Wanderings

Tag: Creativiteit (Page 1 of 2)

Inleiding op Rizoom en Gilles Deleuze

Leestijd: 5 minuten

Gilles Deleuze wordt algemeen gezien als de ‘ontdekker’ van het rizoom, alhoewel hij daar zelf waarschijnlijk anders tegenaan gekeken zal hebben. Het rizoom was er al, je hoefde het alleen nog maar te zien. En om het te zien moet je verrekte goed kijken, want het is niet eenvoudig. Ik doe hier een poging met voorbeelden uit het brandweerveld, want dat is het rizoom waar ik indertijd in zat.

Als je in één zin moet zeggen wat een rizoom is, dan zou ik zeggen dat het een netwerk is met heterogene componenten. Met heterogene componenten bedoel ik dat het om eigenlijk alles kan gaan: dingen, mensen, dieren, natuur, muziek, waarden, zingeving, brandweer, noem maar op.

Het karakteristieke van een rizoom is dat het geen begin en geen einde kent. Eerder is het een geheel van koppelingen en verbindingen in een soort van structuur, zonder een centralistische aansturing.

Netwerksamenleving

De NSOB publiceerde in 2010 een essay over de netwerksamenleving en gebruikte daarin ook het rizoom. Zij formuleerden het aldus: “Een samenleving is een netwerk van netwerken die op de één of andere manier allemaal met elkaar verbonden zijn, maar waarin tegelijkertijd geen samenhang, maar juist fragmentatie en gelaagdheid te ontdekken valt. Verbondenheid zonder samenhang is een belangrijk kenmerk van het rizoom.”

De bron.

Een rizoom kent geen coördinator of baas, heeft geen richting en ‘is’ eigenlijk alleen maar. Het bestaat. Deleuze noemt het zelfs een becoming, iets wat wordt. Als je op deze manier naar de werkelijkheid kijkt, ontstaan er opeens heel andere oplossingsrichtingen en interventies.

Weer even naar de NSOB: “”Zeker in een rizomatische samenleving is de dynamiek en complexiteit zodanig, dat louter organisatiestructurele antwoorden steeds vaker zullen ‘wringen’: de samenleving is gefragmenteerd en gelaagd evenals de daarin voorkomende problemen, waardoor ‘standaardoplossingen’ niet volstaan.”

Connecting dots

Essentieel in deze benadering is dat je contact maakt met het rizoom: je wordt één van de koppelingen. Connecting dots. Dat vraagt wel om een actieve houding, omdat je ook moet connecten met de andere componenten uit het rizoom. Zoek de gelaagdheid uit, ontdek de fragmenten en heb oog voor de heterogeniteit van die componenten.

Dat betekent goed luisteren en kijken, zonder oordeel, met een ongekleurde bril. Je hoeft slechts vast te stellen, te ontdekken. Door met de koppelingen te spelen, nieuwe toe te voegen en uit te breiden, wordt het rizoom langzaam anders terwijl het toch hetzelfde blijft. Nieuwe normaliteit noem ik dat.

Gilles Deleuze wordt gezien als de grondlegger van de rizoombenadering. Samen met Felix Guattari schreef hij ‘Mille Plateaux’, door mij vaak de Dikke Deleuze genoemd vanwege de 688 pagina’s die het beslaat. In dat boek wordt het rizoom als metafoor gebruikt om naar de samenleving te kijken.

Wortelstok

Van origine is een rizoom een biologische term voor wortelstok, zoals de bamboe of de paardenbloem. Iedereen met een paardenbloem in zijn gras weet dat hij dat nooit meer kwijt raakt omdat ondergronds al die bloemen met dezelfde wortel zijn verbonden. Maakt niet uit wat je er uittrekt, het komt steeds weer terug.

De Dikke Deleuze noemt een aantal karakteristieken van rizomen. Dat is eigenlijk best abstracte materie, dus heb ik geprobeerd met voorbeelden van de brandweer het iets concreter te maken. Ik weet niet of het wel helemaal klopt wat ik hier doe, maar daar kom ik later vast nog wel eens op terug. Sowieso is dit niet het laatste stukje tekst over rizomen, dat zal zich de komende tijd verder ontwikkelen.

“Wij hebben de l’anti-oedipe met z’n tweeën geschreven. Omdat ieder van ons uit meerderen bestond, maakte dat al veel uit. In dit werk hebben wij alles gebruikt wat ons aansprak, dat wat ons het meest nabij was en dat wat het verst van ons afstond.”

Deleuze en guattari

Het principe van connectiviteit en heterogeniteit.

“Any point of a rhizome can be connected to anything other, and must be. This is very different from the tree or root, which plots a point, fixes an order”.

Je zou de brandweer als een rizoom kunnen beschouwen, van 1 brandweermens tot een ploeg tot een kazerne tot een veiligheidsregio, uiteindelijk brandweer Nederland.

Maar de connecties kunnen verder door, tot internationale brandweerorganisaties, of andere hulpverleningsorganisaties, of met alles wat rood is. Zoek de overeenkomsten en als er dots connected kunnen worden, is het een rizoom.

Het Lelietje-van-dalen is een plantje dat iedereen wel van naam kent en dat zich ontwikkelt via een rizomatische wortelstok.

Het principe van de veelheid (multiplicity)

“A multiplicity has neither subject nor object, only determinations, magnitudes and dimensions that cannot increase in number without changing the multiplicity in nature”.

Vandaag, 29 september twitterde ik over het ongevalsrapport dat verschenen is naar aanleiding van het sneuvelen van 19 bosbrandbestrijders in juni dit jaar in Amerika. Feitelijk was een beperkte situational awareness gecombineerd met verbroken portoverkeer de belangrijkste verklaring voor het ongeval. Daardoor werd de brand onderschat en kon er geen correctie plaatsvinden vanuit het commandocentrum.

Maar als je identiteit van brandweermensen toevoegt aan de verklaring, ontstaat er opeens een heel ander rizoom. Dan bepaalt identiteit dat men in de frontale aanval gaat, en niet wacht tot de vuurhaard voorbij is en hem dan in de flank of de rug aan te pakken. Overigens was het rizoom ‘brandweer’ al veranderd door dit ongeval.

Het principe van de onsignificante (asignifying) scheuring.

“A rhizome may be broken, shattered at a given spot, but it will start up again on one of its old lines or on new lines”. Ook hier kan je de analogie leggen met gesneuvelde collega’s. Weliswaar is het rizoom beschadigd, maar het verandert zich, past zich aan en ontwikkelt door. Ook bij grootschalig optreden kun je zien dat aflossing in zekere zin een scheuring is van het rizoom, maar dat de blussing gewoon doorgaat. Misschien is 9/11 nog wel het mooiste voorbeeld van deze karakteristiek. Brandweer New York verloor in één klap 343 brandweermensen, maar ze bestaat nog steeds en is misschien nog wel taaier dan ooit.

Het principe van de kartography en decalcomania.

“The rhizome is altogether different, a map and a tracing. The map is open and connectable in all of its dimensions; it is detachable, reversible. Susceptible to constant modification (..) Perhaps one of the most important characteristics of the rhizome is that it always has multiple entryways, as opposed to the tracing which always comes back to the same”.

Feitelijk hebben we met het procesteam brandweerdoctrine deze karakteristiek gekozen voor de implementatie van het kwadrantenmodel. Door het kwadrantenmodel beschikbaar te stellen via internet, Linked In groepen te starten en te twitteren, columns te schrijven en presentaties te geven ontstond er een groot rizoom waardoor het kwadrantenmodel overal in Nederland is opgepopt.

Dit blog is onderdeel van het thema ‘rizoom.’ Op die pagina vind je nog meer blogs over dat onderwerp.

Desenrasque of de nobele kunst van de vindingrijkheid

Leestijd: 4 minuten
Ed Oomes, -2 januari 2019

Op 22 september 2018 mocht ik een lezing houden voor het Firefighter Mayday Symposium op de Campus Vesta in België. Het was een internationaal gezelschap dat zich boog over vraagstukken als Rapid Intervention Teams (RIT), Cardiovasculaire aspecten van het brandweerhart (wie anders dan Erik Mol) en leren van ongevallen (dat was ik).

Eén van de andere sprekers was Rui Leite, van het brandweerkorps Moreira-Maia uit Portugal. Hij hield een enthousiasmerend betoog over het veranderen van brandweerkorpsen en vertelde en passant (onder luid gejoel en geklap) waarom de Portugese brandweer de beste ter wereld is. Ik spitste mijn oren.

Rui Leite
Loyaliteit

In de eerste plaats, zo vertelde Rui Leite, is de Portugese brandweer heel erg loyaal. De enorme bosbranden vragen veel inzet en tijd van de mensen. Daar kwam dan nog bij dat door de financiele crisis veel Portugezen hun heil elders in Europa waren gaan zoeken, waardoor er van de 55.000 vrijwilligers ruim 10.000 waren vertrokken. Dat vroeg om nog meer loyaliteit. Een bijzondere lange staart van de crisis.

McGyver als toonbeeld van Desenrasque

De tweede reden van de goede kwaliteit van de Portugese brandweer heeft volgens Rui Leite te maken met een nationale eigenschap van de bevolking zelf: Desenrasque. “Desenrasque is Portugese improvisation”, zei Leite voor een alweer rumoerige zaal omdat alle brandweerkorpsen nu eenmaal vinden dat ze goed kunnen improviseren, “and we are very good at it. It’s not normal improvisation, it’s McGyver improvisation”.

