Wanderings in crisis

Tag: Boekrecensie (Pagina 1 van 3)

Afgeboekt

Afgeboekt is een lijst met wat beter niet te lezen; on-tips dus, als ware het een omgekeerde boekenbucketlist.

Ooit begon het boekenblog met de optimistische aanname dat ik er alleen goede boeken zou bespreken. Want het leven is te kort om crappy shit te lezen, zo was mijn stelling. Ik kom daar nu toch een beetje van terug.

Niet van dat stukje over een te kort leven om slechte boeken te lezen; dat is nog steeds zo. Wel dat ik er niets over zou schrijven.

Want erger nog dat ik een boek las dat eigenlijk niet de moeite waard was, is dat nog veel meer mensen dat gaan doen. Terwijl het niet had gehoeven als ze van tevoren gewaarschuwd waren.

Afgeboekt is een lijst in wording, met korte recensies van boeken die ik tegenkwam maar niet brachten waar ik op gehoopt had. Daarom boekte ik ze af.

Ik schreef de recensies als tip voor jou: beter is het een ander boek te pakken, want het leven is te kort om slechte boeken te lezen.

Afgeboekt 2022

Roel Bentz van den Berg – De straatwaarde van de ziel

Afgeboekt

Zomaar een zin uit deze bundel essays van Roel Bentzen Berg (RBB): “In een bijna balorig soort mystiek ongeduld van mijn kant, voortgekomen uit een aangeboren wantrouwen jegens elke vorm van spirituele prestatiedrang: die rare streberigheid, bijna op het verbetene af, die nota bene in strijd is met precies het soort onthechte awareness waar het bij spiritualiteit om zou moeten gaan, maar er niettemin – denk aan het kleffe gedweep met ‘lange wegen’ en ‘hoge sferen’ en het glijerige gedoe om een wit voetje te halen bij de meester – maar al te vaak dus wel mee gepaard gaat”.

Geen idee waar het over gaat. Echt helemaal niet, ik deed nog zo mijn best. Zo staat dit boek vol met onbegrijpelijke dikdoenerij. Lange zinnen over meerdere regels, veelal opgebouwd uit diverse tangconstructies achter elkaar. En dat is jammer, heel jammer.

Want ik hield van RBB’s radioprogramma Heartlands. Ik hield zelfs van een eerder boek, Engelen in Regenjas. En ik had heel graag gehouden van het essay uit dit boek, waarin Bob Dylan het oude huis van Neil Young bezoekt om te zien wat Neil zag. ‘What Neil saw.’ Dat had ik willen weten.

Maar ja, toen schreef RBB dit: “Geen afbeeldingen, die beelden, geen plaatjes, geen symbolen of metaforen voor iets anders, maar het echte werk, waarvan de oorsprong ergens vóór het punt ligt waar het bewustzijn zich opsplitst in aparte zintuigen en functies: op de vrije vloer van de verbeelding zelf, als levende uitdrukking van de manier waarop de ziel zichzelf het beste begrijpt, zoals de danser de muziek aanvoelt.”

Toen gaf ik het op. Teleurgesteld. Ik weet nog niet in wie.


Het schemeren van de wereld. Een boekrecensie

Het schemeren van de wereld gaat over Hiroo Onoda, de Japanse soldaat die bijna dertig jaar lang een guerrilla voerde op Lubang omdat hij weigerde te geloven dat de Tweede Wereldoorlog was afgelopen. Werner Herzog schreef er geheel in stijl met zijn cinematografische achtergrond een filmisch verhaal over, dat eigenlijk gaat over het begrip waarheid. Dat maakt het een intrigerend boek.

In 1997 had Werner Herzog een klus in Japan met de componist Saegusa. De verwachtingen waren zo hoog gespannen over de opera die ze gingen uitvoeren, dat de Keizer himself had laten weten dat hij de beide heren zou willen uitnodigen op een privé-audiëntie. Als dat uitkwam in hun drukke werkzaamheden.

Onoda

Schemeren van de wereld

Tot grote ontzetting van Saegusa weigerde Herzog de ontmoeting. Wat volgde was een beklemmende stilte, zo schrijft hij schuldbewust in ‘het schemeren van de wereld’, het leek erop of Japan was gestopt met ademen. Iedereen hield zijn adem in.

Toen, in die stilte, een stem. “Oké, als u de Keizer niet wilt ontmoeten, wie dan?” Zonder na te denken zei ik: “Onoda”.

werner herzog

Het is december 1944. Op het eiland Lubang krijgt Hiroo Onoda zijn nieuwe opdracht. Hij moet het eiland bezet houden met een guerrilla oorlog totdat het Japanse leger terugkeert. Majoor Tanigucha legt hem uit dat hij op zichzelf is aangewezen.

“Er zijn geen regels, je maakt de regels.”

Op één uitzondering na. Nooit mag hij zichzelf van het leven beroven, ook niet als hij gevangen wordt genomen. Want dan moet hij misleidende informatie aan de vijand geven. De waarheid mag niet aan het licht komen.

Waarheid

En de waarheid, dat is het thema van dit heerlijk handzame boekje. Natuurlijk gaat ‘het schemeren van de wereld’ ook over de ervaringen van Onoda en zijn drie mannen in de jungle. Maar dat is niet de kern, zoals Herzog al bij wijze van inleiding schrijft.

Veel details kloppen, veel kloppen er niet. Iets anders was belangrijk voor de schrijver, iets wezenlijks, zoals hij het tijdens een ontmoeting met de protagonist van dit verhaal meende te zien.

werner herzog
Hiroo Onoda in 1944. Hij is dan 22.

Enkele maanden nadat Onoda zijn opdracht heeft ontvangen capituleert het Japanse leger. Die berichten bereiken Lubang echter niet, zodat Onoda zijn strijd voortzet. Diverse keren wordt geprobeerd hem te informeren dat de oorlog is afgelopen. Maar steeds denkt Onoda dat het nepinformatie is.

Hij meent taalfouten te zien in de pamfletten die worden afgeworpen, hij gelooft niet dat het zijn broer is die hij hoort roepen, hij wantrouwt de kranten omdat er zoveel reclame in staat, elke poging hem over te halen strandt omdat hij alles uitlegt naar zijn opdracht: Lubang bezet houden totdat het leger arriveert. Pas als zijn oude majoor, inmiddels dik in de 80, hem verzekert dat het echt over is gelooft hij het. De schok van de waarheid is groot voor Onoda, vertelt hij desgevraagd.

“Hij antwoordt met een ijzig gezicht: Majoor, er woedt een storm in mij.”

Het schemeren van de wereld

Dit is de ene kant van waarheid die wordt besproken in het schemeren van de wereld. De kant die gaat over feiten. Wat is er aan de hand, wat is er gebeurd, wat is er van waar en word ik niet misleid? De opdracht aan Onoda maakt hem tot een Conflictdenker, zoals ik in een vorig blog beschreef. Er is een vijand en die moet bestreden worden. Dat is de enige waarheid. Maar die bleek dus niet waar. Voor de echte Conflictdenker is dat onverdraaglijk. Dan woedt er een storm in je.

Op 11 maart 1974 overhandigt Onoda zijn zwaard aan de Filipijnse president Marcos.

Er is echter nog een vorm van waarheid en die gaat over bewustzijn. Hoe weet ik dat wat ik zie ook echt zo is? Is het geen illusie, geen droom? Het zijn vragen die de vier mannen bezig houden, tijdens lange gesprekken in het regenseizoen. Dat is een slechte tijd voor guerrilla en dan doen ze rustig aan. Onoda vraagt zich bij een kampvuurtje af of hij de oorlog niet droomt. Het is dan 1954.

“Is het mogelijk dat ik gewond in een lazaret lig en uiteindelijk na jaren ontwaak uit bewusteloosheid en dat iemand me vertelt dat het maar een droom was. Is dit oerwoud, de regen, alles, een droom?”

Wat Onoda ook ontdekt in de jungle, tijdens de vele tochten daar: het heden bestaat niet.

Elke stap van hem was al verleden en elke volgende toekomst. (..) En dan steeds kleiner, in millimeters, in niet meer waarneembare fracties van millimeters. We denken dat we in het heden leven, maar dat kan helemaal niet bestaan. Ga ik, leef ik, voer ik oorlog?

onoda
Schemeren van de wereld
De droom van de vlinder is een klassieker uit de Taoïstische literatuur. Daarin droomt Chang Tzu dat hij een vlinder is die vrij kan vliegen van bloem tot bloem. Maar als hij wakker wordt vraagt hij zich af of hij niet een vlinder is die droomt dat hij Chang Tzu is. De vraag achter de vraag is: hoe weet ik dat ik besta?

Het schemeren van de wereld is een geweldig boek. Herzog vertelt er, als je het wilt zien, meer dan één verhaal in en alleen van Onoda weten we hoe het afloopt als het boek uit is. Alle andere vragen blijven onbeantwoord achter en dat is precies wat dit boekje, ik zei het al, zo intrigerend maakt. Van harte aanbevolen.

Disaster by Choice. Een Boekrecensie met pleidooi

Disaster by choice is het laatste boek van Ilan Kelman, een professor uit London die onder andere onderzoek doet naar disasters en gezondheid. Hij is een belangrijke vertegenwoordiger uit een  stroming van ramponderzoekers die onder het motto ‘No Natural Disasters’ steeds meer voet aan de grond krijgt. Als je zijn boek gelezen hebt besef je dat zulks ook echt noodzakelijk is, zeker met de klimaatproblemen die nog voor ons liggen. Er zijn namelijk veel keuzes te maken.

Helaas zijn regeringen daar niet zo goed in, zo leerde ik eerder uit Crisis en Catastrofe. Regeren is vooruit schuiven, niet vooruitzien. En dat is een nationale ramp op zich, noteerde de Arnhemsche Courant al in 1849.

Tjeenk Willink betoogt ruim honderdzeventig jaar later, tussen de regels door in zijn pleidooi voor Groot Denken, dat er sinds die tijd niet erg veel verbeterd is. Volgens hem vindt een regering zonder duidelijke visie op een koers voor de samenleving geen legitimiteit voor lastige besluiten. Terwijl die lastige besluiten, keuzes maken, juist zo hard nodig zijn om crises te bestrijden.

Disasters are not natural

Zo ontstaat er een eindeloze spiraal naar beneden. Omdat er geen keuzes worden gemaakt is er geen draagvlak en zonder draagvlak kun je geen keuzes maken. Alsof je je aan je eigen haar uit het moeras moet trekken. Waar is Baron van Münchhausen als je hem nodig hebt?

Terug naar Disaster by Choice. Kelman valt met zijn beginzin al direct met de deur in huis.

