Wanderings

Tag: Boek

‘Brand in Amsterdam’ van Schaap op de weegschaal

Leestijd: 6 minuten

Leen Schaap was drie jaar commandant van brandweer Amsterdam. Over die tijd schreef hij een niet onomstreden boek, dat in dit gastblog van Gerard Bouwmeester wordt gewogen. Gerard is bevelvoerder bij Post Zuilen in Utrecht, redacteur bij Brand & Brandweer en vanaf 1 oktober 2021 directeur bedrijfsvoering bij brandweer Haaglanden.

‘Is het bij jullie net zo?’

Iedere brandweercollega heeft de laatste jaren wel eens die ene vraag gekregen: gebeurt dat bij jou in het korps ook, wat die Amsterdammer allemaal zegt over zijn korps?

Want er was een tijd dat mijn Utrechtse collega Cor de bekendste brandweerman van Nederland was, maar sinds een paar jaar trekt een politieagent de meeste aandacht als brandweerman: de Amsterdamse politiecommissaris-brandweercommandant Leen Schaap verscheen in talrijke media om zijn mening over zijn organisatie, vooral over zijn medewerkers, te delen met wie het horen wilde.

Begin 2021 publiceerde Schaap een boek waarin hij terugkijkt op zijn korte, intense periode bij de Amsterdamse brandweer (2016-2019). Ik wilde het in de zomervakantie eens lezen, maar de adviezen dat niet te doen, waren zo talrijk, dat ik het maar vóór mijn vakantie alvast gelezen heb (of bedoelden jullie dat niet?).

Brand in Amsterdam

Het is een dun boekje: achttien korte hoofdstukken (en wat paratekst) verdeeld over 179 pagina’s. Vrij grote letters, veel wit. Ik las het in een avond en een ochtend uit. Het heeft een simpele opbouw: een openingshoofdstuk waarin Schaap discrepanties constateert tussen actualiteit en de moral high ground die ambtenarij zou moeten zijn, een hoofddeel waarin hij autobiografisch en losjes thematisch en chronologisch zijn tijd bij brandweer Amsterdam beschrijft en daarna een auctoriaal hoofdstukje met leiderschapslessen.

Bernhard bezoekt Brandweer Amsterdam aan de Achtergracht. Foto ANP

De cover vind ik fraai vormgegeven, de achterkant een stuk minder (waarover hieronder meer). Al voor het lezen van de inhoud is duidelijk hoe Schaap in de wedstrijd zit. De ondertitel van de mogelijk nog neutraal te lezen titel ‘Brand in Amsterdam’ is ‘hoe een verziekte overheidscultuur kan blijven bestaan’. De header op de achterflap leest ‘een onthullend inkijkje in een gesloten cultuur’.

De inhoud van het hoofddeel van het boek laat zich dan ook raden. Schaap schudt een serie anekdotes uit zijn mouw, die duidelijk maken dat de organisatie die hij in 2016 binnenstapte niet voldeed aan wat hij een gezonde organisatie vindt. Zijn verbazing en afkeer spelen een rode draad in het boek: over wat hij aantreft, hoe hij behandeld wordt door de organisatie, hoe brandweermensen elkaar behandelen, en ten slotte hoe hij behandeld wordt door de nieuwe burgemeester en in 2019 weer vertrekt.

Anekdotiek, maar analyse?

Wat nu te denken van dit boek? Allereerst, de anekdotes die Schaap opsomt, zijn niet fraai. Iedere onveilige werkomgeving is er een teveel, en hier lijkt daar zeker sprake van. Racisme en seksisme hebben geen plaats op de werkplek (waar wel?) en moeten bestreden worden. De vraag is natuurlijk hoe je dat doet.