Desenrasque

Desenrasque dus, interessant. Ik had er nog nooit van gehoord. Hoe zou je dat schrijven? In de pauze liep ik naar Leite om er wat meer over te horen. Hij vertelde dat Desenrasque veel te maken had met het feit dat Portugal vaak bezet was geweest door vreemde mogendheden, waardoor de bevolking moest improviseren om te kunnen overleven. Er was een informeel systeem nodig om het formele systeem te kunnen weerstaan. En ook al was Portugal al weer lang een zelfstandige democratie, de desenrasque was nog niet verdwenen. Er waren zelfs academische studies naar gedaan, vertelde hij trots terwijl hij het woord voor mij op een papiertje schreef.

Het briefje van Rui Leite

Eenmaal thuis toog ik op zoektocht naar die academische studies en dat viel nog niet mee. Daar had ik al mijn desenrasque voor nodig en / of een talenknobbel, want vrijwel alle studies waren in het Portugees zelf. Wat vond ik wel: een onderzoek naar Portugese Positivity van Victor Manuel Monteiro Seco. Hij schrijft:

In addition, the Portuguese people also has a specific type of behavioral flexibility commonly called “desenrasque”. Can be described as the art of solving problems resulting from increasing and unplanned complexity, short-terms and lack of adequate structures, which requires expeditious answers and “forging ahead” with the least possible mishaps.

Seco schrijft verder dat desenrasque zich, ondanks het feit dat het een nationale eigenschap lijkt te zijn, vooral manifesteert als individuele bezigheid. In sterk hierarchische situaties kan dat tot clandestien gedrag leiden, of in Seco’s woorden: “it is said one thing and does another – perhaps better.”

Organisatorische improvisatie

Wat vond ik nog meer: een website met foto’s van desenrasque:

Tot slot vond ik wat artikelen van Miguel P. Cunha, onder andere het volgende:

THE INSTITUTIONS OF ARCHAIC POST-MODERNITY AND THEIR
ORGANIZATIONAL AND MANAGERIAL CONSEQUENCES:
THE CASE OF PORTUGAL.

Alleen vanwege de titel al zou je het willen lezen. Wat heeft Cunha nog aan te vullen? Allereerst constateert hij dat managers uit andere landen zich niet helemaal in desenrasque kunnen vinden, om het zachtjes uit te drukken:

The Portuguese preference for improvisational approaches to work, expressed in the practice of desenrasque or “disentanglement”, is criticized by expatriates but painted with an almost aesthetic quality by Portuguese managers, proud of their skills to deal with surprises – often resulting from lack of planning.

Hier moest ik al een klein beetje om gniffelen; vervang ‘Portuguese’ door ‘brandweer’ en ‘expatriates’ door ambtenaren en je weet wat ik bedoel. En toen moest dit citaat nog komen:

What in the management literature is seen in positive terms as improvisation is redefined into the art of working around obstacles, such as bureaucracy.

Toen zat ik echt schaterend van herkenbaarheid achter mijn computer. Hoe omzeil je de obstakels van de burokratie als esthetische kwaliteit, geweldig. De link die Rui Leite legde met de onderdrukking van Portugal werd zo ineens een stuk duidelijker. Desenrasque is meer dan improvisatie alleen, het is de nobele kunst van de vindingrijkheid.

Het onderwerp van de organisatorische improvisatie heeft inmiddels mijn warme interesse, daar zal ik in 2019 dan ook meer over gaan schrijven. Dan wordt ook ineens die link met de jazz muziek duidelijk, vermoed ik. Dus kom vooral weer vaak op Rizoomes.nl kijken volgend jaar. Voor nu blijft er nog maar één dingetje over:

Ik wens je in 2019 veel desenrasque toe!


Oog in oog met een oude meester. De graffiti van Gerard Houckgeest

Leestijd: 4 minuten

Wellicht hoorde je nog nooit van Gerard Houckgeest. Maar na dit blog is dat wel anders. Het is gewoon de eerste bij mij bekende graffiti master van Nederland. Uit 1651. Echt wel.

Ik had mezelf beloofd om in mei en juni 2018 eens een flink aantal musea te bezoeken. Met schilderijen. En daarna zou ik er dan een stukje over schrijven. Een essay of zo, over hoe ik oog in oog met de oude meester had gestaan. Dat hij en ik hetzelfde beeld hadden gezien, eeuwen overspannend en dat daarmee een bijzondere connectie was blootgelegd. Vervolgens zou ik diepzinnige gedachten daarover aan dit blog toevertrouwen. Het zag er destijds uit als een goed plan. Gewoon doen maar dan, toch?

Aldus toog ik opgewekt naar het Mauritshuis in Den Haag, het Meisje met de Parel was mijn doel. In de desbetreffende zaal zag het echter zo zwart van de mensen dat ik eerst maar eens verder ging kijken. Ik was er nu toch en voordat ik Vermeer ongestoord in de ogen zou kijken, was het vast al weer een uurtje later. Op verkenning dus, in dat imposante pand naast het Binnenhof.

In een zaal verderop vond ik een schilderij van Gerard Houckgeest. Nog nooit had ik van de beste man gehoord en vele anderen kennelijk ook niet; naast mij en een oude suppoost was er helemaal niemand in de ruimte. Misschien kon ik hier mijn plan ten uitvoer brengen, voor een eerste keer moest ik wellicht ook niet te kieskeurig zijn. Lekker beginnen met een Houckgeestje, om te oefenen. Uitproberen, evalueren, verbeteren. Vermeer kwam dan gewoon een volgende keer aan bod.

Ik keek om te beginnen daarom nog eens goed op het bordje, om mijn situational awareness van het schilderij te optimaliseren. Waar stond ik nou eigenlijk naar te kijken?

Zo te zien stond de graftombe van Willem de Zwijger op het schilderij afgebeeld. Uit 1651. Of zou het in 1651 zijn? Het was in ieder geval oud genoeg, zo oordeelde ik. Aan de slag. Ik deed een stap acheruit om het schilderij eerst eens volledig in mij op te nemen. En daarna zou ik inzoomen, op zoek naar het oog van de meester. En zo geschiedde. Dit was wat ik zag. Kijk vooral zelf even goed.

Het eerste wat me opviel was een soort kindertekening op een giga pilaar. Een kindertekening? Of was het grafitti? In de Middeleeuwen? Verbaasd zoomde ik in. Het was echt gewoon een stokmannetje, een vogelverschrikker.

Houckgeest moet wel een groot gevoel voor humor hebben gehad om zo’n serieus schilderij (een graftombe) te versieren met een stokmannetje. Hier moest ik meer van weten; op naar de suppoost. Die was het nog niet eerder opgevallen en sowieso had nog niemand die vraag ooit gesteld. Hij verwees me naar de informatiebalie in de hal. Daar konden ze me vast verder helpen. Maar ook bij de balie hadden ze er nog nooit van gehoord. Wel wilden ze mijn vraag doorsturen aan een conservator. Ik zou dan vanzelf een antwoord krijgen. Het was het proberen waard.

Een week later had ik inderdaad een mail in de box.

“Via de informatiebalie van het Mauritshuis kwam uw vraag over het schilderij van Gerard Houckgeest bij mij terecht. Hartelijk dank voor uw vraag, het is altijd leuk om te horen dat de schilderijen in de collectie de nieuwsgierigheid prikkelen. Op het schilderij De graftombe van Willem de Zwijger in de Nieuwe Kerk in Delft (inv. 58) zijn inderdaad rode figuurtjes te zien op de voorste pilaar. Dit is een zeventiende-eeuwse weergave van graffiti; iemand heeft met rood krijt op de pilaar getekend, misschien een van de kinderen die in de kerk aanwezig zijn. Onderaan de pilaar staan ook het monogram van de kunstenaar en het jaartal op deze manier op de pilaar geschreven. Er zit dus niet echt een betekenis achter, het is meer een amusante toevoeging van de kunstenaar en wellicht een blijk van de realiteitszin van Houckgeest.”

Amusant was het zeker. “Kwam het vaker voor, dergelijke grafitti”, zo vroeg ik mij af in een reply aan het Mauritshuis.

Weer een week later zat er een nieuw antwoord in de mailbox.

“Dat is een goede vraag. Ik ben het zelf nog niet tegengekomen op deze manier. Wat wel vaker voorkomt is dat een kunstenaar zijn werk op deze manier signeert en/of dateert, dus door het op de pilaar of een ander architecturaal element te schrijven en daardoor te integreren in de compositie. Dit voorbeeld van Houckgeest is wellicht niet uniek, maar ik kan u zo helaas geen andere voorbeelden geven; het is dus in ieder geval niet een veelvoorkomend fenomeen.”

Het is dus geen veelvoorkomend fenomeen, middeleeuwse grafitti op schilderijen. Dat nu net het eerste schilderij wat ik sta te bestuderen wordt gesierd met een stokmannetje vind ik een goede grap, met mijn achteraf wel iets te serieuze plan. Oog in oog met een oude meester, op zoek naar dieperliggende verbanden, wordt ik door hem drie en een halve eeuw later gewezen op de vanzelfsprekendheid van alledag. Een kwestie van goed kijken en het niet moeilijker maken dan het is. Niet alles zo serieus nemen. Af en toe een lolletje trappen: doe eens een practical joke en laat hem een paar eeuwen lopen. Gewoon omdat het kan. Ze wisten het al in 1651. Maar wij zijn het bijna vergeten.

