Wanderings

Tag: Gastblog

De eenvoud van werken met eenheden

Leestijd: 6 minuten

Incident Command Systeem – ICS (deel 1)

Gastblog Dimi Vercammen

1 Inleiding

In de vorige editie van het vakblad ‘De Brandweerman’ haalden Pieter Maes en Karel Lambert het gemis van een incident command systeem in België aan. In het artikel wordt de noodzaak van een volwaardig incident command systeem benadrukt. Met een dergelijk systeem heeft een officier een standaard schema ter beschikking om een incident te beheren.

Met dit artikel beschrijven we de evolutie van de brandweer en kunnen we een overlapping bieden waarin het BIN (Brandweerman In Nood) zijn plaats kan vinden. Niet alleen op operationeel vlak is er een evolutie te merken. De organisatie van de brandweer zal in de nabije toekomst voor de meesten veranderen.

De Belgische brandweer staat voor een belangrijke hervorming, die veel structurele wijzigingen met zich mee zal brengen. De organisatie zal evolueren van ongeveer 250 brandweerkorpsen naar 35 brandweerzones. Het is duidelijk dat schaalvergroting een belangrijke parameter is in deze hervorming. Vandaag kennen we een brandweer die gericht is op kleinschaligheid, de brandweer zal zich dus grondig moeten organiseren. De leidinggevenden in de verschillende brandweerzones staan voor een grote uitdaging om die lokale autonomie van de brandweerposten te laten overgaan in een nieuw, groter geheel. In deze omslag van klein naar groot moeten ook de kwaliteitsvolle hulpverlening aan de burger blijvend gegarandeerd worden.

Niet enkel de hervorming speelt ons parten, ook de meer complexe risico’s en de steeds dynamischere maatschappij zorgt voor nieuwe uitdagingen. De brandweer moet zich kunnen ontplooien als een organisatie die in staat is de dagelijkse hulpverleningsopdrachten uit te voeren. Daarnaast moet één van de doelstellingen zijn dat de brandweer zich organiseert om grootschalige tussenkomsten op een kwaliteitsvolle en gestructureerde wijze aan te pakken en af te handelen in een incident command systeem.

Om deze doelstellingen te bereiken moeten de operationele zones, opgebouwd uit kleinschalige organisaties of posten, samenwerken. Deze samenwerking zal zich niet mogen beperken tot intrazonale afspraken tussen de bestaande posten, maar vertaalt zich naar een interzonale samenwerking. Door het uitbouwen van een dergelijk netwerk is er een bijzondere nood aan afspraken rond de bevel- en commandovoering. Om kwaliteit te kunnen bieden, zal de opschaling vanuit de reguliere werking naar een grootschalig optreden volgens een bepaalde structuur moeten verlopen. Om deze opschaling en het aansturen van middelen tijdens grootschalige tussenkomsten gestructureerd te beheren is er nood aan een (uniform) incident commandosysteem of ICS. In dit eerste artikel beschrijven we de items die minimaal gestandaardiseerd moeten worden om te komen tot een ICS. In de volgende editie beschrijven we de randvoorwaarden, gaan we kijken naar enkele buitenlandse systemen en vervolgens komen we tot een concreet voorstel over hoe een ICS in België er zou moeten uitzien.

2 Van basiszorg naar grootschalig optreden

De hervorming heeft impact op de huidige manier van werken. Momenteel heeft elke brandweerpost zijn eigen werkprincipes en afspraken. Om het op een ludieke manier te verwoorden zal er verder moeten gedacht worden dan de reddingsoperatie onder de plaatselijke kerktoren. De brandweer heeft door de jaren heen het volle vertrouwen van de bevolking gekregen. Dit bouw je niet zomaar op, daar heeft elke brandweerman hard voor gewerkt. Om dit vertrouwen te behouden moet er nagedacht worden over het behoud van kwaliteit van de brandweerzorg binnen deze grootschalige structuur. De zonale, of zelfs interzonale, samenwerking van de brandweer in een netwerkmodel is niet meer weg te denken. Op deze manier hoeft niet elke brandweerpost een volledige uitruk te leveren, maar afhankelijk van het type interventie zullen de dichtstbijzijnde en de meest geschikte middelen aangestuurd worden. Een samenwerking in een netwerk heeft duidelijk nood aan afspraken en standaardisaties. We sommen hier een aantal van de minimaal noodzakelijke afspraken op, die noodzakelijk zijn om te komen tot een ICS.