“Disasters are not natural. We – humanity and society – create them and we can choose to prevent them. That is the main message of this book.”

Disaster by Choice Kelman

Hij illustreert deze stelling met talloze voorbeelden. De aardbeving op Haïti, hurricane Katrina, vulkaanuitbarstingen van de Popocatépetl, bosbranden in Australië en Amerika, overstromingen in London. Er komt geen einde aan.

Dat maakt het tot een snelle ‘oh ja reis’ langs de vele rampen die de meeste lezers van dit blog allemaal bekend zullen voorkomen. Want zolang zijn ze allemaal nog niet geleden en het was steeds voorpagina nieuws. In ieder geval voor een dag. Want ook rampen kennen een halfwaardetijd.

Wat raakt is dat ze kris kras en in een kort tijdsbestek achter elkaar zijn geplaatst. Opeens ontstaat daardoor het besef dat het geen toevallige, afzonderlijke rampen zijn, maar een serie disasters die met elkaar in verband staan. Er is een rode draad en die rode draad is kwetsbaarheid. Vulnerability. En die gaat niet vanzelf over.

If one lives poor, one dies poor.

Kwetsbaarheid

Kelman laat in Disaster by Choice goed zien dat die kwetsbaarheid een veelkoppig monster is. Hij begint met een duidelijk onderscheid te maken tussen hazards en vulnerability. Stormen en aardbevingen zijn bijvoorbeeld natural hazards, zo legt hij uit. Maar de schade die ze veroorzaken, de slachtoffers en de vernietigde woonwijken, komen door vulnerabilities en daar is niets natuurlijks aan.

Kwetsbaarheden zijn in die zin het gevolg van een keuze; politieke keuzes, sociaal economische, geografische, van alles. Keuzes die wel gemaakt zijn of die juist niet gemaakt zijn.

Zelden zijn die keuzes door de kwetsbaren zelf gemaakt, voegt Kelman toe, omdat ze daar te arm voor zijn, te oud, te gediscrimineerd of te genegeerd door de macht. De meesten kunnen het zich niet eens veroorloven een verzekering af te sluiten en dat is precies het onderscheid met de rijken in deze wereld.

Ook die wonen namelijk soms in kwetsbare gebieden, zoals bossen of rivierbeddingen. Maar wel in stenen huizen, als ze willen. Versterkt tegen aardbevingen, indien gewenst. Mocht het alsnog mis gaan is er meestal wel een verzekering, succesvolle recovery of kapitaalkrachtige steun.

Dat is het verschil tussen kwetsbaren en niet-kwetsbaren, het verschil tussen een doorstart of een crash.

Keuzes

De vraag is dan wie die noodzakelijke keuzes over kwetsbaarheid maakt, of juist niet maakt. Daarop geeft Kelman het volgende antwoord.

“We can now answer the question, ‘why do some people let disaster happen by creating vulnerability?’ Because most of the vulnerability they create is for others. Ultimately, a minority creates vulnerability, and hence disasters, for the majority, because they do not care or choose not to be aware that they are doing so.”

ilan kelman

Er is dus een kleine groep mensen die de kwetsbaarheid van de grootste groep verhoogt, omdat het hen zelf niet raakt en het ze ook niet kan schelen. Ze hebben geen skin in the game, zou Nicholas Taleb zeggen. Daarmee zijn al hun besluiten gratuite, onverschillig. Niet duurzaam, robuust noch antifragiel.

Dat is ook wat Kelman concludeert op basis van alle rampen die hij heeft bestudeerd voor Disaster by Choice. Daarmee begeeft hij zich op het pad van Paul Virilio, de grondlegger van de accidentology. Zijn Museum of Accidents is geen griezelkabinet maar een verzameling exemplaren waarin ongelukken laten zien welke keuzes er in de samenleving zijn gemaakt.

De Baron van Munchhausen, getekend door Gustav Doré in 1862. Zijn verhaal over jezelf aan je haren uit het moeras trekken komt bij dit thema over disasterstudies steeds weer terug. Kwetsbaren kunnen zichzelf niet redden uit de situatie waar ze in zitten. Dingen gaan niet opeens vanzelf goed. Wat nodig is zijn keuzes. En geen keuze is in dit verband ook een keuze.

Waar Virilio zei: accidents reveal the substance, zegt Kelman: disasters reveal the substance.

Rampen zijn in die visie een sociaal construct. Ze laten zien hoe de samenleving is georganiseerd en hoe de boel in elkaar steekt. Waar de macht zit, welke keuzes er zijn gemaakt in verdeling van schaarste en wie de schade moet dragen. Door rampen komt er een vergrootglas op misstanden die ongelijkheid goed zichtbaar maakt, daar waar de waan van alledag de werkelijkheid zo vaak versluiert.

Conclusie: natuurrampen bestaan niet. Kwetsbaarheden wel.

Hulpdiensten

Zelf denk ik, onder andere verwijzend naar dit blog ‘Zelfredzaamheid, resilience en de rol van de brandweer’ dat juist de hulpdiensten een rol hebben in kwetsbaarheidsanalyses. Niet vanuit het oogpunt van vergunningverlening. Dat komt vanzelf wel goed of niet goed; het is immers op papier.

Maar wel vanuit het oogpunt van bestrijdbaarheid. Welke rampen kunnen de hulpdiensten aan? Waar ligt het randje van hun inzetbaarheid, waar kunnen ze geen verschil meer maken? Juist omdat hulpdiensten skin in the game hebben, is hun advies uitzonderlijk belangrijk. Daar liggen namelijk de grenzen van een betamelijke ramp. Eentje die nog wel te bestrijden valt.

Een goed voorbeeld daarvan is een grote brand in de Wouwermanstraat, Den Haag. In de nacht van 20 op 21 mei 2021 brandden er meerdere woningen uit. Het bleek dat er veel te veel mensen, zoals arbeidsmigranten, waren ondergebracht in te kleine huisjes. Terecht werd dat door de commandant van Haaglanden, Esther Lieben, naar voren gebracht. TV West citeert haar: “Want al tijdens het blussen bleek dat veel appartementen helemaal volgestouwd waren met matrassen, ook in woonkamers. Ik ben erg geschrokken van de sociale omstandigheden waarin die mensen leefden.”

Dit is precies waar het bij kwetsbaarheid om gaat. De risico’s die arbeidsmigranten lopen stapelen zich daar op: lage inkomens, slechte woonomstandigheden, weinig steun, slechte taalbeheersing en ga zo nog maar even door. Wat Kelman hier over zou zeggen: dit ontstaat niet vanzelf, het volgt uit keuzes die gemaakt worden. Maar niet door de kwetsbaren zelf.

Kelman schreef met Disaster by Choice daarom een belangrijk boek. Een boek dat aanschouwelijk maakt hoe de kwetsbaren in deze wereld steeds weer het onderspit delven door de verkeerde keuzes die anderen over hen maken. Ook in Nederland, zoals de brand in de Wouwermanstraat illustreert. Het is deze sociale component die het vak van crisismanager en incidentbestrijder tot nu toe ontbeerde. De keus is nu ook aan jullie.


Dit blog heeft een sterke connectie met het thema Fundamental Risk. Zie onder deze blogs Fundamental Risk, Organized Blindness, Sturen we op kans of effect, Geelwassen, Hoe risicomanagement kan leiden tot een fundamental surprise

Crisis en Catastrofe. Een boekrecensie

Crisis en Catastrofe is een aantrekkelijk boek onder redactie van Lotte Jensen. Het is de neerslag van een congres dat op 20 december 2019 werd gehouden over de Nederlandse omgang met rampen in de 19e eeuw. Ik las het en dacht: dit moet elke Nederlandse crisismanager eigenlijk lezen. Want hierin staat wat rampen betekenen voor een samenleving en dat is waar we het allemaal voor doen, nietwaar? Voor de samenleving.

Het vakgebied crisismanagement, voor zover je überhaupt kunt spreken van een vakgebied, wordt van oudsher gedomineerd door een aantal disciplines: communicatie, bestuurskunde, veiligheidskunde. Psychologie natuurlijk, met name op het gebied van besluitvorming. Daar komen grote namen als Karl Weick en Gary Klein achter vandaan. Sociologie ook, ik denk dan aan de klassiekers van Brian Turner en Charles Perrow.

En soms is het niet eens goed aan te geven waar die disciplines nu ophouden of beginnen. Kijk bijvoorbeeld naar Kahneman en Taleb. Gaat dat over crisis? Zeg het maar.

Crisis en Catastrofe

Los daarvan dragen alle operationele disciplines nog hun eigen inzichten bij aan crisismanagement: defensie, brandweer, politie, ambulance en spoedeisende hulp, allemaal doen ze mee. Allemaal zijn ze belangrijk, om hoe je incidenten managet en welke. Het levert vooral technische kennis op. De waaromvraag , het Grote Denken zoals Tjeenk Willink het noemt, komt daar meestal niet zo aan de orde. Dat is vooral voor bestuurders, het bevoegd gezag. Voor de samenleving.

Sinds een paar jaar groeit er echter een betrekkelijk nieuwe loot aan die crisisboom die zich juist bezig houdt met die waaromvraag: disasterstudies heet het, in goed Nederlands.

Geesteswetenschap

Deze subdiscipline bestaat met name uit geesteswetenschappers die de impact van rampen op samenlevingen onderzoekt, zo begrijp ik uit Crisis en Catastrofe. Die zijn immers historisch geworteld en cultureel bepaald, schrijft Lotte Jensen, en moeten vanuit die insteek bestudeerd worden.

Dus kijken historici bijvoorbeeld hoe er vroeger werd omgegaan met rampen. Welke literatuur werd er over geschreven, welke voorwerpen verzameld, zijn er schilderijen over gemaakt? Dat soort vragen. De bundel Crisis en Catastrofe bevat elf stukken met een breed scala aan onderwerpen, variërend van de Leidse Buskruitramp uit 1807 via de betekenis van onweer naar zingen over rampen. Deze onderzoeken werden uitgevoerd voor het NWO programma Dealing with disasters.

Het gaat te ver om dat hier tot in detail te behandelen. Het lezen van Crisis en Catastrofe is al een mooi begin en dat is trouwens echt een aanrader voor zowel crisismanager als historicus. Degenen die allebei zijn hebben dit boek natuurlijk al lang. Toch? (Ik heb nu minimaal drie mensen in het vizier die weten dat ik hen bedoel als ze dit lezen 😊)

Ik beperk me hier verder tot het bespreken van een paar zaken die mij opvielen uit het boek.