Creatief denken doe je niet in een oude doos

Leestijd: 3 minuten

The electric light did not come from the continuous improvement of candles.” Oren Harari

Eerste plaatsing 13 maart 2018
Laatste update 16 augustus 2019

Op 12 maart 2018 vond ik mijzelf terug in kasteel de Vanenburg te Putten, als deelnemer aan de Stakeholdersdag van de veiligheidsregio’s. Zoals vaker miste ik een afslag, waardoor ik eerst een uitgebreide buitenverkenning moest uitvoeren alvorens ter plaatse te komen. En het moet gezegd, het buitengebied van Putten is echt prachtig, net als het kasteel de Vanenburg overigens.

Bij mijn aankomst was het programma inmiddels in volle gang en ik viel er een beetje in en daarmee ook een beetje buiten. Dat zijn zo van die dingen die soms samen gaan; een mens past immers niet altijd in the bestaande box. Direct na de lunch ervoer ik echter een kleine opleving van groot enthousiasme toen Ad van Berlo aan het woord kwam.

Van Berlo is hoogleraar entrepreneurial design aan de TU Eindhoven en probeerde een college creatief denken te geven, als inleiding op de middagworkshop. Omdat het programma wat uitliep in de tijd moest de inhoud met stoom en kokend water voor het voetlicht worden gebracht. Vandaar dat ik zeg dat Van Berlo een college probeerde te geven; het kwam op dat moment niet helemaal uit de verf.

En dat was jammer. Want hij liet een klein stukje zien van een Ted Talk van Luc de Brabandere, een voor mij tot dan toe compleet onbekende corporate filosoof. Met een geweldig verhaal over creatief denken, geëntameerd door een simpele vraag uit het publiek op een eerdere bijeenkomst.

“Luc, je hebt al een paar keer gezegd dat we out of the box moeten denken. Maar hoe ziet die oude doos er eigenlijk uit, waar wij uit moeten denken?”

Daar stond De Brabandere met zijn mond vol tanden, hij kon er geen antwoord op vinden. Op dat moment stopte Van Berlo het filmpje, gaf er nog een kort commentaar op en ging door met zijn eigen verhaal. ‘Luc de Brabandere Ted Talk Checken,’ typte ik ondertussen in mijn telefoon. ‘Thuis kijken.’


Klik op de foto voor de Ted Talk van Luc de Brabandere

“Een box staat tot denken als een baksteen staat tot een gebouw.” Je kan er niet zonder, stelt De Brabandere. Elke doos is een mentaal model, een set van aannames, ervaringen en veronderstellingen die het denken vorm geven. Denken kan dus niet zonder die box en je er kan prima in doorontwikkelen. Er zijn namelijk heel veel manieren om je kaars te verbeteren, om licht te halen uit een verbrandingsproces. Deductie, noemt De Brabandere dat.

Maar creatief denken is totaal anders. Daarvoor heb je een andere, nieuwe vraag nodig. Electrisch licht ontstaat niet door het continu verbeteren van een kaars. Om de stap van een kaars naar electriciteit te maken heb je een nieuwe doos nodig, waarin bedacht is dat licht kan ontstaan door iets juist niet te laten verbranden, maar te laten gloeien. Dat is inductie, volgens De Brabandere; op welke andere manieren dan verbranding kan ik licht laten ontstaan? Zijn conclusie is simpel als je wilt innoveren: denk niet out of the oude box, maar denk in een nieuwe box.

“I realized that in creative thinking my focus was much to much on creativity, not enough on the word thinking.”

Luc de Brabandere

Stel je vraag daarom eens anders, maak een nieuwe hypothese en denk. Creatief denken vraagt om meer nadruk op denken. Dus pak gewoon eens de verkeerde afslag en ga lekker buiten verkennen, wanderen, overtreed het tijdspad en vind een nieuwe box. Het kan overal waar je wilt. Ook in Putten, zoals ik ervaarde bij Kasteel Vanenburg.

Yogi Bear, rizomen en het getal van Dunbar

Leestijd: 7 minuten

Ik wil al heel lang een blog schrijven over het getal van Dunbar, maar tot nu toe is dat niet echt gelukt. “Misschien moet je het dan ook maar niet doen”, zegt een zeikerig stemmetje in me. Maar ja, het is zo’n interessant gegeven dat ik er toch wel wat mee wil.

Ik weet alleen niet zo goed wat, waar ik mee moet beginnen. En al helemaal niet waar ik mee moet eindigen. “If you don’t know where you going, you might end up somewhere else”, zegt Yogi Berra daarover. Gewoon beginnen dus, zien we wel waar we uitkomen. En wie Yogi Berra is zie je later wel.

Yuval Harari

“Sociologisch onderzoek heeft aangetoond dat de maximale natuurlijke grootte van een door roddel verbonden groep op zo’n 150 individuen ligt. De meeste mensen kunnen niet meer dan 150 anderen kennen of effectief over ze roddelen.”

Dat is dus het getal van Dunbar: een maximale groepsgrootte van 150. Er zijn geen formele rangen, titels of procedures nodig om in zo’n groep de orde te bewaren. Ik las er voor het eerst over in het onvolprezen boek van Yuval Harari, ‘Sapiens’. Een aanrader, dat boek.

Star Trek 37’s

Ik heb ook overwogen om het blog over Dunbar te beginnen met de aflevering 37’s van Star Trek Voyager. Ik schreef al eerder over die episode in ‘een kleine ode aan de verdwenen ontdekkingsreiziger.’ Voyager is in 37’s terecht gekomen op een planeet waar zich verdwenen aardgenoten uit de jaren 30 blijken te bevinden.

Letterlijk terecht gekomen, want het is de eerste aflevering waar de Voyager landt op een planeet. En wat blijkt, als iedereen is uitgestapt: er zitten 150 bemanningsleden aan boord. Precies het getal van Dunbar dus en bij Star Trek is dat geen toeval. Hoewel ze er verder niets mee doen. Ik ook niet. Een leuk weetje.

Sapiens

Dan dat roddelen. In een groep van 50 individuen is er sprake van 1225 één op één relaties. Dat is veel. En er zijn nog veel meer complexe combinaties tussen (sub) groepen. Het is voor een groep daarom heel belangrijk om te weten wie er een hekel heeft aan wie, wie het met wie doet, wie eerlijk is en wie juist niet. Daar kom je alleen achter door te roddelen.

Alle mensapen hebben een grote belangstelling voor dit soort sociale informatie, maar alleen de sapiens kan dankzij taal ook effectief en heimelijk roddelen. De maximale groepsgrootte van de sapiens is daarom ook 150, tegen 50 bij chimpansees. Je snapt het al: er is niet slechts één getal van Dunbar, er zijn er meer. En roddelen is prima, voor de overleving van de soort.

Dialoog

Na het schrijven van het blog over ‘commandovoering is een dialoog’ kwam opnieuw het plan op om over Dunbar te vertellen. Want zo’n dialoog, dat werkt dus niet in hele grote groepen. Althans, niet direct vanaf het begin omdat je eerst vertrouwen moet opbouwen om goed naar elkaar te luisteren. Hoe groot moet die groep dan zijn?

Welnu, Dunbar maakt onderscheid tussen sterke en zwakke banden. Hoe groter de groep, hoe zwakker de onderlinge banden. Je ziet het in onderstaand figuur.

Groepsgrootte

De basisgroep bestaat uit ongeveer vijf personen. En ik zeg ongeveer, omdat deze theorie werkt met ordes van grootte. Het is geen beta wetenschap. Vijf is dus ook zes, zeg maar, misschien zeven ook nog wel. Dat is dan een homogene groep, met sterke banden die vaak en veel aangehaald worden. Zoals in een gezin of jawel, een brandweerploeg.

Het volgend niveau is ongeveer 15, drie keer zoveel dus. Dunbar ontdekte dat de groepsgrootte steeds met een factor drie groter wordt, dus niet alleen van vijf naar vijftien: 5, 15, 50, 150. Ik zou dat zelf niet te binair interpreteren. Het is eerder een continuüm met faseovergangen.

Boven 150 verandert de zaak: dan zijn andere middelen nodig om de cohesie en orde van de groep te bewaren, allemaal gebaseerd op taal en het vermogen van mensen om te denken in concepten en abstracties.

Harari noemt dat de legende van Peugeot. Peugeot bestaat helemaal niet als een specifiek object in de fysieke wereld. Toch werken er duizenden mensen en weet iedereen wat Peugeot is. Alleen mensen zijn in staat dit soort conceptuele vormen van denken te hanteren. In de theorie van Dunbar is er een correlatie tussen de grootte van de hersenschors bij de diverse primaten en de omvang van groepen bij iedere soort. Zie het onderstaand figuur.

Rizoom

Eigenlijk beschrijft Dunbar een soort taxonomie van rizomen. Je hebt kleine homogene rizomen, waar sterke verbanden bestaan tussen de verschillende deelnemers. Het is bijna een cel, moeilijk uit elkaar te halen en met weinig bewegingsvrijheid voor de leden. Je zit er bij, of je zit er niet bij.