En daar knaagt het in dit boek. Schaap extrapoleert zonder dat te thematiseren van zijn eigen observaties naar patronen en vandaar door naar organisatiecultuur. Door in het openingshoofdstuk actuele misstanden die zich wereldwijd in overheidsdiensten voordoen op te sommen en die opsomming te relateren aan zijn geëxtrapoleerde observaties pretendeert Schaap (en zijn uitgever op de achterflap) in dit boek zelfs tot analyses en ‘bredere verbanden’ te komen.

Maar die pretentie kan dit boek niet waarmaken. Het is evenzeer te simpel om te zeggen dat de verbanden niet kloppen, maar voor de stelling dat ze wel kloppen is de anekdotiek te karig (het zijn toch wel heel veel dezelfde ervaringen die in het boek en de interviews steeds weer echoën), de extrapolatie te simplistisch en de analyse te impressionistisch.

Paradoxaal genoeg krijgen de anekdotes zelf, doordat ze de analyse niet kunnen dragen, minder gewicht – ze zijn te vrijblijvend, verbanden te impressionistisch geschetst. Daardoor draagt de analyse niets bij aan het verbeteren van de onveilig gebleken situatie. Pijnlijk.

Gnothi seauton

Een tweede punt wat mij opviel, is het stuitende gebrek aan zelfreflectie door Schaap. Dat wreekt zich op verschillende plekken en manieren. Ik noem er drie.

In zijn onbeschaamde en fundamentele onbegrip van de brandweer bijvoorbeeld – zijn framing van brandweervrijwilligers als een ‘veelal sympathieke’ groep collega’s, ‘goedgetraind’, waar ‘de rest van Nederland het nog mee doet’ klinkt aardig natuurlijk, maar is toch vooral een haast Ruttiaanse omhelzing: iets of iemand zozeer complimenteren dat het zicht op de werkelijke (w)aard(e) verdwijnt.

De impact van de brand bij Marbon op de organisatiecultuur is zwaar onderschat.

Voorts in de categorie ‘niet begrijpen dat je de brandweer niet begrijpt’:

1. preventie als enig ander voorbeeld van bredere inzetbaarheid van beroepsbrandweerpersoneel (als je die bredere inzetbaarheid zo cruciaal en/of vanzelfsprekend vindt, is één voorbeeld te karig),

2. het benoemen van politiecollega Welten als projectleider (ik heb me eerder in Brand&Brandweer kritisch uitgelaten over talent- en managementontwikkeling bij de brandweer, maar desondanks: het is volstrekt ondenkbaar dat er in de héle landelijke brandweerorganisatie, incl. die ‘sympathieke vrijwilligers’, niemand te vinden was die dit toch overzichtelijke project aankon – maar je moet het wel willen, en er een relevant netwerk voor hebben), en

3. de respectloze omgang met het brandweeruniform op de foto op het achterflap – met het jasje over de arm en stropdasloos wil de uitgeblust kijkende Schaap misschien uitstralen dat hij uitgevochten is, maar enige respect voor het uniform waar hij eerder veelvuldig in aantrad in televisiestudio’s had hem gesierd.

Een tweede voorbeeld van gebrek aan zelfreflectie is dat Schaap zijn eigen introversie steeds uitlegt als persoonlijke kwaliteit. Ik heb helemaal niets tegens introverte mensen (wie mij kent…), maar waarom deze kunstgreep?

Doorlopend voert Schaap gesprekken waarin hij niet zegt wat hij denkt. Wel keken hij en zijn gesprekspartner ‘elkaar zwijgend aan’, ‘voelde [hij] de adem van [zijn gesprekspartner]’, enzovoorts, waarna hij ‘[zich] later bedacht’, ‘[zich] achteraf realiseerde’ of nadien iets ‘hoorde in het netwerk’.

Foto: Wiel van der Randen (ANP 1931)

Dat kan natuurlijk gebeuren, maar waar komt dan de behoefte vandaan om die secundaire reacties in dit boek te presenteren als grootse gesprekstechniek of dito inzichten, terwijl de grootsheid ervan betrekkelijk is èn te laat kwam om daadwerkelijk impact te hebben?

