandweerzaken, begint in 1961 en 1964 wat krachtiger aan te dringen op modernisering van de opleidingen en samenwerking in regionaal verband. Het leidt er toe dat in 1962 voor het eerst een rijksopleiding voor beroepsbrandweerofficieren kan worden opgestart, waardoor eindelijk professioneel topkader voor de branche in zicht komt.” (p30)

Gordijn inspecteert brand bij de Doelen.
Commandant Gordijn stelt zich persoonlijk op de hoogte van de brandbestrijding aan de Nieuwe Doelenstraat, 19 januari 1917. Foto komt van geheugen van Nederland.

Begin jaren 90 trad Ien Dales aan als minister van Binnenlandse Zaken. Toevalligerwijze was zij aanwezig bij de installatie van de 30e officiersopleiding in Schaarsbergen, waar ik toen deel van uitmaakte. Bij die gelegenheid liet ze al duidelijk merken dat er van vrijblijvende samenwerking geen sprake meer kon zijn en dat de nieuwe officieren een belangrijke rol in de professionalisering van de brandweer moesten gaan spelen. In de nieuwjaarsrede van 1994 verwoordde ze het aldus:

“De eisen die aan de organisatie van de brandweer en rampenbestrijding worden gesteld zijn groot. Naast de authentieke taak van de brandweer is een toenemende betrokkenheid nodig bij vraagstukken als: hoe gaan we om met onze openbare ruimte, met locaties voor bedrijven en andere ruimtelijke investeringen. Dat vraagt een omslag en verdere professionalisering van de brandweer. Een omslag van een op sommige fronten nog technisch uitvoerend apparaat naar een spilorganisatie op het terrein van openbare veiligheidsvraagstukken. Daarvoor is een sterkere professionele organisatie op regionaal niveau nodig. Daarom is de tijd van vrijblijvend samenwerken tussen gemeentelijke brandweren wat mij betreft voorbij. Dat kunnen we ons met de huidige maatschappelijke ontwikkelingen niet meer veroorloven.” (p49)

De eerste rode lijn van de afgelopen 75 jaar brandweerinspectie zou ik willen omschrijven als het gevecht om te komen tot een professionele brandweer op regionaal niveau, die ook buiten repressie om weet hoe er samengewerkt moet worden om de vakinhoud op nationaal niveau te ontwikkelen en verbeteren. Dat dit gevecht niet door de brandweer zelf is beslecht blijkt wel uit de wet veiligheidsregio’s, waarmee op rijksniveau de regionalisering uiteindelijk afgedwongen is in 2010. Overigens nog altijd 26 jaar later dan Ien Dales had gewild.

Ien Dales laat zich na de explosie bij Cindu ter plaatse informeren door onder andere Gerard Herkemij (links op de foto) en commandant Ernst van Amsterdam. Foto komt uit het ANP archief.

2e rode draad: lokaal bestuur overvleugelt brandweer

Dat brengt ons bij de tweede rode lijn: de dominante houding van het lokale bestuur naar de brandweer. Die lijn begint in 1916, met de oprichting van de Nederlandse Brandweer Vereniging (NBV) door de commandanten van Leiden en Den Haag. Al snel volgen vele gemeentelijke brandweercommandanten hun voorbeeld en in 1920 mag de NBV het predicaat ‘Koninklijk’ toevoegen: de KNBV is geboren.

In de daarop volgende jaren worden er in veel provincies brandweerbonden opgericht, waarvan ook de gemeenten lid worden. “Die laten zich vertegenwoordigen door de burgemeesters, waardoor de bestuurlijke tak al snel de brandweercommandanten overvleugelt. Als tegenhanger wordt daarom een technische commissie opgericht, die adviezen geeft over de aanschaf van brandweermaterieel en overgaat tot het keuren van handbrandblussers.” (p10)

Deze bestuurlijke overvleugeling van de brandweer is het tweede terugkerende thema. Gedurende de oorlog en de jaren vlak er na is er feitelijk sprake van een genationaliseerde brandweer, die centraal aangestuurd wordt door de Inspectie van het Brandweerwezen.