En dan is daar het grote heterogene rizoom, waar de onderlinge verbanden veel minder sterk zijn en de samenstelling veel gevarieerder is. Ook dat rizoom is sterk: de leden kiezen er zelf voor om aan te sluiten en iedereen wordt herkend en erkend als lid. Want men kent elkaar wel. De kracht zit echter meer in de variatie van het rizoom als geheel dan in de afzonderlijke individuen zelf. Nieuwe leden komen en gaan, zonder al te veel problemen.

Collectief bewustzijn

Rizomen kunnen nog veel groter worden dan 150 mensen. Er zijn steden, landen, bedrijven met tienduizenden, zelfs miljoenen mensen, die zich allemaal verbonden voelen door een verhaal in een collectief bewustzijn. Alle brandweermensen op deze planeet voelen zich met elkaar verbonden, net als alle mensen in een grote stad of in een land.

“Elke vorm van grootschalige menselijke samenwerking – een moderne staat, een middeleeuwse kerk, een antieke stad of een archaïsche stam –  is geworteld in gemeenschappelijke mythen die alleen bestaan in de collectieve fantasie.” Hoe groter het rizoom, het zwakker de onderlinge banden, hoe heterogener de samenstelling en hoe sterker het verhaal. Ook dat is de legende van Peugeot.

Yogi Berra

Is er ook een ideale groepsgrootte volgens Dunbar? Bestaat er ergens op dat continuüm van groepsband en verhaal een optimale verhouding? Dan zou je namelijk een soort super rizoom kunnen maken. Ik besloot dat te googelen en kwam toen deze quote van Yogi Berra tegen: “Nobody goes there anymore, it’s too crowded.”

Een prachtige paradox waardoor ik gelijk aan de uitspraken van Johan Cruijff moest denken. Yogi Berra is een legendarische honkballer en coach uit Amerika, die overigens Lawrence heet. Ooit zag een college hem op de wisselbank zitten, wachtend op zijn slagbeurt, en hij vond dat Lawrence op een Yogi leek. Sindsdien heet ie dus Yogi Berra en hij heeft nog veel meer briljante uitspraken a la Cruijff op zijn naam staan.

Om maar eens een paar mooie te noemen die niet mis zouden staan in een handboek crisismanagement:

  • It ain’t over till it’s over.
  • If you don’t know where you going, you might end up somewhere else
  • It’s déjà vu all over again.
  • You can observe a lot by watching.
  • I really didn’t say everything I said.
  • If you can’t imitate him, don’t copy him.
  • It’s tough to make predictions, especially about the future.
  • Never answer an anonymous letter.
  • Even Napoleon had his watergate.
Yogi Bear

Van Yogi Berra is het nog maar een kleine stap naar Yogi Bear. Deze bekende beer met zijn groene hoedje en stropdas werd voor het eerst gelanceerd in 1958, precies op het hoogtepunt van de roem van Berra. Die was not amused bij de gelijkenis en dreigde met een rechtszaak, waarop Hanna en Barbera luidkeels ontkenden dat de twee iets met elkaar te maken zouden hebben. “We never thought of Yogi Berra when we named Yogi Bear.” Yeah right. De gelijkenis in de namen zou Berra tot na zijn dood blijven achtervolgen. Op zijn sterfdag, 23 september 2015, werden hij en de beer wederom door elkaar gehaald.

Wat te onthouden

Ja, inmiddels ben ik dus inderdaad heel ergens anders uitgekomen omdat ik niet wist waar ik precies heen moest schrijven. Yogi Berra had gelijk. En ik ga het niet meer rechttrekken ook, dus gelijk over naar de korte samenvatting: wat zou je over het getal van Dunbar moeten onthouden?

  • Mensen investeren tijd en energie in het onderhouden van verbanden met andere mensen. Dat doen ze vooral door roddelen. Hoe meer tijd mensen in elkaar stoppen, hoe homogener en hechter zo’n groep is. Maar het is wel een kleine groep: zo’n 5 mensen, ongeveer. En je kunt in niet veel van zulke groepen zitten. Geen tijd voor.
  • Hoe groter de groep, hoe losser de banden worden. In grotere groepen wordt het verhaal steeds belangrijker, de bestaansgrond van zo’n groep, om gezamenlijkheid te creëren. In theorieën over crisismanagement en besluitvorming wordt daar vaak de term sensemaking aan gehangen. Groepen gaan dan steeds meer rizomatisch van aard zijn en het belang van roddel neemt af.
  • Hoe groter de groep, hoe gevarieerder de samenstelling. Vanaf 150 mensen is de groep te groot om het van de onderlinge verbanden te hebben. Roddelen als bindmiddel is dan uitgewerkt. Er zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om de boel bij elkaar te houden, zoals een structuur, procedures, wetboeken. Omdat grote groepen minder tijd kosten, kun je er makkelijk in meerdere zitten.
  • Bovenal is een goed verhaal belangrijk als de groep cq het rizoom groter wordt, want dat is wat het rizoom verbindt. Het is wat Harari de legende van Peugeot noemde, maar wat je gemakkelijk uit kan breiden met allerlei soorten verhaal: Amsterdam verbindt Amsterdammers en geeft hen identiteit en verbinding. Overigens zal je dat in andere plaatsen ook wel hebben. Fans van voetbalclubs en rockbands over de hele wereld zijn met elkaar verbonden en zullen elkaar herkennen, ook al zien ze elkaar voor het eerst. En zo zijn er nog legio verhalen waarmee mensen zich met elkaar verbonden voelen.

Het mooie van het getal van Dunbar is dat het een andere invalshoek geeft aan organisaties en de wijze van groepsvorming. En dat het een nieuw licht laat schijnen op wat een rizoom is. Alleen daarom al mag dit blog over Dunbar niet op de website ontbreken.

Een kleine ode aan de verdwenen ontdekkingsreiziger

Leestijd: 8 minuten

Weinig spreekt zo tot de verbeelding als de ontdekkingsreiziger, en al helemaal de verdwenen ontdekkingsreiziger. Dit blog is een kleine ode aan die onfortuinlijke onderzoekers, zoals Antoine de Saint – Exupery, Captain Janeway en Amelia Earhart

The map is not the territory. Dat is een uitspraak van de Franse filosoof Gilles Deleuze en het wil zoveel zeggen dat een representatie van de werkelijkheid niet de werkelijkheid is. Alles wat je opschrijft en tekent is een interpretatie, het is niet dé realiteit. Niet de enige althans.

Voor veel mensen is dat aanleiding om de daadwerkelijke beleving belangrijker te vinden dan de verbeelding. Die gaan zelf op reis, naar zo onontgonnen gebied als mogelijk. Ontdekken. Afzien, zweten, dingen mee maken in the territory, niks map. Dat dus.

De Kleine Prins

Ik niet. Ik heb het liefst dat er voor me gereisd wordt en dat daar mooi verslag van gedaan wordt, zodat ik daar dan mijn eigen verhalen bij kan verzinnen. Ik reis mee in een boek, via de map. Op die manier hoef ik zelf niet op pad, de plantjes moeten namelijk nog water en de katten, voer.

Toch kom ik zo overal met mijn ‘meereizen’. Ik lijk wel de aardrijkskundige op de zesde planeet van de kleine prins, uit het beroemde boek van Antoine de Saint – Exupery. “Dat is een geleerde die weet waar de zeeën zijn en de steden, de bergen en de woestijnen”.

Hij schrijft de verhalen van ontdekkingsreizigers in dikke boeken. Eerst in potlood en dan in inkt, als de beschreven tochten zijn bewezen. “Want een leugenachtige ontdekkingsreiziger zou rampzalig zijn voor de aardrijkskundeboekjes. En ook een ontdekkingsreiziger die teveel zou drinken.”

De Kleine Prins getekend door Exupery zelf

De aardrijkskundige van de kleine prins heeft daarom een groot gebrek aan ontdekkingsreizigers. Want die houden wel van een biertje. Willem Kloos zei het al, “Ik houd erg van een mooi uitzicht buiten maar ik moet er iets te drinken bij hebben.”

Ontberingen maken dus dorstig. Ik weet dat, want ik heb er veel van in mijn boekenkast, ontberende ontdekkingsreizigers. Het wemelt er daarom van de reisverhalen, alleen in het Nederlands al. Zo was ik bijvoorbeeld overal waar Cees Nooteboom was en dichter bij huis, Martin Bril.

Want reizen hoeft niet ver te gaan, als er maar wat te verbeelden valt. Als het maar beweegt, inspireert tot nieuwe gedachten en ideeën. Daarvoor is het reisverhaal bij uitstek geschikt. Het zijn er alleen zo veel. Ik moet dus kiezen.

En dan kies ik voor de verdwenen ontdekkingsreizigers.

Antoine

Ja, mijn favoriete reisboeken zijn de verhalen waarvan de schrijver nooit is teruggekeerd. Geen einde is meer open dan dat van de onafgemaakte reis. Alles is nog mogelijk, voor zover de fantasie het niet begrenst.

Juist daarom is De Kleine Prins één van mijn lievelingsboeken. De schrijver, Antoine de Saint – Exupéry, keerde nooit terug van zijn laatste vlucht op 31 juli 1944. Dat gaf het verhaal van het kleine jongetje uit de sterren dat de aarde bezoekt een extra dimensie.

Wat zou er allemaal nog kunnen gebeuren waar we nu geen weet van hebben? Welke avonturen liggen er mogelijk nog op ons te wachten? Wie weet, komt er ooit uit het niets nog een nieuw hoofdstuk bij, als de Exupéry de geheime reisverslagen van na zijn laatste vlucht toch zou willen openbaren.