Ik plaats geen kanttekening bij introversie an sich, maar begrijp niet waarom die (en de consequenties ervan) in dit boek zo eenzijdig geframed worden. Waarom ook hier niet even kritisch in de spiegel gekeken, en bij minstens een van die momenten gesteld: ‘als ik me daar eerder had gerealiseerd en/of eerder had durven zeggen dat …, dán was deze klus me misschien wel gelukt’?

De hand overspeeld

Het meest schrijnende gebrek aan reflectie bewaart het boek voor het laatst. Na de te gratuite inleiding en het iets te impressionistische hoofddeel volgt een docerend slothoofdstuk waarin Schaap enkele leiderschapslessen deelt.

Daar staan op zich interessante dingen in, maar de lezer – deze lezer in ieder geval – vraagt zich na het lezen van Brand in Amsterdam alleen wel af waarom Schaap dit in vredesnaam denkt te moeten doen. Hij heeft blijkens dit boek geen andere opleiding dan de (met tegenzin aangevangen) politieschool, en heeft slechts twee werkgevers gehad, waarvan bij één ieder duurzaam verandervoornemen strandde, waarop geen enkele zichtbare persoonlijke reflectie volgt, maar slechts herhaling van zijn leiderschapsprincipes, die, zo weet de lezer inmiddels, dat stranden niet hebben kunnen voorkomen.

Welke autoriteit, welke skin in the game heeft Schaap voor zijn lessen? In dit slotstuk, op pagina 173, waarschuwt Schaap de lezer: overspeel je hand niet. Dit moet in deze context toch ironisch bedoeld zijn? Want dat is volgens mij precies wat Schaap deed. Als buitenstaander bezien heeft het er alle schijn van dat hij als brandweercommandant zijn hand overspeelde door te weinig steun voor zijn veranderingen te organiseren, waardoor daadwerkelijke verandering niet van de grond kwam. Als lezer is het zeker te constateren dat Schaap als auteur zijn hand overspeelde met een onevenwichtige samenbrenging van anekdotes en context.

Gemiste kans

Schaaps ervaringen, in interviews en dit boek opgesomd, laten zien dat er dingen niet goed gaan bij de hoofdstedelijke brandweer. Maar het boek substantiveert niet hoe groot of klein het probleem echt is, of sterker nog: wát het probleem echt is. En dus draagt het boek niet bij aan het oplossen ervan. Brand in Amsterdam is een gemiste kans.

Twintig keer de beste beginzin

Leestijd: 7 minuten

Hoe ziet de beste beginzin er uit? Met die gedachte begon ik in 2020 dagelijks een beginzin uit mijn boekenkast te posten. En toen ik ze allemaal op een rijtje had staan moest ik de beste er uit halen. Dat viel echter nog helemaal niet mee.

‘Call me Ishmael’. Dat is volgens de American Book Review de beste beginzin aller tijden. En ik vind hem ook erg goed; lekker kort, heel krachtig en je bent gelijk voorgesteld aan een belangrijk personage. Zo’n beste beginzin als die van Herman Melville legt de lat hoog voor andere schrijvers. Die willen er ook zo één.

Dus is er een hele cultus ontstaan over de wetenschap van de beginzin. Je mag niet beginnen met ‘ik’ of het weer. Hij moet kort zijn. Je begint met een personage plus een gevoel, een plaats, een tijd en/of karakteristiek. Beloof iets. Flirt met spreektaal. Zorg dat er wat op het spel staat. En schrijf beeldend. Er zijn kortom meer regels dan je in één beginzin kwijt kunt.