In die periode is de invloed van gemeentes begrijpelijkerwijs minder. In 1952, in de aanloop naar een nieuwe brandweerwet, pakken de gemeentes het door hun gewenste lokale primaat echter weer volledig terug. “Na veel getouwtrek komt in 1952 eindelijk de Brandweerwet tot stand, die het primaat van de brandweer weer bij de gemeenten legt, maar via provinciale goedkeuring en advisering door de Inspectie toch probeert de kwaliteit hoog te houden.”(p25)

Treinbotsing bij Harmelen. Grootste treinramp uit de Nederlandse geschiedenis. Bij de botsing komen 93 mensen om en raken er 52 gewond. Een sneltrein (Leeuwarden-Roterdam) en een stoptrein (Rotterdam-Gouda-Amsterdam) komen met elkaar in botsing tijdens een dichte mist.

Begin jaren 60 zijn er enkele tot de verbeelding sprekende grote incidenten, zoals de overstroming van Tuindorp Oostzaan in 1960 en de treinramp bij Harmelen in 1962, die 93 doden tot gevolg had. De roep om bovenlokale brandweerzorg zwelt aan, maar de gemeentes hebben er geen geld voor (over), zo stellen Koppers en Peeters op pagina 34. Daarop moet de Rijksoverheid dus wel aan de bak. 

“In 1974 wordt de knoop door de minister van Binnenlandse Zaken doorgehakt en verschijnt de nota ‘Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen’, die in het daaropvolgende jaar door de Tweede Kamer wordt goedgekeurd. Daarin neemt het Rijk de medeverantwoordelijkheid voor de bovenlokale brand- en rampenbestrijding. Dat betekent vooral dat men daar geld voor beschikbaar stelt. De vorming van regionale brandweren wordt gestimuleerd door substantiële subsidies voor alarmcentrales, materieel en regionaal personeel. Ook voor gezamenlijke oefeningen en opleidingen komt veel geld beschikbaar, terwijl de Inspectie zelf hard aan de gang gaat met onderzoek, richtlijnen en de oprichting van een afdeling Ongevalsbestrijding Gevaarlijke Stoffen.” (p35)

De nota ‘Hulpverlening bij ongevallen en rampen’ werkt in de praktijk goed genoeg uit om een volgende stap in de besturing van de brandweer en rampenbestrijding te zetten. In 1979 worden twee wetsontwerpen ingediend, waarin er 26 mini provincies worden voorgesteld van waaruit de brandweer georganiseerd moet worden.

Dit valt op lokaal niveau niet in goede aarde. “Gemeenten en KNBV reageren als door een wesp gestoken en dezelfde heftige discussies als in 1950 spelen zich af. Het wetsontwerp over de miniprovincies wordt ingetrokken en er komt weer een Brandweerwet, waarbij de gemeenten verantwoordelijk blijven voor de brandweer, maar wel verplicht worden samen te werken in regionale brandweren op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen.”(p41)

Wiegel Van Agt 1980
De legendarische ‘geheime’ foto van Wiegel en Van Agt in een Haags etablissement waarin naar verluidt het fundament voor de nieuwe brandweerwet werd gelegd.

In 1985 is de nieuwe Brandweerwet er eindelijk, waarvan de basis naar verluidt tot stand is gekomen tijdens een bilateraal tussen Wiegel en Van Agt in een Haags etablissement. Die wet houdt ook al weer zo lang stand: 25 jaar, waar de voorgaande maar liefst 33 jaar van kracht was.

Pas in 2010 is er een nieuwe: de wet Veiligheidsregio’s. In die wet verschuift de brandweerzorg van de gemeenten naar de regio’s, waarbij de centrumgemeente als aanspreekpunt geldt. Optimistisch vermeldt het boekje dat de brandweerinspectie nu nog maar 25 aanspreekpunten heeft, in plaats van 400, waardoor het toezicht vergemakkelijkt wordt.

Het is de vraag of dat echt zo gaat uitpakken op de iets langere termijn. Nu de eerste en tweede rode draad bij elkaar zijn gekomen, kan het inderdaad zo zijn dat landelijke afspraken over de ontwikkeling van het brandweervak makkelijker te maken zijn en dat het bestuur minder overvleugelt.

Echter, het omgekeerde kan ook het geval zijn: als de regio’s sterke organisaties worden die grotendeels op eigen kracht kunnen opereren, zal het nog moeilijker zijn afspraken te maken op nationaal niveau waar iedereen zich vervolgens dan ook aan houdt. Daarnaast is het voor 25 gemeenten juist makkelijker geworden om samen te werken en Rijks bemoeienis verder buiten de deur te houden.