Het liep anders. De Kleine Prins is in één klap groot geworden toen het vliegtuig van de Exupéry in 2004 gevonden werd voor de kust van Marseille. Zestig jaar had het in zee gelegen op zestig meter diepte, en zestig jaar lang hadden wij allemaal kunnen dagdromen wat er met hem gebeurd zou zijn. Zou hij doorgevlogen zijn naar Afrika, naar de woestijn uit zijn boek? Om daar een nomadisch bestaan te beginnen, te zoeken naar de slangen, het schaap, de berg en de bloemen van de Kleine Prins?

Of zou hij zich juist heel ergens anders ophouden? Bijvoorbeeld in Casablanca en daar de beroemde film noir met Humphrey Bogart keer op keer opnieuw beleven? We zouden het nooit geweten hebben, als zijn vliegtuig niet was ontdekt. Nu is het boek gesloten en zijn reis ten einde. Er komt geen nieuw hoofdstuk van de Kleine Prins.

De Kleine Prins is voor velen inspiratie geweest om te verwerken in hun eigen versie. Zoals door Gottlib in deze strip over een Kleine Prins met een spraakgebrek.
Amelia

Gelukkig voor de liefhebber van de verdwenen ontdekkingsreiziger is daar nog Amelia Earhart. Earhart was de eerste vrouw die solo de Atlantische Oceaan over vloog in 1932. Drie jaar later stak ze de Grote Oceaan over, ook in haar eentje. Een echte ontdekkingsreiziger, wier avonturen zowel in inkt als in potlood geschreven staan.

In potlood, omdat ook zij niet terugkwam. In 1937 begon ze aan een vliegreis rond de evenaar, een riskante tocht van 47.000 km. “Begrijp alsjeblieft dat ik me heel goed bewust ben van de risico’s. Ik wil het doen omdat ik het wil doen. Vrouwen moeten dingen proberen, zoals mannen dingen hebben geprobeerd. Als ze falen, is hun mislukking alleen maar een uitdaging voor anderen.”

Op 2 juli 1937 werd het laatste levensteken van haar vernomen. Sindsdien is ze spoorloos en fantaseren we over wat haar is gebeurd. Zou ze door de Japanners gevangen zijn genomen, omdat ze haar van spionage verdachten? Is ze geland in Australië, om in het geheim door te leven met haar navigator, op wie ze tijdens de vlucht misschien wel verliefd was geworden?

Of had ze toch nog een noodlanding gemaakt bij het onbewoonde eilandje Nikumaroro, waar later de skeletresten van een blanke vrouw zijn gevonden? Zouden mogelijk nog meer mensen haar noodsignalen hebben opgevangen, zoals destijds de 15-jarige Betty Klenck? En hebben die haar dan misschien gered?

Kathryn

Het antwoord op die laatste vraag is: ja! En verrassend genoeg is Earhart gered in een aflevering van de tv-serie Star Trek Voyager. Reizen kun je immers in tijd en ruimte, in boeken en op tv. Het loopt allemaal in elkaar over, voor zover de verbeelding het toestaat.

De Voyager wordt in die science fiction reeks vermist. Op de één of andere manier zijn ze van de ene kant van het heelal aan de andere kant terecht gekomen. Terugvliegen kost minimaal zeventig jaar. Op de thuisbasis weten ze echter van niets. Voor hen is de Voyager verdwenen, kwijt. Kathryn Janeway, de gezagvoerder van de Voyager, is daarmee zonder dat ze het zelf beseft de Amelia Earhart van de science fiction. Het verhaal herhaalt zich, met de destination unknown.

De ontmoeting van de twee vrouwelijke captains in de ruimte illustreert mijn voorliefde voor de onafgemaakte reis; ook al is het een fictieve ontmoeting, er is van alles mogelijk. Dat de Voyager en Janeway zelf een verhaal zijn en er en passant van Earhart in die aflevering één maken, is daarbij geen enkel probleem. Het is niet de feitelijkheid van een reis die het interessant maakt, maar de onbegrensde mogelijkheid van het onbekende, de verbeelding. Het gaat niet alleen om wat een reis is, maar om wat het nog meer kan zijn.

Het is daarom jammer dat de schrijvers van Star Trek gekozen hebben voor een happy end van de serie, in plaats van een open end. Na 7 jaar keert de Voyager uiteindelijk terug op aarde en is iedereen gelukkig. Eind goed, al goed, zo heeft men vast gedacht, maar dat is fout gedacht.

Niet het arriveren is wat gelukkig maakt, maar de reis zelf. Daarom is het wel prettig dat de schrijvers Earhart achter hebben gelaten op die planeet in de toekomst. Zo is zij niet dood en nog steeds een verdwenen reiziger.

Hugo Pratt schreef een strip over Exupery zelf, maar ook daar kwam de Kleine Prins vragen of zijn schaap al getekend was.

Antoine en Amelia

Niets staat haar dan ook een ontmoeting in de weg met de kleine prins. Ergens op die planeet, in de woestijn waar haar vliegtuig is gestrand, wordt ze gewekt door een grappig klein stemmetje. Met die ene gekke vraag, die hij altijd aan iedereen stelt.

“Toe, teken eens een schaap voor me.”

“Hè?”

“Teken eens een schaap voor me.”

Amelia wrijft de slaap uit haar ogen en kijkt het jongetje aan.

“Ah, ik zie het al”, zei ze. “Jij bent de kleine prins. Ik herken je van de tekeningen uit je boek.”

De kleine prins zegt niks terug, en kijkt strak voor zich uit. Inmiddels is Amelia druk aan het tekenen geslagen.

“Hier,” zegt ze. “Je schaap. Ik heb hem speciaal in een reisverblijf getekend, dan kan je hem veel makkelijker meenemen.’

De prins glundert. “Dat is handig.” Hij vouwt het papier dubbel en stopt het in zijn zak. “Dan ga ik maar.”

“Waar ga je heen?”

De kleine prins zwaait met zijn hand in een richting. “Daarheen”, denk ik.

Amelia heeft al weer een nieuwe tekening gemaakt. “Kijk, een kaart van het terrein. Ik heb de waterput, de slang, de bloemen en de vos al ingetekend.”

“Oh, dan hoef ik daar niet meer heen in ieder geval. Dat is wel zo gemakkelijk.”

“Zal ik met je mee gaan? Het kan nog wel even duren voor er een nieuw ruimteschip voorbij komt en dan kan ik net zo goed de planeet hier een beetje met jou verkennen.”

“Als jij dan de kaart bij houdt. In potlood, voor de aardrijkskundige.”

“Dat is goed”.

Ze staan op en lopen de berg af, weg van het vliegtuig.

“Hoe heet je eigenlijk”, vraagt Amelia. “Ik ga je niet de hele tijd kleine prins noemen, hoor.”

“Antoine.”

Zelfs Moebius, beste striptekenaar ooit, heeft zich aan de Kleine Prins gewaagd.

Vanachter mijn bureau beschouw ik die imaginaire ontmoeting als was ik de aardrijkskundige van de 6e planeet. Ik bedenk er een nieuw hoofdstuk van de Kleine Prins met Amelia Earhart, steeds opnieuw, dat ik alleen in potlood zal schrijven. Mijn map van de territory, als ode aan de verdwenen ontdekkingsreiziger.

Naschrift 14 juli 2017: Ontwikkelingen rondom Amelia.

Begin juli kwam er een oude foto uit de National Archives boven water. Met mogelijk Amelia Earhart en Fred Noonan. Het lijkt zelfs of het vliegtuig zichtbaar is, helemaal op de achtergrond. Reden genoeg om opnieuw een zoektocht te gaan uitvoeren, ik geloof dat het al de twaalfde is, en deze keer ook met speurhonden. De New York Times besteed er op deze site veel aandacht aan.

Verder vond ik via Twitter twee brieven geschreven door Earhart. De ene brief is een verzoek aan de New York Times om toch vooral haar eigen achternaam te gebruiken in correspondentie en artikelen, en niet die van haar echtgenoot George Putnam. En de andere brief is gericht aan haar toekomstige echtgenoot, waarbij ze zeker voor die tijd een zeer moderne draai aan het aankomende huwelijk geeft. Prachtig geschreven brieven van een vrouw met een onafhankelijke geest.

De mythe van Lucifer

Leestijd: 2 minuten
De Rixford oilfire, Pensylvania 1870. Foto Getty Open Content Collection

Er wordt gezegd dat de Inuit wel 50 woorden voor sneeuw kent, zoals de Toeareg 23 voor zand. In hun vijandige omgeving is herkenning van het dreigend gevaar van levensbelang en nuances doen er dan toe. Is het harde sneeuw, stuifsneeuw, sneeuw om een iglo mee te bouwen of suikersneeuw? Boreas, de brenger van sneeuw, zal het je zeggen.

Hoe vreemd is het dan dat de brandweer slechts één woord voor rook kent: rook. Nou vooruit dan, soms gebruikt men damp, en wellicht nog eens walm, op een frivool moment als de oliebrand naarstig kolkt. Terwijl er zoveel verschillende rook is, gekker nog, rook is niet één, het is een meervoud, een multipliciteit, een zwerm. Een verzameling losse deeltjes dat zich in onvoorspelbare figuren en illusies aan elkaar vastplakt, op weg naar ergens, weg van hier.