Als eerste de onderzoeksmethodiek. Veel geesteswetenschappers, historici voorop, betrekken hun bronnen vooral uit archieven, van papier, teksten, platen, schilderijen en ga zo maar door. Niet van echte mensen uit de praktijk, zo blijkt.

Dus lees ik ergens op bladzijde 15 dat in de vakliteratuur wordt gesproken over rapid-onset hazards zoals stormen, aardbevingen en branden. Ik fronste mijn wenkbrauwen. “Daartegenover staan de langdurige rampen die sluipenderwijs de samenleving ontwrichten, ofwel de slow-onset hazards, zoals droogte, pandemieën en hongersnoden.”

Nou zit ik toch al een tijdje in het vak (dertig jaar) en heb ook best wel wat vakliteratuur gelezen, maar het onderscheid van rapid-onset en slow-onset ben ik nooit op die manier tegengekomen. Ze zijn mijns inziens ook moeilijk bruikbaar in de praktijk van de hulpdiensten. En dat is wel een graadmeter voor kwaliteit op deze website, wat je er in de praktijk mee kan.

Disasterstudies

Dat wringt dan wel een beetje, omdat het veld van de disasterstudies claimt te kunnen bijdragen aan het hedendaagse crisismanagement. Niet door het maken van vaccins, zo schrijft Jensen, “maar ze kunnen wel de huidige tijd van context, verdieping en duiding voorzien.”

Als je dat wilt, denk ik dan, moet je ook wel aansluiten met je terminologie op de mensen in het veld. Niet alleen maar op boeken uit de academische wereld. Dan draag je weinig bij aan de praktijk en dat is jammer, want er is wel degelijk iets toe te voegen.

Een van de hoofdstukken gaat over verzamelingen van rampvoorwerpen. Centraal staat de Leidsche Buskruitramp die we ook al tegenkwamen bij Grensverkenningen. Deze foto is gemaakt uit het boek en stelt het kruitschip voor, vervaardigd uit stukjes wrakhout.

Overigens is er in Amerika een stroming onder de term disasterstudies die zich vooral bezig houdt met de vraag in hoeverre natuurrampen eigenlijk door de natuur veroorzaakt worden. Onderzoekers als Ilan Kelman en Andy Horowitz stellen onder het motto ‘no natural hazards’ dat alle rampen het gevolg zijn van menselijke besluiten.

In hun ogen is de schade door onder andere bosbranden en overstromingen een afgeleide van politieke keuzes en heeft het niets met de natuur te maken. Interessante stof om in een ander blog nog eens op terug te komen.

Het is voor mij onduidelijk of Lotte Jensen zich met Crisis en Catastrofe onder die Amerikaanse stroming schaart. De teksten uit de bundel komen nauwelijks op dergelijke thema’s uit, of het moeten de laatste twee hoofdstukken zijn die handelen over rampen onder koloniaal bewind in Indonesië. Ik ben daar wel benieuwd naar. Wat ik nu zag was dat de meeste artikelen ingingen op kleinere thema’s uit de rampengeschiedenis. Maar wel hele leuke.

Nationale ramp

Zoals het hoofdstuk van Ruben Ros over de verschuivende betekenis van nationale ramp. Die komt gelijk strak binnen met een geweldig citaat van de Arnhemsche Courant, 29 maart 1849.

Een regering die, wat heden noodzakelijk is af te doen, tot morgen uitstelt is een nationale ramp. Elke dag die men ongebruikt laat voorbijgaan is verlies; verlies voor de natie die noch hare lasten verminderd, noch hare huishouding vereenvoudigd, noch hare burgerregten gevestigd ziet.

arnhemsche courant 29 maart 1849

Dit had zo in de kranten anno 2022 kunnen staan, bij een willekeurig dossier over bijvoorbeeld stikstof, klimaat of migratie. Waaruit ik concludeer dat we het altijd bij het verkeerde eind hebben gehad: regeren is niet zozeer vooruitzien als wel vooruitschuiven.

Ros vertelt dat het woord ‘ramp’ voor het eerst in 1285 verschijnt. Het werd gebruikt in de betekenis van ellende, ongeluk, maar ook oneer en schande. Ramp was toen nog geen ding, geen zelfstandig naamwoord en werd vooral gebruikt zoals we nu ‘rampspoed’ hanteren. Verder had het connecties met buitenlandse woorden als catastrophe en disastro, schrijft Ros, waar het ook ‘omslag’ of ‘omwenteling’ kon betekenen.

Hij trekt het woord ramp vervolgens door een bestand met gedigitaliseerde kranten in de periode van 1750 tot 1850 en voert er een computationele analyse op uit. Daaruit blijkt dat ramp vanouds verwijst naar natuurrampen “aangestuurd door de voorzienigheid van het allerhoogste.” De ramp als act van God dus.

Langzamerhand wordt door allerlei politieke ontwikkelingen het gebruik van ramp steeds breder en verwijst het ook naar wanorde en chaos in de samenleving. Zodra de oorzaken van een ramp niet alleen meer in het goddelijke domein lagen konden ze ook betwist worden en sloeg het woord ramp daarna bijvoorbeeld ook op mensen, gedrag en regeringen. Op alles wat je maar wilt.

Noodhulp

Ook het hoofdstuk over ‘noodhulp bij stads- en dorpsrampen in de republiek’ is interessant. Erica Boersma laat zien dat hogere overheden zich het lot van de slachtoffers wel degelijk aantrokken, al heerst er het gevoel dat de republiek pas laat acteerde en zeer passief was. De rampfrequentie was echter zo hoog dat er nauwelijks geld was voor hulp. De steun die gegeven werd richtte zich op het algemeen belang, zoals de wederopbouw van de stad. Dus wel huizen, maar geen inboedel.

Verzekeringen waren er toen niet, zoals Jaap Goudsblom eerder al uitgebreid beschreef in Vuur en Beschaving. Stadsbranden waren dan ook echt een ramp. Als alles was verloren, was ook echt alles verloren. Overigens is met terugwerkende kracht Goudbloms boek misschien wel één van de eerste uitgaven op het gebied van disasterstudies. Ook een must read, maar dat terzijde.

Het wrak van de SS Berlin op de pier bij Hoek van Holland. Foto komt uit het Zeeuws Archief.

Wat voor mij verder volledig nieuw was, is het verhaal van de scheepsramp met veerboot Berlin, op 21 februari 1907 bij Hoek van Holland. Daarbij kwamen 128 mensen om het leven. Ron Brand beschrijft hoe de boot in een vliegende storm aan de grond loopt en in tweeën breekt. Er worden diverse reddingspogingen ondernomen, die al met al niet veel mochten baten. De ramp met de Berlin was één van de eerste waar de diverse media uitgebreid verslag van deden.

Voor het eerst werd de grote wereld bij iedereen thuisgebracht.

Brand beschrijft verder hoe de Berlin daardoor ook de primeur had van ramptoeristen. “Omdat het scheepswrak enkele dagen lang op de pier bleef liggen, kon men de ramp ook met eigen aanschouwen. Het wrak en de reddingspogingen trokken veel bekijks. Grote drommen mensen togen naar het strand.”

Prins Hendrik

Ook Prins Hendrik, de echtgenoot van Koningin Wilhelmina, ging ter plaatse en bemoeide er zich met van alles. Tot aan de reddingen toe. Ondanks dat zijn inzet geen enkel slachtoffer heeft bespaard was de waardering voor Hendrik er niet minder om. De rest van zijn leven was hij de belangrijkste redder van de Berlin en reisde hij Europa af om overal zijn verhaal te vertellen. Een treffend voorbeeld van de ramp als kans.

Wat Crisis en Catastrofe mooi illustreert is dat de rampen misschien veranderen, als ook de manier waarop ze bestreden worden, maar de mens die ze meemaakt niet. Dat is een deel van het antwoord op de waaromvraag die ik aan het begin van dit blog stelde en iets wat de disasterstudies wel degelijk kunnen toevoegen aan de praktijk. Ik kijk daarom al uit naar een volgende uitgave van het onderzoeksprogramma Dealing with disasters.

Antifragiel. Een soort van boekrecensie

Antifragiel is het derde deel in de Incertoreeks van Nicholas Taleb. En het dikste. Het is weer zo’n typisch Taleb boek, met veel voorbeelden uit zijn eigen praktijk, scheldpartijen, dweperijtjes en onverwachte invalshoeken. Van Taleb weet ik inmiddels dit: haal eruit wat je kan gebruiken en laat de rest voor wat het is. Dus schreef ik een antifragiel blog, dat tegelijkertijd dient als boekrecensie.

Kan je eigenlijk wel een antifragiel blog schrijven? Hoe ziet dat eruit? Als een serie losse paragrafen die samen een verhaal vertellen? Als een ontdekkingstocht van wat je altijd al deed of hebt gedaan, maar niet wist dat het antifragiel was? Rijp en groen, van de hak op de tak?

Ja, dat allemaal tegelijk.

Antifragiel

Althans, ik heb dat gewoon zo gedaan. Antifragiele fragmenten zijn het, waarnemingen, associaties. Omdat antifragiliteit geen theorie is noch een eigenschap, maar een capabiliteit in een context, kun je er nauwelijks een algemeen geldend verhaal over opschrijven. Antifragiel is anders bij disrupties dan bij emergencies, en weer anders bij dreiging dan bij crises.

Absolute antifragiliteit bestaat dan ook niet. Uiteindelijk kun je alles verzuipen of verbranden, ook als het antifragiel is. Het is geen tovenarij, geen geheime oneindige bron van energie. Maak er dus geen mystieke gebeurtenis van. Maar denk er wel eens goed over na, wat antifragiel wel is, want alleen dat al maakt je minder fragiel.

Daar gaat ie. Vergeet niet dat dit gaat over omgaan met onzekerheid. Niet of één plus één twee is.

Rizoom

En, verrassing, we beginnen met Gilles Deleuze en zijn rizoom. Omdat hij het daarmee ook over antifragiliteit had. In andere termen, dat wel. Wie wel eens iets met een wortelstok in zijn tuin heeft gehad weet wat ik bedoel. Dat krijg je er eigenlijk niet meer uit op een normale manier.

Volgens Deleuze bestaat er geen logische seriële werkelijkheid met causale verbanden. Dat is wat we er van proberen te maken. De werkelijkheid bestaat uit rizomen, netwerken die zichzelf vormen uit heterogene componenten. Zonder centrale sturing. Ik citeer nu even mezelf:

“Met heterogene componenten bedoel ik dat het om eigenlijk alles kan gaan: dingen, mensen, dieren, natuur, muziek, waarden, zingeving, brandweer, noem maar op. Het karakteristieke van een rizoom is dat het geen begin en geen einde kent. Eerder is het een geheel van koppelingen en verbindingen in een soort van structuur, zonder een centralistische aansturing. Het is een becoming, iets dat wordt.”