Mogelijk dat sommige gemeenten, zoals de G4, zich aan elkaar verbinden, waardoor een eensluidende nationale aanpak van het brandweervak nog verder van huis raakt. De hardnekkigheid van de eerste en tweede rode draad, die al decennia lang ingesleten is, doen mij persoonlijk vermoeden dat de toekomst er niet per se eenvoudiger op wordt.

3e rode draad: veranderingen komen door persoonlijk draagvlak tot stand bij de brandweer

Dan is er nog een derde rode draad in het boek van Koppers en Peeters te ontwaren, zij het dat die draad wat minder dik is dan de eerste twee. En dat is dat belangrijke veranderingen bij de brandweer die wel slagen vaak tot stand komen door persoonlijk draagvlak. 

Koppers Peeters uitreiking 75 jr inspectie
De uitreiking van het eerste exemplaar van 75 jaar toezicht op de brandweer tijdens het brandweercongres 3 oktober 2015

Mooi dat 75 jaar brandweerinspectie dan ook begint met het archetype van die derde rode draad, in de vorm van een afbeelding van Jan van der Heijden. Er zijn weinigen die zo veel ontwikkelingen tot stand brachten als Jan van der Heijden.

Gelukkig komen er in het boekje diverse andere namen voorbij die ook cruciaal zijn geweest voor vernieuwingen, zoals die van commandant Gordijn. “Hij benadert onmiddellijk de charismatische commandant van de Amsterdamse beroepsbrandweer, C. Gordijn, om de leiding van de Inspectie en daarmee van de brandweer in Nederland op zich te nemen.” (p13)

Gordijn blijkt voor de Duitsers echter een ongeschikte kandidaat voor die positie, maar hij mag wel de eerste nationale opleiding voor brandweerleiders organiseren. Na zijn overlijden in 1941 stopt die opleiding en het zal nog tot 1962 duren voor een volgende officiersopleiding in Nederland tot stand komt.

“Door zoveel mogelijk bekende brandweerofficieren te betrekken bij de Inspectie wordt getracht om zich van draagvlak binnen de branche te verzekeren. De districtsinspecteurs zijn dan ook niet geheel vreemd in brandweerland.”(p15)

Die tactiek van de brandweerinspectie illustreert ook treffend het bestaan van die derde rode draad. Andere namen die mij al bekend waren in het brandweerveld voor lezing van dit boek waren onder andere Van Boven, Van Tiel, Husman en Herkemij. Van recenter datum zou ik dan nog Don Berghuis willen noemen als verpersoonlijking van de derde rode draad, maar die is niet in de tekst van de publicatie opgenomen.

Jan van der Heijden
Jan van der Heijden

De noodzaak van een sterke persoonlijkheid om tot veranderingen te komen past naadloos in de jagers- verzamelaars cultuur die de brandweer is. Onder jagers wordt de leider gezien als één van de beste vakmensen uit de groep, en hij wordt geaccepteerd als leider zo lang hij ook de belangen van de groep op de juiste manier behartigt.

Dat geeft gelijk de beperking aan van die leiderschapscultuur: buiten je eigen groep wordt je leiderschap niet zo maar aanvaard, om nog maar te zwijgen over de baas van de bazen. Het is in dat licht bezien niet zo vreemd dat slechts enkelen in de geschiedenis van de brandweer voldoende draagvlak hadden om ook op nationaal niveau de doorslag te kunnen geven.

En op dat punt raken de drie rode draden elkaar: veranderingen en ontwikkelingen binnen de brandweer worden afgedwongen door nationale wet- en regelgeving, argwanend bewaakt en geremd door lokaal bestuur. Of ze worden tot stand gebracht door persoonlijk leiderschap van brandweercommandanten, maar dan slechts op de technische en interne onderwerpen zoals treffend beschreven werd op pagina 10.

Als ik het zo opschrijf lijkt het allemaal heel logisch, maar dat is de hindsight bias die het lezen van 75 jaar toezicht op de brandweer me heeft opgeleverd. Koppers en Peeters hebben een prettig leesbaar boekje geschreven over de moderne brandweergeschiedenis.