De vraag is natuurlijk hoe belangrijk zo’n goede beginzin echt is. Ik bedoel maar, hoeveel beginzinnen ken je uit je hoofd? Noem er eens een paar op. Ja, dan kom je vanzelf op ‘Call me Ishmael’: dat zijn slechts drie woorden, die onthoudt iedereen wel. Ken je echter ook de twee volgende zinnen van Moby Dick? Hier komen ze:

Call me Ishmael. Some years ago—never mind how long precisely—having little or no money in my purse, and nothing particular to interest me on shore, I thought I would sail about a little and see the watery part of the world. It is a way I have of driving off the spleen and regulating the circulation.

En dan gebeurt er wat mij betreft opeens iets geks met die beste beginzin. Er zit namelijk een breuk tussen met het vervolg. ‘Call me Ishmael’ is een three word story op zichzelf. Daarna begint het grote verhaal pas echt. Moby Dick was naar mijn bescheiden mening dus net zo’n klassieker geworden als ie was begonnen met ‘Some years ago—never mind how long precisely—having little or no money in my purse, and nothing particular to interest me on shore, I thought I would sail about a little and see the watery part of the world.’

Ultra Kort Verhaal

Omdat ik zelf ook altijd loop te hannessen met de beginzin leek het mij in 2020 een prima plan om gedurende een jaar dagelijks een beginzin uit mijn boekenkast te posten. Een mooie aanleiding om er elke dag eentje te bestuderen en af te kijken hoe je nou die beste beginzin schrijft. Het resultaat van die verzameling vind je hier terug in de Galerij der Beginzinnen.

Wat uiteindelijk de beste beginzin van die 365 exemplaren is, vond ik lastig vast te stellen. Toen ik ze allemaal zat door te lezen om er een longlist en daarna een shortlist van te maken, viel me op dat het niet zozeer de eerste zin zelf is die bepalend is voor de kwaliteit, maar het setje van de eerste paar regels in zijn geheel.

Hoe meer die eerste paar regels een ultra kort verhaaltje (UKV) op zichzelf vormden, hoe beter ik ze vond. Omdat er een vraag werd geponeerd, of een dilemma, een raadsel. Omdat ik ze grappig vond, ontroerend soms. Of gewoon omdat het mooie zinnen waren die een overdenking, een mijmering bij me teweeg brachten.

Wat me verder opviel: het lukte me niet om zonder spijtgevoelens de longlist in te korten tot een shortlist, noch kon ik er één als de beste beginzin aanwijzen, zoals ik vooraf had bedacht. Maar da’s dan weer het mooie van je eigen website volschrijven, dat je gewoon de regels aanpast tijdens het spel. Niemand die klaagt.

Twintig keer de beste beginzin

Uiteindelijk zijn dit de twintig beste beginzinnen geworden, in willekeurige volgorde. Die van Moby Dick zit er trouwens niet bij. Niet omdat ik hem niet mooi vond, maar het boek staat niet in mijn kast.

De ene dag is er leven. Een man bijvoorbeeld, in goede gezondheid, niet eens zo oud, zonder ziektegeschiedenis. Alles is zoals het was, zoals het altijd zal zijn.

Een van de dingen die je meemaakt als je ouder wordt, is dat je een heleboel nieuwe manieren vindt om je te bezeren.

Geachte mevrouw Davis, Wij hebben elkaar nimmer ontmoet en die situatie moeten we vooral handhaven. Er is al ellende genoeg in de wereld.

Beste Kees, Er is een moment. Momenten zijn er altijd. We vullen ons leven ermee. Elk moment is anders. Op een bepaald moment doen we iets. Kiezen wij dat moment of kiest het moment ons?

Hou het stevig vast, zegt mijn vader. Met beide handen. Ik omklem het stokje. Vader loopt langzaam achterwaarts, de haspel met vliegertouw afwindend. Bij elke stap voel ik een klein rukje. Ik zet me schrap.

We stonden tegenover elkaar, mijn moeder en ik. Zij aan de ene kant van de kist, ik aan de andere. We rukten aan de hengsels. Zij droeg sloffen, ik schoenen. Ze gleed weg en ik zette haar klem. Gewonnen.