Gember is een wortelstok

Deleuze schreef een boek, Mille Plateaux, dat als een rizoom geschreven is. Je moet er op elke plek, elke bladzijde in kunnen beginnen en dan toch nog het geheel kunnen zien, kunnen begrijpen. Zei hij. Ik heb geprobeerd zulks met dit blog te doen. Als dat net zo goed gelukt is als met Mille Plateaux, kun je het voor elke zekerheid toch maar beter gewoon van boven naar beneden lezen. 

A rhizome may be broken, shattered at a given spot, but it will start up again on one of its old lines or on new lines

gilles deleuze

Rizomen zijn antifragiel.

Triade

Antifragiel is het tegenovergestelde van fragiel. Robuust zit er tussen in. Dat is de Triade van Taleb. Voor hem is dat een belangrijk uitgangspunt, schrijft hij, om verder weinig aandacht aan robuust te besteden. Robuust is een parkeerplaats tussen fragiel en antifragiel in. Soms komt ie van pas, maar je gaat niet op reis om te parkeren.

Antifragiel heeft baat bij wanorde en volatiliteit. Het wordt er sterker van. What doesn’t kill me, makes me stronger.

Of zoals de boeddhisten het zeggen: wat interessant dat ik dat (vul hier je onheil dan wel tegenslag maar in) mag meemaken. Wat hier achter zit is dat je het leven ziet als een middel om je persoonlijkheid te onderzoeken en te testen. Van alleen maar meewind leer je niets. Het is de tegenwind, en dan met name het overwinnen ervan, wat je verder brengt. Dat is wat win win betekent: ook als je verliest win je. Misschien niet deze keer, maar wel een volgende, of de daarop volgende.

It ain’t over untill it’s over, zei Yogi Berra.

Asymmetrie

Asymmetrie is dat je meer te verliezen hebt dan te winnen, schrijft Taleb. Hoe meer je te verliezen hebt, hoe groter de asymmetrie en hoe fragieler het is. Zijn oplossing: onthecht en streef niet naar winst of rijkdom (dematerialize). Kortom, als je geen waarde hecht aan verlies kan je ook niet verliezen. Dat is de stoïcijnse oplossing van Seneca.

De onderkant van Calimero

In die zin streefden stoïcijnen al naar antifragiliteit zonder dat ze die term ooit gekend hebben. Het gaat niet om wat je meemaakt, maar om wat je er mee doet. Maak je sterk voor wat je kan beïnvloeden, en accepteer waar je geen invloed op hebt.

Accepteren is hier hard werken; het is niet lijdzaam ondergaan, maar actief jezelf vragen stellen over je eigen ego, je lange tenen, je korte lont, je ervaren onrecht, het niet eerlijk gevoel, kortom hoe ziet jouw Calimero eruit onder al je leed? (Ja, je moet jezelf af en toe streng toespreken, vooral als je jezelf heel zielig vind).

Er zijn ook stoïcijnen die zeggen dat tegenslag niet je karakter versterkt, maar juist onthult. Er zijn er ook die zeggen dat het één de ander niet uitsluit. Zo eentje ben ik er. Twee wallen zijn er om van te eten.

Weerstand

Feitelijk gaat het om weerstand opbouwen tegen stressoren en gebeurtenissen. Zoals trainen je spieren sterker maakt, is blootstelling aan het echie noodzakelijk om sterker te worden. Onvoorspelbaarheid speelt daarbij een grote rol. Je wordt niet beter door steeds hetzelfde te doen. Juist de afwijking, het onvoorspelbare, de piekbelasting maakt het systeem beter. The obstacle is the way.

Precies daarom vond ik het convenant van brandweer Schiphol met de VRK zo belangrijk, de publiek private samenwerking. Het doel voor mij was nooit efficiëntie of kostenreductie of economisch voordeel. Er was maar één doel en dat was dat het systeem luchthavenbrandweer getest moest worden, in de praktijk met onvoorspelbare uitrukken; het moest antifragiel worden, om de Black Swans te weerstaan die in de complexe luchthavenomgeving te verwachten zijn.

Doch tegelijkertijd ook niet voorspelbaar zijn; daarom creëer je redundantie, weerstand, flexibiliteit en recovery in een systeem. Je probeert antifragiel te zijn. Altijd een optie te hebben. Of zoals Taleb het zegt: het is veel makkelijker om vast te stellen of iets fragiel is, dan om een schadelijke gebeurtenis te voorspellen. Manage niet de kans, maar het effect en de daarbij horende respons.

Ballen

Belangrijk is daarbij het ‘ballen in de lucht’ principe: wees als de jongleur die tien ballen in de lucht houdt. Creëer een eigen visie, een koers, een richting. Bedenk wat je nodig hebt om die koers te varen en ga varen. Kijk goed om je heen waar de energie zit en pak de mogelijkheden die voorbij komen om te scoren. Volg de strategie van de toevallige kans.

Elke bal die je in de lucht houdt om ooit te kunnen scoren is een verbetering, een fundament van je bouwwerk. Elke bal is een optie, een keuze die mag, maar nooit moet. Dat is wat het een optie maakt en dat is ook waarom je je opties moet spreiden. Anders heb je nog steeds geen keus.

Option awareness is de pendant van situation awareness.

Als er punten zijn gemaakt en ballen zijn gegooid, vul dan de voorraad in de lucht gelijk weer aan met nieuwe ballen. Voor de volgende stappen, die ongetwijfeld gaan komen ook al weet je nooit wanneer en hoe laat. Vertrouw op het toeval om te groeien, maar zorg wel dat je je plannen op orde hebt.

En nee, plan is geen dik pak papier met veel tekst en tabellen. Het zijn ideeën, mogelijkheden, doelen.

We hebben de verkeerde fout gemaakt

yogi berra

Complexiteit

De kracht van swarming bestaat uit de opbouw van een geheel uit zelfstandige delen. Elk deel is in meer of mindere mate fragiel, maar dat maakt het geheel antifragiel. De schade van de één, is de winst van de ander en de versterking van het totaal. Wees dus niet die ene; maar wees wel samen. Ook dat is antifragiliteit.

Complexiteit maakt het onmogelijk om één basisoorzaak van falen aan te wijzen. Die is er niet. Het is de status, de toestand van het systeem als geheel wat meer of minder fragiel is. Omdat het niet alleen om de dingen zelf gaat, maar ook om de interactie tussen de delen. Hun verbinding en hun betekenis in de grotere context.

(Kunstmatige) Stabiliteit wiegt in slaap, maakt een systeem voorspelbaar. Maar elke afwijking leidt tot verwarring. Toeval, variatie en afwijkingen zijn dus van belang om een systeem in vorm te houden. Afwijkingen horen dus standaard te zijn.

Red Teaming

Antifragiliteit gaat nooit over kansen, maar over kwetsbaarheid en schade. Wat kan je hebben? En vergeet niet dat Black Swans gaan over wat je niet weet. Als je niet bewust bent van wat je niet weet, ben je nooit antifragiel. Vul je gereedschapskist dus aan met niet-weten. Organiseer red teaming, laat externen je kwetsbaarheden zoeken. Doe eens een risicoanalyse over wat je niet weet, in plaats van wat je wel weet.

Vakbekwaamheid kan niet door een ploeg met zijn eigen brandmeester alleen op orde worden gehouden. Ook niet door een teamleider met zijn team. Daar ontbreekt namelijk de onvoorspelbaarheid voor, het prikken in de comfortzone van de verwachting. Want die brandmeester of die teamleider kan zichzelf niet verrassen. Zie ook de blogs over het OK Plateau en de zone van de naaste ontwikkeling. Investeer dus in instructeurs, als een vorm van Red Teaming.

Je kan jezelf wel steeds verbeteren. De vraag is alleen wat verbeteren is. Waar ligt dan je norm? Wanneer ben je succesvol? Is verbeteren jezelf prepareren om sterker mee te kunnen in de ratrace? Of is verbeteren dat je in staat bent je eigen grenzen te kennen en weet welke je wilt verleggen omdat jij het belangrijk vind, niet omdat de maatschappij het belangrijk vindt. Tenzij die twee elkaar overlappen, dat kan natuurlijk ook. Maar dan is het wel jouw grens geworden. 

Primum non nocere – do no harm. Dat is een mooi uitgangspunt en maatstaf in alles wat je doet.

Geen tegenslag en niet lijden is een rem op je ontwikkeling. Elk verlies is dus ook winst. En tegelijk de valkuil: “kijk mij eens een hoop hebben meegemaakt, wie maakt me wat.” Alsof je daarna niets meer hoeft te doen.

Hard werken is ook hard rusten. Dat is wat Taleb de halterstrategie noemt. Acteer tussen extremen, maar vermijd het midden. Antifragiel is dus niet dat je structureel onoverwinnelijk bent. Je hoeft niet de hele dag aan te staan. Maar je moet er wel zijn als het nodig is. Anders ben je fragiel.

Tegenwind is leerzaam

Veerkracht 

Mag je antifragiel veerkracht noemen? Van mij wel. Zeker in de praktijk merk je echt het verschil niet tussen een veerkrachtige organisatie en een antifragiele organisatie. Er hangt geen bord boven de deur met antifragiel of veerkracht, noch gaat er een lampje branden.

Dat gezegd hebbende. Ik gebruik de definitie van Sidney Dekker voor veerkracht. Die bestaat uit drie elementen (in mijn woorden, zoals ik het gebruik)

  • Ken de grenzen van je bedrijfsvoering (of van jezelf, of van iemand anders, enzovoorts)
  • Weet wanneer je over die grenzen heen gaat
  • Weet hoe je weer terug moet sturen
  • Ook bij tegenslag en in moeilijke omstandigheden (dat is wel de vierde, maar geen element; het is de context van de elementen)

Vooral die laatste is belangrijk. Veerkracht gaat over tegenwind, niet over meewind. Je hebt ook nog zijwind. Daar kun je vast zelf wel iets bij bedenken.

Wat is antifragiliteit dan meer dan veerkracht? Dat je de grenzen verlegt. Door ze te testen en uit te dagen worden grenzen ruimer, sterker, flexibeler. En dat doe je door oefenen en evalueren. Omdat antifragiliteit in deze opvatting een capabiliteit is en dus geen eigenschap. Het is een vaardigheid die opgebouwd, onderhouden en verbeterd moet worden (je hebt het niet gratis meegekregen, je moet er wel wat voor doen).