Wat mij betreft onmisbaar leesvoer voor brandweermensen in het algemeen en voor de 50e officiersopleiding in het bijzonder. Mocht er dan toch nog een 51e opleiding komen, je weet het immers maar nooit bij brandweer Nederland, dan hoort dit boekje ook daar op de verplichte literatuurlijst. Daarna is er vast al weer een nieuw werk van Koppers beschikbaar, dat mogelijk nog relevanter is.

De drie principes van de Brandweercanon

Leestijd: 6 minuten

Opmerkzaamheid, onvergetelheid en nabijheid zijn de drie principes van de brandweercanon. Vanaf het voorjaar 2020 komt er een vierde principe bij: betrokkenheid. Hoewel dat misschien eerder een verbijzondering is van nabijheid.

“Why should we look at the past, in order to prepare for the future? Because there’s nowhere else to look.”

James burke

De Brandweercanon is een instrument om te voorkomen dat de brandweer een vergetende organisatie wordt. Dat we de lessen uit belangrijke gebeurtenissen en incidenten kwijt raken en pas weer tegen komen als we er opnieuw tegen aan lopen. Met al het onnodig leed en schade er bij.

Daarom kijken we dus terug, om beter voorbereid te zijn op de toekomst. En proberen we de belangrijke gebeurtenissen en verhalen vast te leggen in een collectief bewustzijn, dat we de Brandweercanon noemen.

De vraag is dan hoe je zo’n collectief bewustzijn opbouwt. Daarvoor zijn de drie principes van de brandweercanon bedacht: opmerkzaamheid, onvergetelheid en nabijheid. Voor we daar verder op in gaan, beschrijven we eerst kort onze visie op geschiedenis.

Geschiedenis is een rizoom

Geschiedenis is niet iets ouds van vroeger, het wordt dagelijks vers opnieuw gemaakt. Elke dag komt er een nieuwe gisteren bij. En elke dag kan een nieuwe ervaring het belang van het verleden in een ander daglicht zetten, waardoor belangrijke zaken opeens toch onbelangrijk worden en andersom. Geschiedenis ligt dus nooit helemaal vast en blijft mee veranderen met de manier waarop wij veranderen.

Daarnaast is de geschiedenis geen lineaire uitvoering van een groot masterplan. Het is niet zo dat er eerst fundamenten gelegd moeten zijn voordat je verder kunt bouwen. Er gebeuren allerlei zaken tegelijkertijd, die elkaar beïnvloeden en op hun beurt nieuwe gebeurtenissen veroorzaken. Tussen al die gebeurtenissen bestaan zwakkere of sterkere connecties, die gezamenlijk kunnen opbouwen tot een rizoom. Geschiedenis is een rizoom.

Achille Serre Ladies Fire Brigade London 1926
Female Firefighter Achille Serre Ladies Fire Brigade london, 1926

Zo kijkt ook James Burke, van het citaat uit de kop van dit blog, naar de geschiedenis in het algemeen en innovatie in het bijzonder.

“Burke contends that one cannot consider the development of any particular piece of the modern world in isolation. Rather, the entire gestalt of the modern world is the result of a web of interconnected events, each one consisting of a person or group acting for reasons of their own motivations (e.g., profit, curiosity, religious) with no concept of the final, modern result to which the actions of either they or their contemporaries would lead. The interplay of the results of these isolated events is what drives history and innovation.”

Het principe van opmerkzaamheid

Om het heden te begrijpen, moet je dus goed kunnen kijken naar de verschillende gebeurtenissen en hun onderlinge verbanden. Dat is het eerste principe van de brandweercanon: opmerkzaamheid. Opmerkzaamheid is een kwestie van kijken en begrijpen. Die opmerkzaamheid geldt zowel voor de hele verse geschiedenis (de betekenis van een incident dat net gebeurd is) als voor een hele reeks gebeurtenissen en hun onderlinge connecties (zoals we op basis van diverse branden het verschil tussen ‘brand in een gebouw en gebouw in brand’ hebben benoemd).

In een eerder blog benoemden we het ook als veranderbranden: welke branden hebben echts iets veranderd aan mensen, de brandweer en / of de maatschappij? Waarbij je grofweg onderscheid kunt maken in twee categorieën veranderbranden: de Black Swans, zoals de vuurwerkexplosie in Enschede en 9/11. En ‘de acceptatie voorbij’ branden, zoals asbestbranden, het gebruik van fluorhoudend schuim en onvoldoende preventieve voorzieningen in gebouwen.