He was an old man who fished alone in a skiff in the Gulf Stream and he had gone eighty-four days now without taking a fish. In the first forty days a boy had been with him.

Die zondagmorgen liep Van Kempen de bijkeuken in om zijn klompen aan te doen en een kijkje op de dijk te gaan nemen. Maar toen zag hij daar een geweldige kat liggen. Dat is eigenaardig, zei hij bij zichzelf, die was er gisteren nog niet.

Het gebeurde in februari 1969 in Cambridge, ten noorden van Boston. Ik heb het niet onmiddellijk opgeschreven omdat ik eerst van plan was het te vergeten, om niet gek te worden.

Hoe meet je de zwaarte van een klap die nooit kwam, zoek je de fiets waar niets mee is, die er nog staat? De brand in een leegstaand schoolgebouw, nooit uitgebroken, laat geen sporen na.

In een plaatsje in La Mancha, waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten, leefde niet lang geleden zo’n edelman met een lans in zijn wapenrek, een antiek leren schild, een magere knol en een hazewind.

Was het hem? Was het hem niet? Vanmorgen, op dat stampvolle perron 12b van Amsterdam-Centraal had ik even dat sterke gevoel dat ik Stan van Leer zag.

De dag waarna in het leven van Raimund Gregorius niets meer zou zijn als ervoor, begon als talloze andere dagen

In juni 1885 arriveerden er drie Fransen in Londen. De ene was een prins, de andere een graaf en de derde een gewone burger met een Italiaanse achternaam. De graaf omschreef het doel van hun bezoek later als intellectueel en decoratief winkelen.

1986. Het was aan het begin van mijn reis naar Santiago dat Borges stierf. Dat was vreemd, want je had het vreemde idee dat hij nooit kon sterven, of dat hij al lang dood was, dat kon ook.

Ooit bezat ik het volmaakte ei. Het was ongeveer zo groot als dat van een merel en had als bijzondere eigenschap dat het leeg was – niets dan een schaal rondom eivormige lucht.

De bomen buigen. Het zijn langwerpige bladervrachten die wapperen zoals de wind het aangeeft. De wolken zeilen eroverheen, genoeg verlangens op zo’n dag, maar als je het beleeft weet je er geen raad mee.

Rechts van me staat een vlekkerig grenen boekenkastje. Het bevat onder meer mijn jeugd.

Ze stapten uit bij het eindpunt, en toen ze bij de straathoek kwam, zag ze tot haar verbazing dat ze in de straat was waar ze woonde, op een paar passen van haar huis. Ze bleef staan.

Er zit een geheim in alles wat je ziet en zelfs als je dat geheim oplost blijft er het geheim van je vermogen om het te zien en op te lossen.

De beginzin

Leestijd: 67 minuten

De beginzin. Geen zin zo beladen als de eerste of de openingszin. Die moet je het verhaal in trekken, je aandacht vastketenen aan het boek. Het is de ultieme kennismaking en er is geen tweede kans voor de eerste indruk.

Dat was een goede reden voor Rizoomes Leest om in 2020 een nieuwe rubriek uit eigen boekenkast te starten: de beginzin. Met soms nog een tweede zin erbij, als ie de eerste beter maakt en er ruimte is in het stramien van 280 tekens. Want ze kwamen namelijk ook allemaal voorbij op Twitter. Daarom vind je ze hieronder geordend naar maand, en niet op alfabet.

Als je trouwens de foto van het boek beter wilt zien, klik dan met je rechter muisknip op ‘afbeelding bekijken’. Dan wordt ie groter. Je komt weer terug in de galerij door in de adresbalk op het pijltje naar links te klikken, ‘pagina terug gaan.’

Thema’s

Ik ben in januari vrolijk begonnen om ad random door mijn boekenkast te gaan en willekeurige beginzinnen te noteren. Hoewel de eerste vier ook weer niet helemaal toevallig waren. Ik wilde natuurlijk leuk beginnen en omdat ik als psycholoog weet van het primacy effect, moesten die eerste paar wel goed zijn.