Indelen incidenten

Het incident is bepalend voor de aanpak en de activering van bepaalde versterkingen. Het is raadzaam om incidenten van bij aanvang in te delen, dit zorgt voor een eerste standaardisatie. Deze indeling kan men toepassen op drie grote types van tussenkomsten: Brandbestrijding (BB), Technische hulpverlening (THV) en Incidenten met gevaarlijke stoffen (IGS).

Deze verschillende interventieypes kan men een indelen in functie van de ernst. Het Nederlandse model werkt met vijf indelingen (klein, middel, groot, zeer groot en compagnieinzet). Het Amerikaans systeem werkt met numeriek oplopende alarmen (first alarm, second alarm,…), met als voordeel dat er bijna onuitputbaar kan opgeschaald worden.

B Eenheden

Een tweede manier om de aanpak van interventies te standaardiseren is te bepalen welke middelen we uitsturen naar een bepaald type incident. De indeling van de incidenten zal bepalen welke hulpverleningsvoertuigen of operationele eenheden er worden uitgestuurd naar het incident. Deze manier van werken is ons niet vreemd en vinden we terug in het KB van 10 november 2012 tot vaststelling van de minimale voorwaarden van de snelste adequate hulp en van de adequate middelen. De multifunctionele autopomp moet men aanzien als een basiseenheid.

In het algemeen moet men ervan uitgaan dat een eenheid een operationeel team is dat een bepaalde opdracht op een zelfregulerende manier kan uitvoeren. In grootschalige context zal men de (deel)opdrachten vanuit een tactisch actieplan verdelen aan de in te zetten eenheden. Zij krijgen de opdracht om de gestelde doelstelling te bereiken door standaard operatieprocedures uit te voeren. De eenheid staat onder leiding van een leidinggevende (meestal een onderofficier) die zijn team zal aansturen. We spreken over zelfregulerende teams omdat de leidinggevende een weinig gedetailleerd bevel ontvangt en dat hij een zekere autonomie heeft om deze opdracht uit te voeren.

Op het tactisch niveau worden globale objectieven geformuleerd, zoals bvb. “Vermijden van overslag naar aanpalend gebouw aan de rechter flank van het brandende gebouw” De leidinggevende van de eenheid zal zelf zijn keuze kunnen maken om deze opdracht tot een goed einde te brengen.

Definitie eenheden

Een eenheid zal bepaald worden op basis van de uit te voeren opdracht, het personeel en het materiaal dat nodig is om deze opdracht uit te voeren. Om het werken in eenheden te laten lukken, moeten er duidelijke afspraken gemaakt worden op interzonaal niveau. Het toepassen van de operationele eenheden zal ook bij routineopdrachten moeten toegepast worden. Dit zorgt voor een vertrouwd gevoel bij het operationeel personeel.

In een eerste fase moeten de opdrachten die een eenheid moet aankunnen gedefinieerd worden.

Als voorbeeld volgt een beschrijving van enkele opdrachten die een basiseenheid moet aankunnen:

  • Bestrijden van 50m vuurfront
  • Uitvoeren van binnenbrandbestrijding
  • Ontzetten van geknelde slachtoffers uit 1 personenwagen
  • Redding uitvoeren van personen bij een incident gevaarlijke stoffen met splashpakken
  • Uitvoeren van BIN procedure

Bijkomend moet er bepaald worden hoeveel personen er tot een bepaalde eenheid behoren. Dit zal afhankelijk zijn van de opdrachten die een eenheid moet aankunnen. Bij het bepalen van het aantal personeelsleden moet voldoende aandacht geschonken worden aan de veiligheidsaspecten en de resultaten van de risico-analyse die bij de opdrachten van de eenheid horen.