En dat je meer opties hebt om te sturen, dat ook. Sturen zonder opties is fragiel. Eén keus is geen keus. Antifragiliteit is opties hebben.

Je kan antifragiliteit verliezen. Dan wordt je fragiel, niet robuust. Het continuüm beweegt zich tussen fragiel en antifragiel. Het is dus ook geen dichotomie. Je kan best een beetje fragiel zijn en verder heel erg antifragiel. Is dat een achilleshiel? Een boemerang? Een bananenschil? Ik reken het allemaal goed.

Als jij niet verandert, maar je context wel, kun je ook je antifragiliteit verliezen. Aanpassingsvermogen is dus essentieel. Survival of the fittest is antifragiliteit.

Non-interventie 

Er zijn mensen die vinden dat ik soms lang doe over een besluit. Tot op het besluiteloze af. Is het twijfel? Nee, het is eerder de vraag wat het de situatie verbetert als je een besluit neemt als het niet nodig is. Je kan dingen ook laten gaan, omdat veel zaken zichzelf wijzen. Don’t push the river. Het uitstellen van besluiten kan er toe leiden dat je van gedachten kan veranderen en dus niets terug hoeft te draaien waar je anders spijt van zou hebben gekregen.

Festina Lente – Haast u langzaam

Taleb schrijft dat weinig mensen snappen dat dralen een natuurlijk verdedigingsmechanisme is. “Laat dingen op hun beloop, laat ze hun antifragiliteit benutten.” Alles beter dan besluiten nemen die de fragiliteit alleen maar groter maken. Iatrogenese noemt Taleb dat. Ik noem het Zwarte Eenden en ‘Het-met-de-kennis-van-nu-syndroom’.

Er zijn ook besluiten die je direct moet nemen. Antifragiel is dat je weet wanneer je haast moet maken en wanneer niet. Wat je daarvoor nodig hebt is situational awareness. Situational Awareness (SA) is key. Als je geen SA hebt ben je fragiel. Als je niet weet dat je geen SA hebt ben je nog fragieler.

Wat is de overtreffende trap van fragiel? Misschien is de Triade wel van megafragiel via fragiel tot antifragiel.

Flaneren

Flaneren gebruik je bij het omgaan met onzekerheid. Zoals alles in dit blog eigenlijk. Maar misschien was je dat hier al weer vergeten, het is zo’n lang blog. Te groot en te lang is ook fragiel. Wat dat betreft is die dikke pil van Taleb vooral in de titel antifragiel: mijn versie kent 520 pagina’s, die ik afwisselend diep en scannend gelezen heb. Ik ben door het boek geflaneerd.

In musea is het uitstekend flaneren

Wat door Taleb flaneren wordt genoemd is bij mij wanderen, wanderlust. Wanderlust is wandelen / ontdekken / dwalen op een onvoorziene of doelloze manier met een volledige openheid voor het onbekende. Bij elke stap besluit je wat de volgende zal zijn.

Bij wanderen vind je door niet te zoeken. Serendipiteit heet dat en het is antifragiel omdat het opties biedt, opties in een bereik die je niet had getroffen als je had gezocht. Zoeken leidt tot tunnelvisie. Daarom zijn vragen belangrijker dan antwoorden, omdat vragen het aantal opties vergroot en antwoorden het aantal opties verkleint.

Leer je aan om gebruik te maken van de toevallige kans, dat wat voor handen is. Wees als McGyver, of het A-Team. Al lagen daar al die spulletjes natuurlijk niet per ongeluk. Maar je snapt het idee.

Lessen

Wat zijn de belangrijkste lessen van twee maanden Taleb lezen, drie boeken met 1300 pagina’s? Ik noem er drie. Toeval, het hadden er ook twee of vier kunnen zijn. Of tien.

  • Black Swans ontstaan door wat je niet weet. Dat is je grootste kwetsbaarheid en je bent nog kwetsbaarder dan je denkt als je niet weet hoe kwetsbaar je bent. Ik zeg: fundamental surprise. Regulier risicomanagement gaat je daar maar deels bij helpen omdat de focus daar ligt op wat je wel weet.
  • Je bent kwetsbaar in een context. Als je antifragiel bent en je omgeving verandert ben je zomaar opeens fragiel. Dat geldt dan met name voor crises en dreiging. Als ze eenmaal beginnen met slopen ben je te laat. Dat een negatieve spiraal niet voor niks zo heet ontdek je vanzelf als je er eenmaal in zit. Maar hoe kom je er dan weer uit?
  • Als de boel in de fik staat moet je rennen. Dat is een zekerheid. Als de boel niet in de fik staat, moet je dan ook rennen? Dat is een onzekerheid. Ik hield altijd al van slenteren, wanderen, verwonderen, het eens van de andere kant bekijken. Dat is wat Taleb flaneren noemt en hij heeft gelijk dat er veel mensen zijn die dat niet begrijpen met hun FOMO. Des te lastiger is het dan om je vast te blijven houden aan je eigen slentergedrag, maar ook des te belangrijker. Dus: Flaneer!

Vale!


Dit is de derde bespreking over de Incertoreeks. Taleb’s Toeval was de eerste. Black Swan was de tweede. Andere blogs over Taleb’s gedachtengoed zijn het Antiboek van Yevgeni Krasnova, de Antibibliotheek, De strategie van de Hydra en Vulkaanuitbarstingen.

Tijdelijk Verblijf. Een Boekrecensie

Tijdelijk Verblijf van Vrouwkje Tuinman is een meeslepend verhaal over een moeder met haar drie zonen in het Eindhoven van 1956. Aan het eind blijf je achter met heel veel vraagtekens. Wat is daar in hemelsnaam gebeurd?

Pas na een nacht of drie begreep Amelia waarom ze in het pension aan het plein nauwelijks een oog dicht deed. Terwijl ze toch echt wel wat gewend was; het was bij elke klus de vraag wat ze nu weer voor logies zou treffen.

beginzin tijdelijk verblijf

Zo raadselachtig begint ‘Tijdelijk Verblijf.’ Waarom deed ze geen oog dicht? Wat begreep ze dan na drie dagen? En wie is Amelia eigenlijk?

Een paar regels verder verschijnt het eerste omineuze teken van wat eigenlijk een detective is, maar dan zonder detective: “Toen ze haar kleding in de kast hing, waren haar de streepjes opgevallen die aan de binnenkant van de deur stonden. Drie stuks, met elk een letter ernaast en een jaartal, 1958.”

Tijdelijk Verblijf, een boekrecensie

Hierbij dacht ik gelijk aan de beroemde six word story, toegeschreven aan Hemingway: “For sale, babyshoes, never worn.”

Drie streepjes, elk met letter, 1958.

Eigenlijk viel me dit pas op toen ik stukken uit het boek teruglas, om deze recensie te kunnen schrijven. Zo vergaat het de lezer natuurlijk vaker in een spannend boek; de aanwijzingen volgen elkaar op en het gissen naar de afloop is onderdeel van de lol van een detective lezen. Al maakt Vrouwkje Tuinman er wel een heel bijzondere detective van. Eentje die je meer vragen oplevert dan antwoorden.

Starik

Ik kende haar voor dit boek vooral als de partner van F. Starik, de schrijver / dichter / kunstenaar en oprichter van De Poule des Doods. Dat is een collectief van dichters die op de uitvaart van eenzame overledenen een passend gedicht schrijven en voordragen.

Landelijke bekendheid kreeg hij met ‘Moeder Doen’, een boek over de verzorging van zijn dementerende moeder. Tijdens het schrijven van ‘Klaar’, het vervolg op ‘Moeder Doen’, kreeg Starik een hartstilstand en overleed. Veel en veel te jong.

Tuinman zorgde ervoor dat ‘Klaar’ alsnog kon worden uitgegeven. Bovendien maakte ze een prachtig herdenkingsboek, ‘Leven als Museum’, waarmee je een goede indruk krijgt van Starik als mens en kunstenaar met foto’s, gedichten, brieven en zelfs een losse pop-up. Een koesterboek.

Dat kun jij

In de dichtbundel ‘Lijfrente’ schrijft ze het verlies van Starik van zich af met indrukwekkende gedichten, waarmee ze terecht de Grote Poëzieprijs van 2020 won. Uit die bundel komt ‘Dat kun jij.’

En nu is er dus ‘Tijdelijk Verblijf.’ Ik kocht het ongezien, vanwege het bovenstaande, om er thuis achter te komen dat dit al de derde druk was. Wat ik had gemist was dat dit boekje in 2021 als presentje was uitgereikt voor Brabants Boek 2021. Een soort Boekenweekgeschenk voor Brabanders, zo stel ik me dat voor, want ik had er nog niet eerder van gehoord.

Gelukkig voor de rest van Nederland heeft uitgever Cossee besloten om er een handelseditie van te maken. ‘Tijdelijk Verblijf’ gaat over een moeder, Door, die er na het overlijden van haar man alleen voorstaat met drie zonen. Eerst gaat ze terug naar de ouderlijke boerderij, maar daar is ze niet echt welkom. Uiteindelijk begint ze een pension in Eindhoven met een zekere Ome Piet en dan begint de ellende pas echt. Eén voor één overlijden de jongens onder geheimzinnige omstandigheden.

Drie streepjes, elk met letter, 1958.

Wat dit verhaal extra bijzonder maakt is dat het gebaseerd is op ware gebeurtenissen. Om de één of andere reden maakt dat het relevanter, lijkt het wel. In ieder geval zat ik te googelen op radium en verlichte horloges en vroeg ik me af waarom in het boek het vertellersperspectief bij veel mensen langskomt, maar niet bij Ome Piet. Het is drommels een echte whodunnit waar ik nog dagen over zat te piekeren. Dit verhaal laat mij in ieder geval nooit meer los. Meesterlijk gedaan.

“Dat kun jij”, zei Starik tegen Tuinman, en hij had gelijk.

De Lezende Mens. Een Boekrecensie

De Lezende Mens is een geweldig boek voor, inderdaad, de lezende mens. Maar dan wel voor Ons Soort Lezers. Want al die anderen laten het waarschijnlijk links liggen. Alleen al omdat het zo’n dikkert is en als ondertitel voert: De betekenis van het boek voor ons bestaan. Dat geeft natuurlijk helemaal niets, het is ook wel eens lekker om gezellig onder elkaar te lezen, met gelijkgestemden.

Toen Helen Keller 19 maanden oud was, werd ze doof en blind door een ziekte. Zo groeide ze in stilte en het donker op, eigenlijk onmachtig te communiceren, totdat een lerares haar taal aanleerde via aanrakingen in de handpalm. Toen veranderde er veel. Eerst dacht ze vooral aan voorwerpen, schrijft ze, dingen die ze wilde hebben en hoe ze die makkelijker kon krijgen.