Soms lijkt het of het leeft, de rook. Of het danst, cirkelt, dartelt, springt en zwiert. Andere keren weer duwt de rook, het perst, stampt en tremt, knijpend door te nauwe gaten. Zwart is de rook het meest, dan weer grauwgrijs, gelig of bruin. Vurig kan het zijn, bezwangerd door brand, hijgend naar lucht en stinkend als de hel, zeker zodra Lucifer, de lichtbrenger, zich meldt in de vlammende smook.

Joost wist het al in 1654, dat Lucifer altijd de onrechtmatige opstand stookt om ‘den mensch in eeuwigheit ten hemel uit te sluiten’.

Ick sluit van daegh een ring van zesmael ellef jaeren,

En zie myn hooft besneeuwt, en tel myn gryze haeren,

Oock zonder glazen oogh, in deze schildery,

En noch ontvonckt myn hart in lust tot poëzy;

Terwyl ick Lucifer zyn treurrol leer’ volspelen,

En met den blixem sla, op hemelsche tooneelen,

Ten schrick en spiegel van de Staetzucht, en de Nyt.

Wat is myn ouderdom? een roock, een damp, geen tyt.

Een roock, een damp, geen tyt te verliezen, bel de brandweer.

Zy zal Lucifer keeren, is het anders in hun magt.

En wijckt niet enen voet.

Interbolegerend, de strategie van de onzin

Leestijd: 9 minuten

De strategie van de onzin is misschien niet zozeer een strategie als wel een statement. Met onzin aantonen dat wat er gebeurt, onzin is. Op een speelse manier. Maar onzin heeft ook een schoonheid in zichzelf.

Die ontdekte ik al zoekend en schrijvend aan dit blog. Dat bestaat dan inmiddels ook uit een aantal delen. Deel 1 is het oorspronkelijke blog uit 2016 over het woord ‘interbolegerend’. Deel 2 en 3 volgden in datzelfde jaar, en toen dacht ik dat het wel af was. Daarna was het dus even stil rondom de onzin.

Tot ik voor deel 4 het boekje over de waantaal van Nico ontdekte. Die moest en zou er bij, vond ik, en daarmee is het blog weer geopend. Een deel 5 zou zo maar tot de mogelijkheden behoren. Maar eerst deze vier maar eens lezen, te beginnen met het woord waar het allemaal mee begonnen is: interbolegerend.

Interbolegerend 1: Onzin

In 2020 werk ik al weer 19 jaar op Schiphol. En never a dull moment. De dynamiek van de luchthaven is groot en er is altijd wel iets te beleven. Dat begon eigenlijk al direct. Klaas Makker, mijn baas en de toenmalige commandant van Brandweer Schiphol, had het plan opgevat om ter introductie van het vakgebied vliegtuigbrandbestrijding samen naar een congres te gaan in Manchester. Dat was nog eens een mooi begin van een nieuwe baan.

In de tweede week van september zou het werk dan echt beginnen. En dat deed het op een wel heel bizarre wijze: op 11 september 2001 vlogen twee vliegtuigen in de Twin Towers New York. Alle toestellen die vanaf Schiphol onderweg waren naar Amerika keerden terug en zetten de normale bedrijfsvoering zwaar onder druk. Het leverde niet direct heel veel extra werk op voor de brandweer, maar het gaf mij al in mijn tweede werkweek een goed inzicht in het crisismanagement op de luchthaven.

911-schiphol-vertrektijd
Foto van Schlijper
De strategie van de onzin

In dit blog wil ik het echter niet over crisismanagement hebben, maar over management. Of beter, ongewoon management en de strategie van de onzin. Want van een goede baas leer je gekke dingen, zo is mijn ervaring na 25 jaar. En wat dat betreft was Klaas een goede baas.

In de eerste weken van mijn nieuwe baan nam hij me mee naar allerlei vergaderingen, om me snel mijn weg in de burelen te laten vinden. Niet alle vergaderingen waren even spannend en sommige zelfs oersaai. En in één van die vergaderingen hoorden ik hem opeens zeggen dat hij het een kwestie vond die bijzonder interbolegerend was. Enigszins verbaasd keek ik hem aan. Interbolegerend? Wat was dat nou weer?

Maar kennelijk vond niemand het een rare opmerking. De inbreng van Klaas werd vanuit diverse zijden beaamd en met een grote glimlach liet hij de kwestie verder zo interbolegerend als hij was en ging men over naar het volgende agendapunt.

Toen we later op de weg terug waren naar de kazerne vroeg ik hem wat interbolegerend eigenlijk betekende. Hij keek me grijnzend aan en zei: “Ik heb geen idee. Je bent de eerste die het vraagt. Ik zal er eens over nadenken”.

Toen ik hem wat ongelovig bleef aankijken vervolgde hij: “Ja je moet toch wat met zo’n stom agendapunt. Af en toe gewoon even een schop onder het orgel geven, dan speelt het vanzelf verder”. Dat is de strategie van de onzin.

Strategie van de onzin

Klaas had meer van dergelijke onzin woorden, maar interbolegerend is het enige dat ik heb onthouden. Ook Google had er tot vandaag nog nooit van gehoord, zie mijn screenshot maar:

Interbolegerend Search Results

De grootmeester van de onzinwoorden is natuurlijk Toon Hermans. Al noemde hij het zelf kolderliedjes. Op papier zijn het inderdaad nonsens, maar als je ze uitspreekt zijn ze fonetisch toch opeens te herleiden tot normale woorden. Kijk maar eens naar Snupitu.

Snupitu

Snupitu ijssitu glaassitu
Snupitu flensitu speculaassitu
Snupitu kaasitu gebaccitu
Snupitu coffitu kejakkitu

Onzinwoorden

Onzinwoorden zijn ook in gebruik als leestest voor kinderen. Het combineren van echte woorden met nonsens zou dan het taalgevoel moeten stimuleren. Ook al verschillen de meningen daar nogal over. Welke woorden staan bijvoorbeeld hier?

valaf
nertaicon
daalpemerem
lenbakprul
bakas

Interbolegerend zoals Klaas het bedoelde was echter niet zozeer een kolderliedje noch een leestest, maar eerder een vorm van Bullshit Bingo avant la lettre. Het was de strategie van de onzin, met onzin aantonen dat er sprake is van onzin. Als iedereen zo nodig moeilijke woorden wilde gebruiken, dan kende hij er ook nog wel een paar. 

Het geniale er van was natuurlijk dat hij glimlachend het gesprek voortzette als de rest net deed of ze wisten wat interbolegerend betekende. In die zin gebruikte hij onzinwoorden als een milde vorm van een practical joke.

Bullshit Bingo
Buzword Bingo van Dilbert

Het belangrijkste doel wat ik met blog heb is, naast het vertellen van een leuk verhaaltje, dat het woord interbolegerend in de zoekresultaten van Google terecht gaat komen. Bij wijze van experiment, natuurlijk, maar altijd leuk om te proberen. Dus breng dit blog vooral bij heel veel mensen onder de aandacht en laat ze het via hun eigen browser lezen, om de zoekmachines de weg te wijzen. Ik ben benieuwd hoever we komen.

Interbolegerend 2: Google

Op 10 augustus 2016 kwamen de eerste resultaten van het experiment door op Google. Met name via Twimmer werden de ‘interbolegerend’ tweets in de zoekresultaten weergegeven. Uiteindelijk heb ik 5 tweets geplaatst, die inclusief retweets gezamenlijk zo’n 4500 views op Twitter kregen. Een mooi bereik, en groot genoeg om voldoende mensen naar de website te trekken die het blog gingen lezen.

Want het doel werd op 14 augustus 2016 bereikt: interbolegerend was opgenomen in de zoekresultaten, meer specifiek stond www.rizoomes.nl bovenaan het rijtje. Top!

Screendump Interbolegerend 20160814

Via @huskyneus en @MEvers02 kwam ook het andere onzinwoord uit deel 1 boven tafel dat Klaas veel gebruikte, maar dat ik me niet meer kon herinneren: epibreren.

Toen ik ging zoeken op epibreren, werd ik toch een klein beetje verrast. Want dat onzinwoord bleek dus wel te bestaan, ook al betekende het formeel niets. Het werd in 1954 voor het eerst door Simon Carmiggelt genoemd in één van zijn ‘Kronkels’.

Het betekent namelijk niets. Het is gewoon maar een woord. Ik heb het zelf verzonnen. Op een dag was er een lastige heer aan het loket, die ons haast wilde laten maken met een kwestie, die zijn tijd moest hebben. Ik zei: ‘Meneer, u hebt groot gelijk, maar geef ons nog een weekje om de zaak te epibreren. Het woord kwam vanzelf uit mijn volheid tevoorschijn. En het werkte uitnemend: de man ging getroost heen.’

Toen ik dit las kon ik me niet helemaal aan de indruk onttrekken dat Klaas precies wist wat epibreren betekende en waar het vandaan kwam, en dat hij zijn eigen epibratie heeft gevolgd door interbolegerend te bedenken.

Epibreren en interbolegeren zijn woorden die dus eigenlijk aan elkaar gerelateerd zijn, zowel qua ontstaansgeschiedenis als betekenis. Al zit er gevoelsmatig wel een verschil tussen, maar het blijft allebei de strategie van de onzin.

Snijders en Jiskefet

Op 7 augustus kwam de volgende verrassing rondom onzinwoorden, en wel van de absurdistische scheurkalender van Ronald Snijders tijdens een kleine hoempert.