Als voorbeeld volgt de samenstelling van een basiseenheid:

  • 1 bevelvoerder (onderoffcier) inzetbaar op operationeel niveau
  • 5 operationele brandweermannen

Om uiteindelijk tot volledige standaardisatie van eenheden te verkrijgen, moet er bepaald worden welk materiaal er minimum beschikbaar moet zijn om de opdracht uit te voeren.

Netwerk van eenheden

Het werken in een netwerk van middelen is voor de brandweer een nieuw gegeven. De brandweerorganisatie werk efficiënt tijdens de uitvoering van basisopdrachten. Het personeel en de middelen komen van eenzelfde kazerne. Het personeel is, door opleidingen en reële incidenten, gewend om met elkaar en met het materieel te werken. In de praktijk zien we dat het vaak minder vlot verloopt bij de grootschalige interventies. De opschaling van personeel en middelen verloopt meestal niet vlot. Met de werking van een hulpdienst tijdens grootschalig optreden is het personeel, manschappen en leidinggevenden, minder vertrouwd. Het gaat vaak over complexe incidenten met versterkingen van buiten de gekende (zonale) middelen. Elk complex of grootschalig incident heeft nood aan coördinatie om structuur in het globale verhaal te krijgen.

Opschaling

Tijdens een grootschalige brandweerinzet verloopt de opschaling heel empirisch. Hoe men zal opschalen is hierbij afhankelijk van de leider van de operaties. Uit het onderzoek van psycholoog Gary Klein (1985) blijkt dat leidinggevenden bij de brandweer terugvallen op Recognition Primed Decisionmaking (RPD). De leidinggevenden doen, na verloop van tijd en op basis van deelname aan een breed gamma interventies, ervaringen op. Ze worden geconfronteerd met een probleem en formuleren een oplossing. Afhankelijk van het resultaat zullen zij deze oplossing blijven onthouden en later toepassen bij soortgelijke tussenkomsten. In zijn onderzoek beschrijft Klein dat de betrokken firegroundcommanders (FGC) gemiddeld 23 jaar ervaring bij de brandweer hadden. Zij konden terug vallen op een ruime kennis en ervaring. De oplossing die zij verkozen, is de eerste oplossing die hen voldoening geeft.

De basis van zijn theorie heeft Klein gelegd in 1985 in het onderzoek naar de manier waarop beslissingen genomen werden onder tijdsdruk. Vrij vertaald baseert de bevelvoerder van de brandweer zich op ervaring, opleiding, ‘een buikgevoel’ of allerlei andere bepalende factoren. Het aansturen van mensen en middelen is complex en vaak onoverzichtelijk. Elke ontplooiing van operationele inzet vraagt strategie en eenduidige bevelvoering. Het spreekt voor zich dat de opschaling niet gestructureerd kan verlopen als deze gebaseerd is op een subjectieve parameter zoals het buikgevoel van een leidinggevende.

Incident command systeem commandostructuur

De brandweerorganisatie van de toekomst heeft nood aan een commandostructuur en een eenduidige invulling op operationeel, tactisch en strategisch niveau.
Commandostructuur

Deze drie niveaus zijn noodzakelijk om een incident overzichtelijk te beheren en aan te sturen. Op het strategisch niveau of beleidsniveau worden strategische doelstelling of objectieven uitgewerkt. Deze objectieven worden op het tactisch niveau (CP-Ops) uitgewerkt tot actieplannen. Vanuit deze actieplannen worden (deel)opdrachten gegeven aan de verschillende operationele eenheden. Het operationeel niveau is belast met het uitvoeren van deze opdrachten, volgens de geldende standaard operatie procedures (SOP), om samen de vooropgestelde strategische doelen te bereiken en het incident kwalitatief en gestructureerd af te handelen.