De grote ommekeer kwam toen ik de betekenis leerde van ‘ik’ en ‘mij’ en ontdekte dat ik iets was. Ik begon te denken. Toen bestond bewustzijn voor het eerst voor mij.

Helen Keller

Het is fascinerend om met dit soort voorbeelden na te denken over denken. Dankzij De Lezende Mens kan dat. Zou je bijvoorbeeld kunnen denken zonder taal, zo vroeg ik mezelf af. Ik keek daarbij wijs in de verte, de kasteeltuin in, waar ik dit boek las en concludeerde al snel dat denken zonder woorden er niet in zit. Uit psychologisch onderzoek is ook bekend dat de vroegste herinneringen van mensen niet verder terug gaan dan de leeftijd dat ze als kind leerden praten. Taal is dus onmisbaar voor wie we zijn als mens.

Vergankelijke teksten

En als maatschappij. Want, schrijven Ruud Hisgen en Adriaan van der Weel (H&W), onze cultuurgeschiedenis en de wereld waarin we nu leven worden in grote mate mogelijk gemaakt door tekst. “Ons rechtssysteem, ons democratisch stelsel, onderwijs, wetenschap; al deze verworvenheden zijn ondenkbaar zonder het geschreven of gedrukte woord.”

Lezen is dus niet alleen een persoonlijke vaardigheid, het is één van de pilaren waar de samenleving op steunt. Dat is de betekenis van het boek voor het bestaan. Het kan maar gezegd zijn.

De Lezende Mens

H&W stellen daarnaast dat we steeds taliger worden. Er komt dus alsmaar meer tekst bij, als ware het een omgekeerde pyramide. Dankzij technologische vondsten produceren we elk jaar weer meer documenten dan voorheen. Niet zozeer in papier en boeken, maar vooral ook op social media, computers, internet en allerhande apps. En in gebruiksaanwijzingen, formulieren, verpakkingen; overal is tekst.

Dat soort gebruiksteksten is echter geen lang leven beschoren, zowel door de vergankelijkheid van de dragers als door het belang van de tekst zelf. Wat ik in dat kader een bijzonder interessant vraagstuk vind is hoe we de huidige samenleving zo coderen dat onze nakomelingen in de toekomst er ook nog wat aan hebben. Ik schreef er al eerder dit blog over, over Waste Island Pilot Plants waar radioactief afval minimaal 10.000 jaar moet blijven liggen voor het veilig is. Hoe communiceer je dat met de toekomst, ervan uitgaande dat tot toe elke taal is verdwenen?

Diep Lezen

Alles wordt in ieder geval steeds vloeibaarder, meer fluïde, stelt De Lezende Mens. Het is de vraag wat dat voor onze samenleving betekent. Want ergens zitten we in een hybride situatie, waarin we enerzijds steeds meer lezen van schermen en uit elektronische bestanden, en anderzijds nog steeds afhankelijk zijn van het diep doorgronden van teksten en boeken om te kunnen duiden en betekenis te geven.

Het is met name die laatste vaardigheid waar H&W een lans voor breken. Diep lezen, noemen ze het, als één van de drie onderscheidbare leesvormen. “Diep lezen is een grondige manier van lezen, waarbij je de tekst van begin tot eind grondig en bewust afgraast.”

De voordelen van diep lezen. Foto uit het boek

Ik zou dat vroeger studeren hebben genoemd. Diep lezen vraagt om kritisch denken, volharding, jezelf vragen stellen, verbinding leggen met andere teksten, concentratie, terug lezen. Dat soort dingen.

Diep lezen doet ook wat op neurologisch vlak met mensen. Het vergoot de capaciteit van de hersenen om informatie te begrijpen en te verwerken. Er zijn ook aanwijzingen voor het omgekeerde, dat we leesvaardigheden verliezen als we juist niet meer aan diep lezen doen. Een soort omgekeerde evolutie dus, degeneratie. Daar ga ik hier niet verder op in, daar moet je De Lezende Mens zelf maar op naslaan.

Scannend lezen

De tweede manier van lezen is bladeren, ook wel skimming of scanning genoemd. Je leest de tekst snel door, op zoek naar sleutelwoorden om je er daarna verder in te verdiepen. Of niet. Maar eigenlijk is het snaaien, jezelf bevestigen of juist zoeken naar argumenten om iemand anders zijn betoog te ontkrachten.

Scannen doen mensen in beleidsnotities, na twee bladzijdes leggen ze het weer naast zich neer. Op naar de volgende, net zolang tot het pak vergaderstukken uit is. En ze doen het op websites, waarbij hun ogen de beroemde F volgen over het beeldscherm. Eerst helemaal van links naar rechts en daarna snel naar beneden, af en toe nog even in de breedte een regel afscannend.

Tussen diep lezen en scannen ligt wat immersief of geabsorbeerd lezen wordt genoemd. Daarbij houd je geen afstand tot de tekst en ga je er helemaal in op. Je laat je meevoeren, het is een pageturner. Hierbij staat de ontspanning juist op de eerste plaats. Je leest het voor de lol, zoals ik dit soort boeken op vakantie meeneem. Omdat het leuk is.

De Lezende Mens gelezen

De Lezende Mens startte ik met diep lezen. Aandachtig ging ik de bladzijdes door, maakte aantekeningen, onderstreepte in mijn ogen belangrijke zinnen. Ik ervaarde het als een mini-Harari, een boek over de Homo Sapiens Legere. Tot hoofdstuk vier. Om de één of andere reden ging ik daar over op immersief lezen.

‘Hij was een jaar of zeventig, de man op het bankje. Hij droeg een ruitjespet en een bril. Zijn benen kruisten over elkaar en daarop lag een boek. Hij las. Op een bankje in de zon. Ik had best graag willen weten welk boek, maar vond dat geen reden om zijn idylle te verstoren’. UKV van maart 2021

Misschien wist ik er al veel van en kon ik er daardoor makkelijk doorheen. In ieder geval snelde ik van pagina naar pagina, maar er werd geen aantekening meer gemaakt. Om in hoofdstuk zes, over de leescrisis en verder, de rest even snel door te scannen. Die hoofdstukken voegden weinig meer toe.

Met name het hoofdstuk over lezen en laten lezen is in mijn ogen overbodige ballast. Dat weet Ons Soort Lezers al lang. Hoezo heb ik aanwijzingen nodig om mijn leesangst te bestrijden? Of tips voor een goede boekhandel? En door.

In die zin is De Lezende Mens eigenlijk net te dik. Het had ook prima zonder de laatste twee hoofdstukken gekund. Iets minder herhalingen had ook prettig geweest en af en toe werd het ook wel heel pamflettistisch. Maar dat was deze schrijvende liefhebbers snel vergeven, zo onder mekaar.  

Al met al dus een lekker vakantieboek voor Ons Soort Lezers. Misschien volgend jaar een boek over De Schrijvende Mens, Ruud en Adriaan? Dan bestel ik die hierbij alvast.


Interesse in nog meer boekentips? Check het boekenblog

Grensverkenningen. Een boekrecensie

Grensverkenningen van Kester Freriks en Martijn Storms is een lekker boekje voor op vakantie. Neem dan ook wel wat anders te lezen mee, iets met een plot of zo, want na elke twee hoofdstukken is de spanning er wel weer even van af. Ik vond het dan ook vooral een naslagwerkje, dat mooi past bij alle andere kaartenboeken in de kast.

Onlangs hield ik een weekje vakantie in Zuid Limburg, een paar dagen wandelen over het Krijtlandpad. Het Drielandenpunt in Vaals is één van mijn heimelijke genoegens uit die streek. De sensatie dat je met een paar stappen door drie landen kunt lopen is sinds mijn kindertijd niet kleiner geworden. Ik word daar nog steeds vrolijk van.

Ik kon mijn geluk dan ook niet op toen bleek dat Kester Freriks en Martijn Storms een boek hadden geschreven onder de titel Grensverkenningen. Hoe toepasselijk was dat. Vol verwachting sloeg ik het op in de zonnige kasteeltuin van ons hotel. Natuurlijk als eerste bij het hoofdstuk over Limburg. Wat zou er in staan over Vaals?

Nou, niets. De grensverkenningen in Limburg gaan namelijk over de bufferzone die in 1815 werd getrokken ten oosten van de Maas om Pruisen en Frankrijk uit elkaar te houden. Het was zowel de oprichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden als die van de provincie Limburg. Daarna volgt in het hoofdstuk een impressie van de streek rondom Sittard en dan met name over de Kollenberg en het van origine Duitse gebied Selfkant.

Kleine historiën

Selfkant werd na de oorlog door Nederland geannexeerd als oorlogscompensatie. “In de verhalen van de mensen die hier wonen en leven was dat een nachtmerrie”, schrijft Freriks. Volgens hem ontlenen mensen hun identiteit aan een grens. Ze voelen zich ermee verbonden, al wordt de eenheid vaak bedreigd. In 1969 werd Selfkant weer teruggegeven aan Duitsland, al ligt het nog steeds als een kartel, ‘een wespentaille’ diep Nederland in.

Het verhaal over Selfkant is één van de vele kleine historiën uit Grensverkenningen. Achttien staan er in, allemaal opgehangen aan één van de vele kaarten uit de oude verzameling van Tiberius Bodel Nijenhuis. Bij zijn overlijden in 1872 schonk hij zijn collectie van kaarten en atlassen aan de universiteit van Leiden. Tot op de dag van vandaag zijn die daar nog steeds te vinden.

Buskruitramp Leiden
De kaart van Leiden is officieel uit 1675, maar door vader Nijenhuis in 1807 ingekleurd na de Buskruitramp. Foto uit het boek.

De verzameling van Nijenhuis bevat veel kaarten en prenten van de Buskruitramp uit 1807. Die had hij meegemaakt als jongen van elf, het ouderlijk huis stond op 500 meter afstand van de grens van het rampgebied. “Op zijn twaalfde verjaardag kreeg hij een kastje met kaarten cadeau van zijn vader. Zou de kaart van Leiden met het door vader Bodel Nijenhuis ingetekende rampgebied daarin hebben gezeten”? Freriks weet het niet zeker, maar tussen de regels door hoopt hij het van harte en ik hoop dat met hem mee.

The map is not the territory

Het is mooi om te zien waar je allemaal grenzen aan kunt trekken. Aan vaargeulen, verdedigingslinies, afwateringsgebieden, zandverstuivingsgebieden, van alles. Misschien is de mooiste grens nog wel die van de klokslag in Leeuwarden. Tot waar je de kerkklokken kon horen, gold het rechtsgebied van de betreffende stad. Keurig ingetekend op de klokslagkaart.