Het principe van onvergetelheid

Zien en begrijpen is één, er wat mee doen om de lessen te bewaren voor het nageslacht is twee. Daar gaat het principe van opmerkzaamheid over in het principe van de onvergetelheid. Hoe voorkom je dat gebeurtenissen worden vergeten, dat de lessen van incidenten vergaan en verdwijnen in de vergetelheid?

Laat ik voorop stellen dat wat belangrijk is, per persoon en doelgroep kan verschillen. Om dat verschil goed te kunnen maken is opmerkzaamheid van belang. Hier raakt de Brandweercanon aan het programma lerend vermogen, aan de kennisregisseurs en de brandonderzoekers.

  • Is een incident belangrijk voor persoonlijk leren, voor een ploeg? Dan is de After Action Review een mooi middel.
  • Was er een bijzonder brandpatroon zichtbaar? Dan is een brandonderzoek op zijn plaats.
  • Was er sprake van een grote inzet met bijzondere situaties? Dan is een evaluatie of een leertafel een goede manier om de lessen voor een korps of een regio vast te leggen.
  • Had het incident betekenis voor het brandweervak in zijn algemeenheid, en gelden de lessen voor veel meer collega’s dan uit je eigen regio? Dan is een leerarena of een extern onderzoek van belang om de lessen aan de vergetelheid te ontrukken.

De essentie van onvergetelheid is dat je waarde toevoegt aan een gebeurtenis door analyse en duiding en dat vervolgens op een geëigende manier registreert en vast legt. Wat die geëigende manier is, wordt bepaald door het principe van de nabijheid.

Het principe van de nabijheid

Het principe van nabijheid gaat er van uit dat mensen de gebeurtenissen in hun nabijheid het beste onthouden. Nabijheid moet je in dit kader zien als een zeer fluïde principe: het kan gaan om nabijheid in plaats, in tijd, in vorm en inhoud.

  • Nabijheid in plaats is letterlijk en figuurlijk nabij: dat wat dichtbij huis gebeurt blijft het beste hangen. Een incident in je eigen ploeg of korps is van groter belang dan het zelfde incident bij een korps aan de andere kant van het land of uit het buitenland. We zien dit ook bij onze tweets van het incident van de dag: gebeurtenissen bij korpsen in het land worden vooral geretweet door leden van betreffend korps en / of regio.
  • Nabijheid in tijd gaat over het kiezen van momentum. Nieuwe kennis valt bijvoorbeeld beter op zijn plek als iemand aan een nieuwe opleiding of functie begint dan bij zittende functionarissen. Maar ook bepaalde gebeurtenissen, ongevallen, rapporten of onderzoeken die veel aandacht krijgen kunnen het urgentiebesef zodanig verhogen dat men meer open staat voor nieuwe kennis. Als je het maar op het juiste tijdstip aanbiedt.
  • Nabijheid in vorm gaat over de manier waarop je kennis aanbiedt. Benjamin Franklin zei daarover: Tell me and I forget, teach me and I may remember, involve me and I learn. Bij het rapport van de brand in de Koningkerk te Haarlem werd een filmpje verstrekt, dat zorgde voor een hele snelle verspreiding van de kennis over die brand. En we weten dat brandweermensen leren door het vertellen van verhalen. Storytelling is dus ook een vorm van nabijheid.
  • Nabijheid van inhoud gaat over het vak zelf. Een incident dat op de één of andere manier de kern van het vak raakt, leidt eerder tot belangstelling en verandering dan incidenten die zich slechts langs de grenzen van de brandbestrijding bewegen. Ook dat zien we terug in de aantallen retweets van het incident van de dag. Het aantal doden en gewonden door een ramp is minder leidend voor het aantal retweets dan het appellerend karakter van de ramp aan het brandweervak.

Het kweken van een collectief bewustzijn met behulp van de brandweercanon is geen eenmalige gebeurtenis. Feitelijk blijf je steeds weer opnieuw naar de geschiedenis kijken, met behulp van de drie principes van de brandweercanon. Op zoek naar nieuwe verbanden en betekenis, naar nieuwe kennis en naar nieuwe manieren om ons voor te bereiden op de toekomst. “Because there’s nowhere else to look.”

Deze foto van Hans Peters (ANP) is één van de redenen waarom ik mij persoonlijk bij de brand in het Silveren Seepaerd betrokken voel

Nieuwe invulling van de brandweercanon.