Om tot de invulling van een werkbaar ICS te kunnen komen, moet aan enkele randvoorwaarden voldaan zijn. Deze randvoorwaarden komen aan bod in de volgende editie van de brandweerman.

Brand en de voorspelbare afloop

Leestijd: 6 minuten
Gastblog Peter Entius
Afbeelding1

“Iedere beginnende brand is met een kopje water te blussen”, een mooie uitspraak van een ervaren brandweercollega. Als je net te laat bent met het kopje water geldt hetzelfde tot op zekere hoogte voor de slanghaspel, de sprinkler en de eerste autospuit. In de beginfase van de brand is vooral de hoeveelheid blusstof in relatie tot de omvang van de brand bepalend voor de afloop: wel of geen succesvolle blussing. Tot zover niks nieuws over de voorspelbare afloop

Op het moment dat de hoeveelheid blusstof ontoereikend is om de brand te blussen, krijgt deze de gelegenheid zich verder te ontwikkelen. Hierbij zijn twee factoren van belang: enerzijds moet er voldoende brandstof zijn (vuurlast). Anderzijds kunnen verschillende ‘barrières’ de ontwikkeling van brand verhinderen, zoals brandcompartimentering, brandgangen, maar ook onvoldoende aanwezigheid van zuurstof (antiventilatie). Je zou kunnen stellen dat, als er onvoldoende blusstof beschikbaar is, deze twee factoren ten opzichte van elkaar de afloop van de brand bepalen.

Daar hoort nog een belangrijke, derde factor bij: tijd. Ook dit heeft weer twee kanten: de brand heeft een bepaalde tijd nodig om te ontwikkelen. Zoals bekend ontwikkelt een brand zich niet evenredig, maar exponentieel in de tijd (als brandstof en zuurstof zich tenminste gunstig tot elkaar verhouden). Aan de andere kant heeft de brandweer een bepaalde tijd nodig om op te schalen en het benodigde debiet aan blusstof beschikbaar en op het vuur te krijgen. Dit wordt ook wel ‘tijd/tempo’ genoemd.

De afloop van de brand wordt bij onvoldoende blusstof dus bepaald door:

  1. De hoeveelheid beschikbare brandstof; op een bepaald moment is àlle brandstof bij de brand betrokken. De schade is dan maximaal. De brand is hierna over het hoogtepunt heen en de ‘dooffase’ begint;
  2. De aanwezige barrières, voor zover die in staat zijn de ontwikkeling van de brand te stoppen. Ter illustratie: op basis van de bouwregelgeving onderscheiden we in de basis drie tijden qua brandwerendheid: 20, 30 en 60 minuten. Indien de brandstof langer kan branden dan de brandwerende scheiding stand houdt, zal de brand verder uitbreiden. De brandwerende scheiding is dus alleen effectief als deze in verhouding staat tot de aanwezige vuurlast (en intact c.q. gesloten is). En dat is regelmatig niet het geval.

De blussing speelt pas weer een rol van betekenis op het moment dat er voldoende debiet op de brand gebracht kan worden. Bij de opschaling van de brandweer is het van belang rekening te houden met de ontwikkeling van de brand en als het ware zoveel (extra) debiet te organiseren, dat je de verdere ontwikkeling van de brand voor kunt blijven: organiseren op ‘de verwachte afloop’.
Er is bij grotere branden dus vaak een fase waarin je geen effectieve inzet kunt plegen, vanwege een tekort aan debiet. In die fase zou de aandacht vooral gericht moeten zijn op het organiseren van de slagkracht.

De kern van de gedachte van de ‘voorspelbare afloop’ is, dat je dit vooraf al kunt bepalen.