Grensverkenningen is niet een boek om in één keer uit te lezen, daarvoor zijn de verhalen te verschillend. Het springt daardoor logischerwijze van de hak op de tak. En ondanks dat Freriks zijn hoofdstukken dapper essays noemt, is het nu juist dat wat ik miste: de wat diepere gedachten over de betekenis van grenzen. Zelfs de meest beroemde uitspraak over kaarten, The map is not the territory, ben ik niet tegen gekomen.

Desondanks is het heerlijke vakantielectuur, af en toe een hoofdstukje tussen twee drankjes door is een geweldige tijdsbesteding. Eenmaal weer thuis kan Grensverkenningen prima in de kast als naslagwerkje, tussen alle andere kaartenboeken in. Een grenzeloze verzameling.

Het licht aan het einde van de loop

Het lezen van ‘Het licht aan het einde van de loop’ duurt ongeveer net zo lang als twee keer naar het nieuwe album van Seth Walker luisteren, I hope I Know. Die muziek past uitstekend bij dit boek van Martin Michael Driessen. Die combi is een echte aanrader. Het boek gaat over een kogel die vertelt wat ie allemaal meemaakt, een tamelijk uniek gezichtspunt in de literatuur. Waarom niet veel meer mensen dat geprobeerd hebben is na lezing wel duidelijk. Hardleers als we zijn vroegen we het boek zelf ook naar zijn ervaringen.

“Ik zag hem voor het eerst bij boekhandel Voorhoeve, in Hilversum. Een grijzende man met een baardje. Hij pakte me op van de stapel, keek naar me en zei toen, vooral tegen zichzelf: “Kijk nou wat geinig, er zit echt een gat in ‘Het licht aan het einde van de loop’. Driessen, was die niet ook van Rivieren?”

Daarna bladerde hij wat, las hier en daar een stukje, mompelde iets wat klonk als OK en perste me tussen twee andere boeken in. Als ik me goed herinner waren dat de verzamelde brieven van Rainer Maria Rilke en een vertaalde essaybundel van Fran Leibowitz. Hooghartig geteisem, als je het mij vraagt, er kon geen groet van af. Ken je dat, de hele weg terug in zo’n linnen tas en niemand die wat zegt? Terwijl ze allemaal tot hun nok toe vol met woorden zitten?

Het licht aan het einde van de loop

Bij hem thuis legde hij me bovenop Des Duivels Woordenboek, van Ambrose Bierce. Dat boek is echt knettergek. Deed niets anders dan de hele tijd ongevraagd woorden uitleggen. Riep ie opeens: “Hel. Zelfstandig naamwoord. De woonstee van wijlen dr. Noah Webster, woordenboekmaker.” Ja, zo gek was ie. Ik ging er gewoon slecht van slapen.

Achteraf heb ik er niet eens zo lang gelegen, een week of twee denk ik. Dus dat viel reuze mee. Sommige boeken stonden er al meer dan twintig jaar, zeiden ze, en waren nog nooit gelezen. Dat is de antibibliotheek, zei hij dan. “De boeken die je niet gelezen hebt zijn waardevoller dan die je wel hebt gelezen.” Mooi verhaal, maar ‘Dromen, sprookjes en Mythen’ van Erich Fromm staat nu al sinds 1995 te verstoffen en het arme ding wordt er helemaal depressief van. Die vorige eigenaar, A. Lemmens, had haar nooit weg moeten geven. Maar goed, soms is het niet anders. Als het buiten je invloed ligt, moet je het accepteren.

Ben jij wel eens voor de eerste keer gelezen? Toen het eenmaal zover was werd ik er toch nog zenuwachtig van. Dat bleek helemaal niet nodig. Hij sloeg mijn bladzijden keurig om en deed geen enge dingen, zoals ruggetjes breken om makkelijker te lezen. Ik zag zijn rode leesbril en daarachter die blauwgrijze ogen heen en weer gaan. Af en toe glimlachte hij, maar hij keek ook behoorlijk kritisch. Soms sloeg ie zelfs zuchtend een stukje over. Daar werd ik dan wel weer onzeker van.  

Een paar keer schreef ie wat in me, met een potlood. Ken je dat gevoel? Het kriebelt heel erg, best wel lekker eigenlijk. Dat soort zinnen vond ie leuke vondsten, voor een boek over kogels in oude Colt. Zoals deze vier.

Je moet gelukkig zien te worden met wie je krijgt.

Je eindigt liever in het hoofd van Hitler dan in een boomstam.

Ik begin hoop te koesteren dat er een wereld bestaat die mij niet meer nodig heeft.

Elk bestaan komt tot een einde, maar zolang het duurt schijnt het nooit voltooid te zijn.

Wat ie ook grappig vond was een stukje over de laatste verblijfplaats van de kogels en de Colt. Achter Moby Dick in de boekenkast, van Herman Melville. Zegt die kogel: “Ik overweeg mezelf een naam te geven, Ishmael misschien.” Nou goed, het was misschien geen geschater, maar grinniken deed ie wel. Dus echt slecht vond ie het niet.

Maar hij was ook niet laaiend enthousiast over het licht aan het einde van de loop. “Een gekunsteld onderwerp leidt tot een gekunsteld boek,” mompelde hij toen hij me sloot. “Maar wel leuk voor op het strand, of in de trein. En laat het daar dan liggen, voor iemand die het toevallig zal vinden, lezen en weer doorgeven. Net zoals de kogels steeds weer ergens terecht komen en niet weten hoe het eindigt.”

De nutteloosheid van de Black Swan, behalve voor de crisismanager

Wat moet je als crisismanager met De Black Swan? Met die vraag ging ik het beroemde boek van Nicholas Taleb voor de tweede keer te lijf. Een eerdere poging had ik namelijk jaren geleden al eens gestaakt wegens algehele taleberitus, een alsmaar groeiende moeheid bij elk nieuw hoofdstuk dat ik van hem opsloeg. Met een crisisbril op was het echter goed leesbaar en het leverde ook nog eens een mooi rijtje aandachtspunten op voor de crisismanager. Maar verder is het concept van de Black Swan vrijwel nutteloos en het boek een worstelpartij.

Want echt waar, de ondertoon die Taleb steeds weer in zijn boeken weet aan te slaan is een constante factor van irritatie. Daar moest ik mij toch regelmatig overheen zetten om te blijven doorlezen. Niet dat het alleen maar kommer en kwel is, dat niet. De inleiding over de antibibliotheek vind ik nog steeds geweldig. Daarom maakte ik er ook een apart blog over, net als over het antiboek, waarbij ik me later wel afvroeg hoe groot de antibibliotheek met ongelezen Black Swans zal zijn. Ik denk dat je er best nogal wat plankjes mee kunt vullen.

De nutteloosheid van de Black Swan, behalve voor de crisismanager
Ik kocht voor deze recensie de tweede editie, voor het postscript essay. Dat viel wat tegen, vooral omdat er weinig nieuws over redundantie werd gezegd.

Net als bij ‘Misleid door toeval’ voelt de Black Swan aan als één grote associatie. Doorheen het hele boek tovert Taleb aan de lopende band namen van mensen tevoorschijn. De meeste omdat hij ze verafschuwt, dom vindt of slechts belust op geld en macht. De rest, een minderheid, is in zijn ogen briljant tot geniaal zonder daar ooit erkenning voor te hebben gekregen. Daar gaat hij dan soms zo hard over te keer dat mijn psychoanalytische voelsprieten bijkans overbelast raakten.

Op bladzijde 106 lost Taleb het Freudiaans vermoeden van affectieve verwaarlozing in. Daar schrijft hij dat mensen die op Black Swans jagen vaak een gevoel van schaamte hebben omdat ze niets nuttigs bijdragen:

Het is mijn grote hoop dat de wetenschap en directeuren en bestuurders ooit herontdekken wat men in de Oudheid al wist, namelijk dat respect ons meest waardevolle betaalmiddel is.

nicholas taleb

Toen dat hoge woord er eenmaal uit was werd alles duidelijk en viel er tussen de therapeutische scheldpartijen door veel te leren over Black Swans. Mocht u zich afvragen waarom ik hier zo diep op in ga, dat kwam doordat iemand mij van de week vroeg of ik het boek zou aanraden. Daarop viel ik even stil, moet je dit boek lezen?

Ik zou daar nu, na herlezing, toch met ‘ja’ op willen antwoorden. Wel met de disclaimer erbij van Taleb’s dingetje over respect, zoals hierboven beschreven. Het is dus net zo’n worstelboek als ‘Misleid door toeval.’ Als je goed je best doet, valt er een hoop uit te halen. Hetwelk je dan direct op je eigen conto mag schrijven; respect, goed gedaan. Het lezen van een boek als karaktervorming.

Op naar de inhoud.

Het nut van de Black Swan

Volgens Taleb is een Black Swan een zeldzame gebeurtenis met een enorme impact die slechts achteraf verklaard kan worden.

Daar hangt hij de halve wereldgeschiedenis aan op. De Eerste Wereldoorlog was een Black Swan, de opkomst van Hitler, de instorting van het Oostblok, de effecten van internet, de beurskrach van 1987, eigenlijk alles wat belangrijk is in het leven is een Black Swan. Het maakt daarbij niet uit of het een flits is of een langzaam proces. Als het maar grote impact heeft.

“Rages, epidemieën, mode, ideeën, het ontstaan van kunststromingen en scholen. Al dit soort dingen verloopt volgens de dynamiek van de Zwarte Zwaan.”

Het riep bij mij de vraag op hoe zeldzaam een Black Swan nog is als alle belangrijke gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis er één zijn.  

Naast de zeldzaamheid riep ook de onvoorspelbaarheid als criterium bij mij vragen op. Dat je ze niet kan voorspellen is omdat Black Swans veroorzaakt worden door wat we niet weten, schrijft Taleb. Het is bovendien grotendeels toeval wat er gebeurt, zo gaat hij verder, en dat wordt nog eens verhuld ook door het triplet van opaciteit. Dat bestaat uit:

  • De illusie van kennis. Je weet veel minder dan je denkt. Zie ook ‘Misleid door toeval.’
  • De retrospectieve vertekening. Zeg maar hindsight bias.
  • De overwaardering van feitelijke informatie en mening van deskundigen. Dat is wat Taleb platoniciteit noemt: dat we denken veel meer te weten en begrijpen dan we daadwerkelijk doen.