7 augustus

De grap van bovenstaande nonsens is dat ze dus wel degelijk iets zegt. Natuurlijk zijn ze verkeerd gespeld en daarmee taalkundig onzin, maar psychologisch gezien wordt er wel degelijk (onbewust) een betekenis toegekend aan dergelijke onzinwoorden.

De menselijke psyche is namelijk dol op patronen, en herkent al gauw iets, ook al is het soms verkeerd. In dezelfde foutcategorie zat de omslag van het laatste boek van Joop van Riessen. Kijk maar eens goed, het is echt fout.

Moord op de de tramhalte

Via @vonklinkenhoven ervaarde ik ook weer een hernieuwde kennismaking met de mannen van Jiskefet. Meer in het bijzonder refereerde @vonklinkenhoven aan de hoempert, hij kwam al voorbij, uit een geweldige sketch die Scheepskamelen heet.

Prachtige onzinwoorden komen er in voor. De al eerder genoemde hoempert, maar ook bijvoorbeeld ‘roegen’, ‘kierder’, ‘kneukeren’ en ‘heugers’. Mooie woorden die niets betekenen, maar waarvan je denkt dat je weet wat het is door de uitleg van Wim van Nijssel, gespeeld door Michiel Romeijn. Aan het eind gaat Wim ook nog een stukje dichten:

Ik liep door een straat, ik zie haar lopen
Ik weet niet wat er binnen was gekropen
Een traan, Viel op het plaveizel
Hé, ben jij dat, Wim van Nijssel?

Wim van Nijssel, dat ben ik dan.

Dan zit ik vaak liever op een oud schip.

English sports

De meest interbolegerende sketch van Jiskefet is echter niet Scheepskamelen, maar English Sports. In een sublieme persiflage wordt de draak gestoken met Engelse sporten, waarbij de beelden van onnavolgbaar onzincommentaar worden voorzien. Hier is de onzin geen strategie meer, maar krijgt het een schoonheid in zichzelf.

Het is allemaal nonsens, maar het lijkt verschrikkelijk echt. Zelfs de lengte van de video is een sneer; hij duurt net te lang, zoals Engelse sporten ook net te lang plachten te duren. Een goed moment om dit blog af te sluiten, want interbolegerender dan dit gaat het nooit worden.

Interbolegerend 3: Nootmuskaat Kolonel

Voorwoord nootmuskaat kolonel

Net toen ik het interbolegerende onderwerp van de kolderliedjes en nonsensteksten dacht afgesloten te hebben, viel mijn oog in de winkel op een nieuw boekje van Toon Hermans: De Nootmuskaat Kolonel.

Toon zou dit jaar honderd zijn geworden en ter ere van dat feit worden er een paar speciale uitgaven op de markt gebracht. En het moet gezegd, de Nootmuskaat Kolonel is wel een hebbedingetje. Mooie tekeningetjes in een ruim vormgegeven hardcover, met prachtige gedichtjes en kolderteksten.

Het begint al bij het voorwoord. Het zijn niet de enige raadselachtige woorden in het boek. Zo adviseert hij in het gedicht ‘kaas’ dat je nooit met kroketten over introconcilisatie moet beginnen. En tekent hij de Laarsmodulant, die rimmelroosjes op verkeerd terrein schiet. Maar het is niet alleen maar onzin in het boek, er staan ook van die typische Toon gedichten in als ‘on’.

on

Als ik door de duinen fiets

denk ik vaak; er is geen niets

want ik zie in alles iets

als ik door de duinen fiets

zie de wind, de zee, de zon

zie de zin en zie de on

En zoals gezegd, er staan ook mooie tekeningen in het boekje, zoals het Rode Kolosaaltje:

Kolosaaltje (2)

Kortom, een hebbedingetje voor de Toon liefhebber. Ik sluit deel 3 interbolegerend af met een gedicht uit de Nootmuskaat Kolonel. Treffender kan het niet.

mooj zo

Nee, ik kan het naar niet laten

altijd maar dat wauwelpraten

ik wil daar nu een eind aan maken en in plaats van spreken kwaken

blaten, bleren, kwekken, koeren

maar ik stop met ouwehoeren.

Interbolegerend 4: Waantaal van Nico

“Ik heb het heel druk gehad met de geruite fornuit op de straat. Nogal bewollig met een linkse bang. Verder glad en met hokken en blokken gevuld. Ik heb ze uit elkaar gehaald. Erg moeilijk, zo tollig en zwarrig. Ik kan mijn hol niet uitscharen!”

‘Zo tollig en zwarrig’ is een ontroerend boekje van Elseline Knuttel met tekeningen van Jan Stroeve over de waantaal van Nico. Nico Broekhuijsen was al ruim in de negentig toen hij opeens vreemde woorden ging gebruiken.

De zinnen waren grammaticaal correct, maar de bijvoeglijke naamwoorden en zelfstandige naamwoorden bleken verbasterd, nieuw, samengesteld of op enig andere wijze tot stand gekomen. Niemand die het weet, ook Nico niet.

Elseline vond ze echter zo bijzonder, dat ze hun gesprekken vastlegde op papier. Niet vanuit een medisch perspectief, zo noteert ze in het boek, maar om je te verwonderen over de schoonheid ervan. En mooi is het.

Veel van die taal kan zo bij Marten Toonder vandaan komen. Ze roept iets bij je op, al weet je niet precies wat. Jan Stroeve maakte er tekeningen bij, los van de originele context van het gesprek, om die gevoelens uit te kunnen beelden.

Ik zie ze dan zo zitten, met elkaar aan tafel. Elseline met een blocnote en vol aandacht, Nico die praat en voelt dat hij begrepen wordt. Want contact is meer dan alleen het juiste woord op het juiste moment gebruiken.

Misschien geeft een onzinwoord in zo’n situatie nog wel veel meer verbinding, omdat de semantiek dan niet meer in de weg staat. Er valt niks fout aan te nemen, geen veronderstelling is onjuist. Een onzinwoord is goed noch fout, hij is en legt contact tussen twee mensen zodra hij wordt uitgesproken. “We bleven met elkaar in contact, een zielscontac,” schrijft Elseline.

“In de laatste dagen van zijn 97-jarige leven zei Nico: Schiet op! Ik wil wegwaaien, wegvloeien. En uiteindelijk riep hij: Schuur het vuur naar m’n uur.” Het is het slot van een prachtig boekje over de schoonheid van onzinwoorden.

Cruyff en Crisis

Leestijd: 4 minuten
Cruyff

24 maart 2016 is Johan Cruyff op 68 jarige leeftijd overleden. Daarmee is een einde gekomen aan een tijdperk, zou ik durven stellen. Of je nou voor of tegen hem was, hij deed er altijd toe. Niet alleen vanwege zijn voetbalkennis, maar ook vanwege zijn onnavolgbare uitspraken.

Uitspraken die natuurlijk voornamelijk over voetbal gingen, maar die soms zo filosofisch waren dat ze veel breder toepasbaar zijn. Ik gebruik sommige oneliners van Cruyff graag in mijn lezingen en workshops over crisis en continuïteit. Dit leek mij wel een toepasselijk moment om er een kort blog aan te wijden, als klein eerbetoon aan een authentiek denker.

Ervaring is datgene wat je mist als je het voor de eerste keer nodig hebt.

Dit is mijn favoriete uitspraak van Cruyff. Ik moest hem even twee keer lezen voor het kwartje viel, maar dat is logisch want ik had er nog geen ervaring mee. Het illustreert op treffende wijze de limiet van ervaring en expertise. Je kan nog zo ervaren zijn in crisismanagement of incidentbestrijding, er is altijd wel een moment dat zo nieuw is dat je er nog geen ervaring mee hebt. En wat doe je dan? Dan gebruik je de ervaringsparadox: de echt ervaren crisismanager weet wat ie moet doen als zijn ervaring tekort schiet, want daar heeft hij ervaring mee. Of je pakt natuurlijk de Dikke BOB voor vette crisis.

Voor ik een fout maak, maak ik die fout nooit.

Ook dit is een oneliner die ik vaak gebruik, veelal in relatie tot de lerende organisatie en de vergevingsgezinde infrastructuur. Het is niet erg om een fout te maken, maar je moet er wel van leren. Dat betekent dat je eigenlijk nooit twee keer dezelfde fout zou moeten maken. Mochten bepaalde fouten echter zo hardnekkig zijn dat ze vaker voorkomen, dan moet je als organisatie beheersmaatregelen treffen die de kans op zo’n fout verkleinen en het effect verminderen. Of je moet doen als Samuel Beckett: fail again en fail better.

Beckett Fail

Ik maak eigenlijk zelden fouten, want ik heb moeite me te vergissen.

Deze uitspraak gebruik ik nog wel eens als een opwarmer om met een groep te filosoferen over wat fouten maken nu eigenlijk is. Is dat een rationeel proces, zijn het bewust gemaakte fouten of weet je dat je op het randje zit met risicovol gedrag?  Wat zijn dingen die je overkomen en wat zijn ‘normale fouten’? Natuurlijk komen we dan altijd uit op James Reason en human error. Zonder vergissing.

Je hebt maar één kans om op tijd te zijn; anders ben je te vroeg of te laat.

Tijdbeleving, tijdcompressie en timing overall zijn essentiële factoren van crisismanagement en incidentbestrijding. En het is precies zoals Cruyff zegt: je hebt maar één kans om op tijd te zijn en dat moet je goed timen. Of zoals hij het ook wel eens zei: “Als je ergens niet bent, ben je of te vroeg of te laat”.