Je zou 4 fasen kunnen onderscheiden:

  • Fase I: de beginnende brand, waar je nog met betrekkelijk weinig blusstof de brand kunt blussen;
  • Fase II: de ontwikkelde brand, waar onvoldoende blusstof beschikbaar is, maar de brand nog niet het hoogtepunt heeft bereikt; er valt nog iets te redden;
  • Fase III: de ontwikkelde brand, die het hoogtepunt heeft bereikt. Hierna begint de dooffase. Er valt aan het oorspronkelijke brandobject niets meer te redden. Doel is vooral verdere uitbreiding naar belending te voorkomen;
  • Fase IV: de brand dooft en vraagt weer een beperkt debiet voor blussing.
Afbeelding2

Voorspelbare afloop
Als je deze redenering volgt kun je de afloop van veel branden dus vooraf redelijk voorspellen. De variabelen zijn immers bekend of goed in kengetallen te vangen (zie onderaan wat voorbeelden).

Laten we even uitgaan van een brand, waarbij de gebruiker zelf niet (meer) kan blussen:

  • Het gebouw en het gebruik ervan zijn indicatief voor de aanwezige vuurlast: een woning, een kantoorgebouw, een bouwmarkt, etc. De vuurlast is bepalend voor de energie van de brand en dus voor het benodigde debiet voor effectieve blussing;
  • De eerste uitruk van de brandweer (debiet en opkomsttijd) is bepalend voor een wel of niet effectieve blussing in de beginfase. Het gaat hierbij dus niet alleen om (opkomst)tijd, maar dit in combinatie met voldoende debiet;
  • Indien er in fase I onvoldoende debiet voor blussing beschikbaar is, draait het vervolgens om de brandstof versus de aanwezige en effectieve barrières (fase II):
    • Zijn er brandbeheersingsmaatregelen (compartimentering, rook- en warmteafvoer, sprinkler, etc) getroffen en staan deze in verhouding tot de vuurlast?
    • Zo ja, dan kan de brand binnen het betreffende compartiment blijven;
    • Zo nee, dan kan de brand uitbreiden naar het volgende compartiment/object.
    • Is de brandweer in staat vóór het hoogtepunt van de brand voldoende debiet op de brand te krijgen?
      • Zo ja, dan kan de brand tot dat punt beperkt blijven;
      • Zo nee, dan zal de ontwikkeling van de brand afhankelijk zijn van de barrières, zie vorige punt.

Deze variabelen zijn per object vooraf bekend of goed in te schatten. Zelfs tijdens de rit of na aankomst kunnen deze nog worden ingeschat. Met behulp van een aantal praktische kengetallen voor vuurlast, tijd/tempo en brandbeheersing kan de verwachte afloop worden voorspeld. En kan deze vervolgens als basis voor de tactische inzet gelden.

Afbeelding3
Afbeelding4

Wat betekent een voorspelbare afloop voor…?

–          de verkenning:
behalve in fase I zou de verkenning zich kunnen richten op het bepalen van de ‘verwachte afloop’ aan de hand van de genoemde (gebouw)kenmerken (en dus veel minder op de brandkenmerken);

–          de (eerste) inzet:
begin bij grotere panden/compartimenten direct met je zwaarste middel: omgekeerd denken. Niet eerst met Hoge Druk of Lage Druk, maar gelijk het Waterkanon inzetten of in ieder geval gereed maken. Die staat dan vast en daardoor kan (later) geen tijd meer verloren gaan. Op wat grotere schaal (vanaf uitslaande brand): direct meerdere hoogwerkers met waterkanon inzetten in plaats van handstralen, waarbij het water grotendeels van het pand afloopt;

–          de brandweeropleiding:
het bepalen van de ‘verwachte afloop’ vraagt kennis, inzicht en toepassing van de genoemde variabelen. Dit zou in opleiding en oefening een plek verdienen;