De drie principes van de brandweercanon zijn vanaf 2014 door het team Brandweercanon als uitgangspunt genomen om de canon te ontwikkelen. Veel is in de loop van de tijd op deze website gepubliceerd. Na een paar jaar merkten we echter dat het concept nauwelijks door het brandweerveld werd overgenomen en is het team ontbonden.

Wat er nu nog van over is, is eigenlijk mijn persoonlijke brandweercanon. Met een nieuw principe erbij: betrokkenheid. Of misschien is dat wel eerder een verbijzondering van het nabijheidsprincipe.

Hoe dan ook, de canon die nu nog op rizoomes.nl staat is mede gebaseerd op mijn betrokkenheid. Omdat ik er bij was, ik er onderzoek naar heb gedaan of omdat het mij ergens persoonlijk heeft geraakt.

Die persoonlijke betrokkenheid zal ik langzamerhand gaan toevoegen aan de incidenten uit de canon, door het schrijven van een kort essay per incident. De eerste staat inmiddels online, over de brand in de Innovation: het perpetuum mobile van de goede voornemens. En zo verandert dus ook de canon van vroeger mee met wat er in de werkelijkheid van nu gebeurt.

Dit blog is op 20 mei 2020 voor het laatst aangepast. Het is onderdeel van het thema herdenken en verlies

De Brandweercanon in het brandweeronderwijs

Leestijd: 4 minuten

Het brandweeronderwijs heeft een enorme rijkdom aan inhoud liggen: de brandweercanon. Hoe kan je de lessen van het verleden inzetten om de scenario’s van de toekomst te bestrijden?

“Autospuit Hendrik, autospuit Hendrik, wilt u gaan naar de Kalverstraat, eh, we hebben diverse meldingen, het zou gaan om boekhandel De Slegte”.

Het is een moment stil en dan klinkt het tweede bericht:

“Autospuit Rudolf, gaat u naar het Rokin, het zou gaan om de steeg tussen het Rokin en de Kalverstraat”.

Het is weer even stil en dan meldt Rudolf zich ter plaatse, al snel gevolgd door een nader bericht.

“AC, Autospuit Rudolf verzoekt met spoed een ladder op het Rokin en eh nog een autospuit, nog een autospuit”.

Dan klinkt de bevelvoerder er over heen:

“AC autospuit Rudolf maakt middelbrand”.

Oefening

Werk aan de winkel voor de OvD.

“OK, wat ga je nu doen”?

In een wereld waarin scenario’s uit de brandweercanon in het brandweeronderwijs zijn geïntegreerd, stelt de instructeur deze vraag aan de cursist. Die kijkt onrustig om zich heen. Het scenario komt hem vaag bekend voor en hij ruikt onraad.

“Eh, ik ga ter plaatse”.

“Goed, stap maar in. Weet je waar het is”?

Nog voor de cursist iets heeft kunnen bedenken is er nieuws van autospuit Nico.

“AC, stuur een ladder naar het Rokin, want de mensen staan en hangen hier voor de ramen”.

Hotel Polen. Foto ANP

De OvD in opleiding kijkt de instructeur vragend aan. En daar is alweer een bericht van het Rokin.

“AC, stuur diverse GGD wagens voor slachtoffers, die gesprongen zijn etcetera”.

“Ja de GGD is gewaarschuwd, alles is geregeld”.

De OvD kijkt nu bozig voor zich uit. “Ja jeetje, dit gaat veel te snel zo. Zo kan ik geen plan maken, laat staan een plan plus”.

De instructeur kijkt stoïcijns voor zich uit. “Ja jongen, regel het maar; dat moesten ze toen destijds bij Hotel Polen ook. Niemand die zich afvroeg of de OvD wel tijd had voor zijn plan. Actie, nu. Wat ga je nu doen”?

Brandweeronderwijs

Tot we met de brandweercanon aan de slag gingen heb ik me eigenlijk nooit afgevraagd waarom er geen serie leerzame scenario’s uit het verleden was geanalyseerd en verwerkt tot les- en leerstof voor repressief leidinggevenden. Maar opeens viel het kwartje, toen we de betekenisvolle incidenten uit de geschiedenis in de brandweercanon gingen plaatsen.