Toen ik dit zo allemaal zat op te schrijven kwam de onvermijdelijke vraag op wat je eigenlijk met de Black Swan moet. Je kunt ze niet voorspellen, je kunt ze alleen maar achteraf verklaren en eigenlijk zijn ze ondanks Taleb’s definitie niet eens zeldzaam.

Je hebt er dus helemaal niets aan, aan die Black Swan. In ieder geval niet op macro niveau.

Maar je kunt er wel wat mee als crisismanager. Want tussen alle zijstappen en associaties door vertelt Taleb genoeg leuke anekdotes om van te leren. Je moet ze alleen wel even zelf op een rijtje zetten, want aan structuur doet Taleb niet. Dus dat heb ik maar gedaan, met diverse linkjes ook naar eerdere blogs met vergelijkbare onderwerpen.

Voor de crisismanager

Laten we er in deze paragraaf van uitgaan dat je een serieus professional bent die zijn risico- en crisismanagement volgens (inter)nationale maatstaven op orde hebt.

Dan is een Black Swan de falsificatie van dat beleid.

Niet dat Taleb het zelf zo definieert, maar dat was hoe ik de Black Swan operationaliseerde voor een organisatie. Je hypothese dat je het goed voor elkaar had wordt ontkracht. Dat is de Black Swan voor de crisismanager.

Wat heb je aan die wijsheid? Het belangrijkste punt is dat je beter zelf je systeem falsifieert dan dat je het door een Black Swan laat doen. Niet dat het je systeem immuun maakt voor een Black Swan. Dat is sowieso de grootste denkfout die je kan maken. Maar je maakt het wel lastiger. Al helemaal als het je lukt naar een adaptief systeem te groeien dat zich continu ontwikkelt en aanpast.

Dat doe je onder andere door te testen, testen en testen. Met oefeningen, Red Teaming, Zombie Attack scenario’s, alles wat de boel op z’n kop zet. Installeer een cultuur van chronic unease: waar zitten de gaten? Wat zag je over het hoofd? Wat weet je niet, waar zit je antikennis in de woorden van Taleb.

Daarnaast: stel jezelf open voor je omgeving. Volg wat er gebeurt, zoek de onderstroom, wees beducht op crisisindicatoren. Waar gaat het schuren? Besef dat Black Swans altijd met mensen en technologie te maken hebben en zoek op dat kruispunt naar risico’s.

En bricoleer. Verzamel bizarriteiten, onmogelijke gebeurtenissen. Lees literatuur (je weet wel, boeken met een fictief verhaal). Bouw je eigen Museum of Accidents. Want accidents reveal the substance, zei Paul Virilio, ook die van de Black Swan. En lees alle blogs van Rizoomes 😊

Tips van Taleb

De kern voor de crisismanager zit in de vorige paragraaf, maar Taleb vertelt nog veel meer. Ik heb daar een rijtje tips van gemaakt, rijp en groen door elkaar. Conversation pieces.

  • Black Swans hebben te maken met verwachtingspatronen. Je wordt verrast omdat je ze niet verwacht. Dat vraagt om onderzoek naar jouw verwachtingspatronen en verrassingen. Wat dit punt ook betekent: een Black Swan is niet voor iedereen hetzelfde. What normal is for the spider, is chaos for the fly.
  • Of zoals Cruyff dat zo mooi zegt: ervaring is datgene wat je mist als je het voor de eerste keer nodig hebt.
  • De kern van Black Swans is dat ze gebeuren omdat je het niet aan zag komen. Je kende het risico niet, de samenloop van gebeurtenissen niet, niks. Black Swans gaan daarom over anti-kennis, dat wat je niet weet. Vandaar ook de gedachtenexperimenten over de antibibliotheek en het antiboek.
  • Het heeft dus in ieder geval te maken met kennis. Taleb adviseert dus om zwarte zwanen te verzamelen en er zo gevoel bij te krijgen. Dat is precies de gedachte achter het Museum of Accidents. En ook de gedachte achter bricolage.
  • Een essentiële factor is niet zozeer de fout in de voorspelling zelf, maar dat men er niet bewust van is. Sowieso is het lastig om een onverwachte gebeurtenis te voorspellen en op grond van het idee achter alternatieve geschiedenissen en steekproefpaden kun je het altijd wel toevallig goed hebben. Wees dus beducht op achterafvoorspellers.
  • Zorgwekkender is dat we er niet altijd bewust van zijn. Voor crisismanagement is het dus van belang te weten wat je gaat doen als er iets gebeurt wat je niet verwacht. Situation Awareness is daarbij essentieel.
  • Daarbij hoort ook inzicht in de menselijke denkfouten, zoals die van Kahneman’s systeem 1 en systeem 2. En de foutgevoeligheid van snelle expertise in niet valide omgevingen. Vertrouw bij voorspellingen niet op je ervaring bij dingen die bewegen, zegt Taleb. Oftewel, in niet valide omgevingen is het onmogelijk te voorspellen.
  • Wie kun je wel vertrouwen? Experts in valide omgevingen, oftewel stilstaande domeinen waarin een stimulus altijd dezelfde respons geeft. Dan hebben we het over vakmanschap.
  • Maak bij ervaring verschil tussen het voorspellen van black swans en het managen van black swans. Voorspellingservaring is waardeloos, manage-ervaring is waardevol. Hoe meer mensen ervaring hebben, hoe meer tegenslag ze overleefd hebben.
  • Waar het gaat om voorspellingservaring moet je wel onderscheid maken tussen de fast burning crisis, het plotselinge incident, en de creeping disaster. Zie de incubatieperiode van Barry Turner. Creeping crises awareness vraagt om goede situation awareness.
  • Platoniciteit is dat we meer denken te begrijpen dan we daadwerkelijk doen. Platoniciteit is dat we ook denken dat we meer kunnen dan dat we doen. De platonische breuklijn tussen de werkelijkheid en jouw verwachtingen is de wieg van de zwarte zwaan, schrijft Taleb. Dat is wat ik Fundamental Surprise noem.
  • Mensen zijn geneigd naar bevestiging te zoeken van hun hypotheses. Maar je moet het omgekeerde doen: zoeken naar waar het faalt. Dat is precies waar Chronic Unease over gaat: een gevoel aankweken dat je zoekt naar fouten, niet naar bevestiging.
Taleb gaat uitgebreid in op wat hij Mediocrestan noemt en Extremistan. In Mediocrestan komen nauwelijks Black Swans voor, in Extremistan heel veel. Mediocrestan is wat past bij de natuurlijk geëvolueerde mens, Extremistan is complexiteit en counter intuïtief.
  • Verder worden mensen bedot door verhalen. Narratieve misleiding noemt Taleb dat. Wij hebben de neiging om met verhalen de wereld begrijpelijk te maken. In de wereld waar wij uitkomen, door Taleb Mediocristan genaamd, is dat ook logisch. Daar komen ook geen Black Swans voor, in ieder geval nauwelijks. Misschien af en toe een vulkaanuitbarsting of zo. Onze biologische bedrading, gevormd door eeuwen van natuurlijke selectie, heeft ons zo ingericht dat we hebben leren te overleven in Mediocristan. Dat is wel een valkuil voor Extremistan.
  • Want in Extremistan komen wel Black Swans voor. En ook steeds meer. Volgens Taleb zal het aantal Zwarte Zwanen toenemen. Dit punt lijkt een paradox. Als je Zwarte Zwanen niet kunt voorspellen, hoe weet je dan het er meer worden? Eigenlijk omdat we steeds meer in Extremistan leven. Maar het aantal zegt verder niets over de verschijningsvorm. Die blijft onvoorspelbaar.
  • Onze aandacht is gericht op afwijkingen, voor afwijkingen wordt je biologisch beloond. Maar niet alle afwijkingen zijn relevant. Hoe meer afwijkingen zich voordoen, hoe minder relevant ze per stuk worden. Er ontstaat steeds meer ruis en minder informatie. Dit is wat social media met ons doet: al die posts zijn een afwijking, alles wordt opgevangen, alles strijdt om aandacht, jouw aandacht. Maar eigenlijk is het ruis. Daardoor verlies je het zicht op het geheel. Dat is wat Extremistan met je doet.
  • Die afwijking obsessie is gebaseerd op onze intuïtie van de lineariteit, zorgvuldig geboetseerd in Mediocristan. Maar niet-lineaire processen, zoals exponentiële ontwikkeling en kwadratenregels, passen niet bij ons buikgevoel. Daardoor maken mensen steeds fouten in het beoordelen van creeping disasters en disruptions. Wat begint als een kleine afwijking, slaat op zeker moment om naar een onbeheersbaar proces.
  • Taleb noemt ter illustratie vier zwarte zwanen van een groot casino in Las Vegas:
    • een schadevergoeding van 100 miljoen omdat bij de tijgershow van Siegfried & Roy iemand ernstig verminkt raakte
    • Een grote schade door een aanslag van een aannemer die het niet eens was met een schadevergoeding die hij had gerkegen
    • Een grote boete omdat een medewerker verplichte formulieren aan de toezichthouder jaren lang verstopte in een doos onder zijn bureau
    • Een eigenaar die geld verdonkeremaande om het losgeld van zijn ontvoerde dochter mee te betalen
Seneca

De meest essentiële vraag die je aan jezelf moet stellen is: waar heb ik het mis? Waar laat ik me door mijn zelfverzekerdheid om de tuin leiden? Als ik heb geleerd dat alles een normaalverdeling is, hoe laat ik die gedachte dan los? Als ik heb geleerd dat je altijd de deur moet dicht houden bij brand, wanneer weet ik dan dat het soms beter is om het niet te doen? Hoe weet ik dat dit een uitzondering is die de regel niet bevestigt?

Het zijn vragen die thuis horen bij prohairesis, de kunst van het je voorbereiden op jezelf. Ik voeg hem daarom toe als de twaalfde vraag aan het blog alle crises ben je zelf.

Deze link met de Stoa is denk ik geen toeval. Feitelijk is het hele boek De Black Swan een vorm van prohairesis. Je wordt tijdens het lezen continu met jezelf geconfronteerd. Ik sluit dan ook graag af met de woorden van Seneca, zoals door Taleb opgetekend. Want Seneca ondertekende al zijn brieven met ‘vale’. Vale wordt vaak vertaald met gegroet, of tot ziens. Maar dat is niet terecht, zegt Taleb. Volgens hem betekent het wees waardig, wees sterk. Ik zeg dan ook: vale!


Dit is de tweede bespreking over de Incertoreeks. Taleb’s Toeval was de eerste. Eerdere blogs over Taleb’s gedachtengoed zijn het Antiboek van Yevgeni Krasnova, de Antibibliotheek, De strategie van de Hydra en Vulkaanuitbarstingen.

« Oudere berichten

© 2022 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