–          risicobeheersing:
de ‘sleutel’ van de afloop van de brand ligt, met de mogelijkheid tot het aanbrengen van barrières, veel meer in handen van de eigenaar/gebruiker van het pand, dan van de brandweer. Dit zou de (meer effectieve) benadering van de eigenaar/gebruiker in de fase van ontwerp en gebruik kunnen zijn. De regelgeving voorziet in een ondergrens. Het belang van de eigenaar/gebruiker leidt tot het uiteindelijke niveau aan brandbeheersing;

–          de brandweerdoctrine:

  • deze redenering zou doorvertaald kunnen worden naar alle mogelijke inspanningen om in de beginfase van branden voldoende debiet op het vuur te kunnen krijgen (rookmelders, sprinklers, zelfbluszaamheid, eerste uitruk-formules, etc);
  • de relatie incidentbestrijding-risicobeheersing zou verder gekoppeld kunnen worden aan het concept van de verwachte afloop: ontwikkelen van het ‘omgekeerd denken’ en dit kan in bruikbare vorm worden doorvertaald naar alle schakels van de veiligheidsketen.

Wie zou ‘de glazen bol’ nou niet in handen willen hebben…?

Bijlage: enkele vuistregels, waar je aan zou kunnen denken…

In het stuk wordt gesproken over het gebruikmaken van kengetallen of vuistregels. Hieronder een aantal voorbeelden waar je aan zou kunnen denken.

Vuistregels ‘Optimaal Blusdebiet’
Voor een optimaal blusdebiet wordt als kengetal 4 liter/minuut/m2 aangehouden voor gemiddelde vuurbelasting en 6 liter/minuut/m2 voor hoge vuurbelasting. Als je deze getallen koppelt aan de wateropbrengst van een Hoge Druk-, Lage Drukstraal of een Waterkanon kun je de oppervlakte bepalen die je effectief kunt bestrijden. Op basis van de brandende oppervlakte kun je vaststellen of je voldoende bluspotentieel beschikbaar hebt. Op basis van de benodigde opschaling- en inzettijd (‘water op het vuur’) kun je bepalen of je nog voor het hoogtepunt van de brand (fase II) voldoende debiet beschikbaar kunt krijgen. Zo kan de invloed van de blussing worden voorspeld.

Afbeelding5

Vuistregels ‘Vuurbelasting versus Brandwerendheid’
Er bestaan vele tabellen met een indicatieve vuurbelasting per gebruiksfunctie. In onderstaande tabel is de brandwerendheid van 20, 30 en 60 minuten vertaald naar de maximale vuurbelasting, waarbij die brandscheiding nog standhoudt. Vervolgens staan enkele voorbeelden genoemd van gebruiksfuncties, die onder dat maximum blijven.

Voor gebruik in het veld zou je de binnen het verzorgingsgebied meest voorkomende of essentiële gebruiksfuncties in een overzichtelijke tabel kunnen opnemen. Vervolgens kun je de algemeen geldende brandcompartimentering (voor die functie) in de tabel toevoegen.

Zo kan op basis van standaard kengetallen een voorspelling over het al dan niet standhouden van de brandwerende scheiding worden gedaan (bij niet-effectieve inzet van de brandweer, zie ook vorige tabel). Hoe specifieker de gegevens, hoe meer betrouwbaar de voorspelling. Informatievoorziening (t.b.v. planvorming) hierover is dus primair (in) het belang van de eigenaar.

Afbeelding6

Anticiperen
Hoe eerder in de tijd deze variabelen bekend zijn, hoe meer je op de verwachte afloop kunt anticiperen en deze nog kunt beïnvloeden. Bij het ontwerp kan het meegenomen worden in het gesprek met de eigenaar/gebruiker om tot het gewenste of aanvaarde niveau van brandbeheersing te komen. In de planvorming kan het worden gebruikt om standaardscenario’s met bijbehorende eerste uitrukpotentieel en inzetstrategie te bepalen. En bij de inzet kan het tenslotte worden gebruikt om de inzettactiek te bepalen.

© 2020 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