Waarom zou je als instructeur eigenlijk steeds zelf nieuwe scenario’s verzinnen, terwijl er zo veel te leren valt van de realiteit? En sterker nog, van veel grote incidenten zijn onderzoeksrapporten beschikbaar. Nadat je zelf de inzet hebt gedaan, kun je nalezen wat er in de praktijk is gebeurd. Misschien zijn er zelfs beelden beschikbaar, zodat je ook kunt zien hoe het er uit zag. Zeker van moderne incidenten kun je de film en video gebruiken als ware het je eigen verkenning.

Foto ANP

En dan is er ook nog de virtual reality: je kunt beelden van echte incidenten opnemen in scenery en de (al dan niet ontbrekende) rest er bij ontwerpen, op basis van rapportages en analyses. Zo maak je de simulatie van oude incidenten extra realistisch.

Ook kun je elementen aanpassen aan de huidige situatie, zoals voertuigen en ander materieel. Je kunt variaties in het scenario inbouwen, bijvoorbeeld beginnen met één of enkele slachtoffers en dat opbouwen naar de uiteindelijke 33 doden en 21 gewonden van Hotel Polen. Je zou zelfs het RSTV kunnen integreren in oude scenario’s en je daarna afvragen of je het met de kennis van nu anders zou doen dan toentertijd gedaan is.

Daarnaast kun je denken aan project onderwijs rondom incidenten. Als je weet hoe de repressie verlopen is, kun je ook andere factoren onderzoeken. Hoe was de preventieve toestand van het pand? Is dat nu nog steeds zo? Waar zitten de risico’s? En als je dat weet, is het dan misschien verstandig een aanvalsplan te hebben voor dergelijke gebouwen? Zo ja, hoe moet het aanvalsplan er dan uit zien? Wat zegt dat over opkomsttijd en slagkracht?

Vanuit de eindtermen van een opleiding gezien, zou je bijvoorbeeld alle OvD’s kunnen opleiden met een aantal standaardscenario’s die gezien worden als de kern van het vak. Bijvoorbeeld allemaal Hotel Polen, Huis ter Duin, de Motorkade, Harderwijk en De Punt. Dat wordt tot op skillbased niveau ingetraind. En daarnaast, ook uit de sturingsdriehoek, leidt je mensen tot rulebased nivo op voor de Marbon, de Bijlmerramp, de Hercules– en de Vuurwerkramp.

Natuurlijk, er vloeit nog heel wat water door de Amstel voordat je zo’n plan volledig opgetuigd hebt. Maar je kunt morgen al beginnen, om de scenario’s uit de brandweercanon te pakken, de stukken te analyseren en te vertalen naar brandweeronderwijs.

Dan kan je er ervaring mee opdoen en het langzaam aan verbeteren en verder ontwikkelen. Want niet alleen de cursisten kunnen leren van de brandweercanon: het brandweeronderwijs moet zelf ook een lerende organisatie zijn, en zich aanpassen aan de mogelijkheden van deze tijd.

Foto ANP

Door te kijken naar het verleden en te ervaren wat er toen gebeurd is. Zodat je in je opleiding al eens dit nader bericht van de OvD bij Hotel Polen hebt meegemaakt:

“AC, hier C-Wagen 1, wilt u trachten al het mogelijk materieel dat ter beschikking is naar het Rokin te sturen want het zit op dit moment ook overal in het pand nummer 12, boekhandel De Slegte over”.

Niemand die dan nog kan zeggen dat het een overtrokken scenario is. Het is gewoon gebeurd.

Dit blog is op 20 mei 2020 voor het laatst aangepast. Het is onderdeel van het thema herdenken en verlies

Monument

Leestijd: 4 minuten

“Papa, ik ben nu 7 jaar”.

Een klein zinnetje, in onvast kinderhandschrift geschreven op een tekening met vrolijke viltstiftkleuren. Ik denk aan Sesamstraat, en probeer me te herinneren hoe ik zelf m’n eerste letters op papier probeerde te krijgen. De “buh” en de “muh”.

Wat zou het schrijvertje gedacht hebben toen hij met het zinnetje bezig was?

De tekening lag ondertussen rustig te wachten op de nietsvermoedende aanwezigen bij de onthulling van het herdenkingsmonument op de Weesperzijde. Het is ongemakkelijk om stil te staan bij hen die gingen, maar als je het met zijn allen doet geeft het wel een zekere verbondenheid. Gedeelde smart is halve smart.