Als je niet kan winnen, moet je zorgen dat je niet verliest.

Na het ongeval in De Punt, waarbij drie brandweermannen het leven verloren, werd steeds duidelijker dat de offensieve binnenaanval eigenlijk te gevaarlijk is als standaard voor alle gebouwtypen. Daarom is via het kwadrantenmodel een serie van vier standaards ontwikkeld, die precies doet wat deze uitspraak van Cruyff bedoelt: als je niet kan winnen, moet je een tactiek kiezen waarmee je in ieder geval niet verliest en al helemaal geen mensenlevens. Want “de waarheid is nooit precies zoals je denkt dat hij zou zijn”, dus wees voorzichtig.

cruijff scoort

Soms moet er iets gebeuren, voor er iets gebeurt.

Deze uitspraak is zo’n beetje de kern van alle organisatie-ontwikkeling. Niks gaat vanzelf, als je iets wilt moet je er zelf voor zorgen. In iets gewijzigde vorm hoor je hulpdiensten wel eens verzuchten dat het goed zou zijn als er weer eens wat zou gebeuren, want dan zou er tenminste ruimte komen om nieuw beleid te maken zodat er niet gebeurt wat er dan net gebeurt is. Ik heb dat altijd een vreemde redenatie gevonden: vielen er maar meer slachtoffers, dan kreeg ik geld om te voorkomen dat er meer slachtoffers vielen. Laat die nog maar eens op je inwerken en gebruik hem dan nooit meer.

Het goeie doel is niet je eigen doel.

Crisiscommunicatie moet geschieden vanuit maatschappelijk belang, niet vanuit persoonlijk belang. Dat was de openingsstelling van Remkes bij het debat over open crisisinformatie van 17 maart 2016. Sowieso kan crisismanagement alleen maar succesvol zijn als er gestreefd wordt naar een gezamenlijk doel; als teamleden proberen er een persoonlijke slag uit te slaan, gaan er zeker problemen ontstaan.

In de inleiding van dit blog schreef ik dat het overlijden van Cruyff het einde van een tijdperk is. Maar inmiddels ben ik er achter dat hij het daar waarschijnlijk niet mee eens zou zijn, getuige deze uitspraak die ik van hem tegenkwam. “In zekere zin ben ik waarschijnlijk onsterfelijk”. Zijn tijdperk is nog lang niet afgelopen.

De Risicokunstenaar

Leestijd: 4 minuten

“De crisis heeft risico een prijs gegeven”. Deze zin stond niet in een uitgave van een veiligheidsregio of in het onderzoeksrapport van een groot incident, waar je hem wellicht zou verwachten. Nee, het citaat is afkomstig uit een blaadje van een bank over vermogensopbouw.

Het is mijns inziens illustratief voor de wijze waarop het risicodenken zich langzamerhand in de hele maatschappij begint te vestigen. Op allerlei terreinen worden tegenwoordig risico’s onderkend waar kennelijk direct maatregelen op genomen moeten worden, anders gaat het straks misschien nog grof geld kosten.

Zo worden kinderen bijvoorbeeld te dik, dus we moeten belasting op frisdrank gaan heffen. En ze zitten ook nog eens veel te veel achter de computer. We moeten allemaal een fietshelm op, stel je voor dat je op je hoofd valt. Kost allemaal geld, dat moeten we zien te voorkomen.

Soms betaal je overigens al voor risico nog voor het gevaar zich daadwerkelijk geopenbaard heeft. Er zit bijvoorbeeld een risicotoeslag op je hypotheek en verzekeringen worden steeds vaker geïndexeerd op de risico’s van je woonomgeving. Zonder crisis had risico dus ook al een prijs, zou ik tegen de bank willen zeggen, alleen staan we daar niet altijd goed bij stil.

Bovenstaande voorbeelden van risicodenken staan niet op zichzelf en het breidt zich structureel verder uit. Denk maar eens aan de risicoregelreflex. Risks are here to stay en dan is het goed dat er mensen zijn die zich afvragen hoe we met dat risicofenomeen moeten omgaan.

Want hoe moet je als goedwillende burger al die verschillende risicoclaims interpreteren? Wat zijn eerlijke risico’s en wat niet? En hoe herken je die dan?

risicoprofessional

In het boek ‘De risicoprofessional komt eraan’ doet Walter Zwaard daar een zeer verdienstelijke aanzet toe. In de inleiding schrijft hij:

“Tien jaar geleden diende zich een nieuwe generatie veiligheidskundigen aan. Er bestond nog geen woord voor. Risicoprofessionals leek me gepast. (…) Er volgden vele interviews. Met belastingadviseurs, securitymanagers, ergotherapeuten, verkeerspsychologen en nog veel meer. Fascinerend hoeveel adviseurs zich herkenden in het woord risicoprofessional”.

Dat is inderdaad fascinerend, want ik moet erkennen dat ik mijzelf na lezing ook als een risicoprofessional zie, hoewel ik mij gevoelsmatig het meest aangetrokken voelde tot de risicokunstenaar. Daarover straks meer.

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt gekeken hoe individuen en collectieven omgaan met risico. Natuurlijk gaat het dan om de bekende formule ‘risico is kans maal effect’. Maar Zwaard benadrukt dat risico ook zachte kanten kent. Risico is getal en gevoel.

Mooi is daarbij zijn opbouw van een leercyclus over risicomanagement. Dat begint met een serie stappen van risico-inventarisatie naar risicobeheersing. Hoe goed we echter ook proberen om risico’s te beheersen, steeds weer blijkt dat niet alles zo verloopt als we het zouden willen. Omgaan met risico’s heeft dus een dynamisch karakter.

Dan kunnen we natuurlijk de technische stappen van het risicomanagement aanpassen. Maar, zo stelt Zwaard, we kunnen de leercyclus ook afstemmen op de risicobeleving. Wat vinden we eigenlijk een risico en hoe beleven we dat? In dat opzicht is de manier waarop we met roken zijn om gegaan in de maatschappij illustratief voor risicobeleving.

Risico leren
Risicoleren op zijn Zwaards

Er wordt daarnaast nog een derde vorm van leren voorgesteld: leren over drijfveren. “Daarbij kunnen ook de aanleidingen en uitgangspunten voor activiteiten en voor het omgaan met risico’s ter discussie komen te staan. Wie vindt dat een risico niet acceptabel is of onvoldoende beheerst is, kan nog eens nadenken over het waarom van omgaan met risico’s. Waarom fietsen, waarom waardevolle spullen in huis, waarom geld lenen?”

Het zijn logische vragen, zo logisch zelfs dat je je afvraagt waarom het leren over drijfveren niet vaker wordt benoemd in veiligheidskundig onderzoek.

Het tweede deel gaat over advisering in risico’s. Er wordt onderscheid gemaakt in drie domeinen, namelijk fysieke, sociale en financiële risico’s. En er komt een onderverdeling in soorten risicoadviseurs.

Zwaard ziet daarbij twee variabelen voor zich waarlangs de adviseur zich kan ontwikkelen: vrijheid en kennis. De combinatie van die twee assen (variabelen) in een kwadrant leidt automatisch tot vier soorten adviseurs. De risicovakman, de risicospecialist, de risicoprofessional en de risicokunstenaar.

Waarbij de eerste drie in de verdere uitwerking het duidelijkst uit de verf komen. Over de risicokunstenaar wordt vooral opgemerkt dat hij creatief met zijn vak omgaat.

“De risicokunstenaar is een risicoadviseur die zijn vak beheerst en die de vrijheid heeft (en neemt) om zijn vakkennis creatief in te zetten en zo maatwerk te leveren. (..) Hij is een risicovakman die gebruik maakt van vastgestelde kennis, maar is losgekomen van standaardaanpakken”.

Risicokunstenaar kwadrant

De beschrijving van de risicokunstenaar zou zo bij mij passen, al zeg ik het zelf, ware het niet dat die volgens de kwadranten van Zwaard minder kennis gebruikt dan de risicoprofessional en bovendien ook geen modellen ontwikkelt. Uiteindelijk past de beschrijving van de risicoprofessional dus toch het beste bij mij.

Het is overigens wel de vraag in hoeverre de gekozen variabelen vrijheid en kennis wel onafhankelijk genoeg van elkaar zijn. Ook al levert het zo’n leuke creatieveling op als de risicokunstenaar, misschien zijn er alternatieven te vinden voor de kennis-as die de grens tussen de vier soorten adviseurs duidelijker maakt. Bijvoorbeeld focus op individu versus focus op collectief. Of lokale risico’s versus systemische risico’s, zoals Taleb beschrijft in zijn artikel over het precautionary principle.

Hoe dan ook, er is genoeg stof tot discussie en dat is precies wat Zwaard wil. Hij hoopt op kritiek van lezers. “Kritiek die de gedachten kan aanscherpen over het omgaan met en het adviseren over risico’s”.

Zwaard belooft dat hij na deze voorstudie, zoals hij zelf zijn boek over de risicoprofessional noemt, met een vervolg komt. Laten we dat hopen. In de tussentijd ligt er deze mooi vormgegeven en soepel geschreven uitgave met veel illustratieve infographics, die elke risicoprofessional onherroepelijk tot nadenken aanzet.

« Oudere berichten

© 2020 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