Iedereen hoorde in gedachten verzonken de toespraak aan die bij zo’n gelegenheid hoort, en in sommige zinnen zat een woordje waar de eigen herinnering mee op de loop gaat. Ergens op de achtergrond hoor ikMotorkadevoorbij komen. Vier jaar geleden al weer, en sommige details werken zich uit het geheugen omhoog.

De ingang van het gebouw, de bezetting van IJ waar ik op dat moment niks tegen wist te zeggen. De berging, de begrafenis en al die gesprekken op de Berberisstraat. De bloemen en brieven uit de buurt, de enorme ere-haag van alle collega’s en de meneer die als allerlaatste een blues-spiritual aanhief.

Brand, berging, begrafenis, Berberisstraat, bloemen, brieven, buurt, blues, het zijn de woorden met de letter Buh;

Papa, ik ben nu zeven jaar.

Als leren herinneren is, is dan niet-weten vergeten zijn, vraagt Borges zich af in de Zahir. Zijn we overal bij geweest, maar weten we het niet meer? Ik ben niet bij de Marbon geweest, maar ik ben het ook niet vergeten. Ik weet heel veel details, maar ik herinner me er geen één. Een regel uit een liedje dat ik ken dringt zich op: “I try to remember, all the things I never knew”.

Het is 28 jaar geleden, de Marbon. Acht-en-twintig. Acht-en-twintig is bijna 29, en zoveel namen staan er op het monument. Negen-en-twintig man in 125 jaar. Dat is bijna één in de vier jaar. Ik probeer uit te rekenen wat de kans is om bij de brandweer Amsterdam om het leven te komen bij brand.

De toespraak kabbelt op de achtergrond voorbij. Ik kom er niet zo één-twee-drie uit, merk ik, en mijn gedachten dwalen af naar een rekensom van de Amerikaanse brandweer.

In Amerika zijn er 1.1 miljoen brandweermensen. Driehonderdduizend daarvan zijn beroeps, de rest vrijwilligers. Stel je voor, dat is net zo veel als de bevolking van Amsterdam. Amsterdam, helemaal gevuld met Amerikaanse vrijwilligers.

Per jaar komen er zo’n 100 Amerikanen om bij brandbestrijding. De helft krijgt een hartaanval, een kwart komt om bij auto-ongevallen. Zes man komen om door verstikking, zes door instorting en zes door kogels.

Honderd man op een miljoen, dat is één op tienduizend.

In het externe veiligheidsbeleid van Nederland geldt een grenswaarde van 1 op de miljoen. Dat wil zeggen, de kans op overlijden als gevolg van een risicovolle activiteit mag niet meer zijn dan één mens per miljoen mensen.

In Nederland zou de Amerikaanse brandweer verboden zijn.

Ik vang het woord Molenbroek op. Marbon, Motorkade, Molenbroek, minuut, monument, middelbrand, maatje, meester. Dat zijn de woorden met een Muh;

Papa, ik ben nu zeven jaar.

Er wordt een minuut stilte gehouden, iedereen gaat staan.

Maar de stilte is slechts buiten. Nooit is er zoveel herrie in je hoofd als bij de minuut stilte.

De B en de M schreeuwen in het rond, keihard door en over elkaar tot ze de strijd opgeven en samen opgaan in Brand Meester, bij wijze van moraal van het Monument: Blijf de Brand Meester, houd de herinnering levend en jezelf ook.

Papa, ik word wel honderdzeven jaar! 

Minigeschiedenis herdenkingsmonument Brandweer Amsterdam

Het boek met de namen lag in een altaartje in de hal van de Weesperzijde, het toenmalige hoofdkantoor van Brandweer Amsterdam.

Op 21 juni 1999 werd er voor het eerst een jaarlijkse herdenking gehouden voor alle gevallen brandweermannen van Amsterdam. Tot die tijd waren er meerdere, kleine herdenkingen per kazerne. Tijdens die herdenking ontstond het idee voor dit blog, dat eerst als Ome Ed column is verschenen

Vanaf 16 juni 2012 is er elke derde zaterdag van juni ook een nationale herdenking bij het brandweermonument naast de voormalige brandweeracademie, het huidige IFV.

Het monument met de namen. “Zij die ons ontvlogen”
Schrijver dezes tijdens de herdenking in 1999, vlak achter Gerard Koppers (met baard) die deze foto’s regelde.
« Oudere berichten

© 2020 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