Vanaf Dijkshoorn’s boek ‘Ooit gelukkig’ is het echter lange tijd wel puur toevallig geweest welke beginzin ik uitkoos. Tot ik me bedacht dat het misschien ook wel leuk was om soms een thema toe te passen. En ook die zijn geheel toevallig tot stand gekomen:

  • De dikke wandelweek is het eerste thema, gestart op 1 juni
  • De tweede week van augustus staat in het teken van het beeldverhaal, de strip
  • Eind augustus is er de essay driedaagse
  • De Nooteboomweek is midden september, ter ere van de uitreiking van de Premio Formentor De Las Letras op 17 september 2020
  • Eind september is de week van het gesneuvelde boek; niet alles wat je koopt is bij nader inzien het bewaren waard
  • Half oktober: de Wieringa-week
  • Ook in oktober: driedaagses van Gerrit Krol, Geert Mak en K. Schippers
  • In november zijn de laatste twee specials: weekje Snijders en weekje Pessoa

Aan het eind van het jaar heb ik alle beginzinnen op een rijtje gezet en heb ik er de beste twintig uit gehaald. Hoe dat ging en welke het zijn lees je in dit blog: Twintig keer de beste beginzin.

Ook leuk: website de boekzin. Elke dag een zin uit een boek.

Januari 2020

Februari 2020

Tussen de vlakte van het Lammermoer en het slot Bommelstein bevindt zich het land der Zwarte Bergen, een gebied dat in kwade reuk staat. In de diepe kloven en ravijnen huist woest roversvolk, de spelonken worden bevolkt door allerlei levensvormen. die nu niet ter zake doen, en de bergtoppen worden bekroond door bouwsels, die als verblijfplaats voor onzalige gedrochten dienen.

There are these two young fish swimming along and they happen to meet an older fish swimming the other way, who nods at them and says: Morning boys. How’s the water?

And the two young fish swim on for a bit and then eventually one of them looks over at the other and goes, What the hell is water?

Maart

Dear Sirs,
How are you and How is the weather?
Thank you very much
-for sending me some informations
-the other day.
Please give my best regards –
to all members.
Yours faithfully
mr. Kaor
Nederland
#beginzin van de dagelijkse brief van Mr. Kaor Yamamoto, ontroerend mooi verhaal

April

Wat zegt u daarvan?

Een mens hoort er van op:

Opgehouden met roken, ben ik, acht en dertig jaar oud,

Begonnen gedichten te schrijven.

Zuipen en de rest net als vroeger.

Mei

In de zomer van 2008 wordt in Trouw Louis Tas geinterviewd. Over zijn ouders zegt de dan achtentachtigjarige psychiater: Weet je wat het is? Ik weet dat het onredelijk is, maar ik betrap mezelf op de gedachte dat het zo langzamerhand te lang begint te duren: ze mogen nu eindelijk wel weer eens terugkomen.”

Herkenbare #beginzin speciaal voor moederdag

Juni

De eerste week van juni is de dikke wandelweek: negen boeken over lopen

Juli

Augustus

De tweede week van augustus 2020 staat in het teken van het beeldverhaal

September

De week van het gesneuvelde boek; zes keer weg ermee, bij nader inzien

Oktober

November

December

Het gaat goed met Wim, maar zijn been moet eraf, sprak orthopedisch chirurg Rietveld, ongeveer twee jaar voor Wim Aaij zou sterven, in de maand mei van het jaar 1968. Ik was toen drieëntwintig, hij twee jaar jonger.

Een kleine karavaan is stil
en grijs aan mij voorbij gegaan

De ezel droeg een last zo voorzichtig
alsof het niet zwaar
maar zeer breekbaar was

Toen zij over de pas
het landschap binnen gingen
begon het vrouwtje schor te zingen

Zij hebben samen het meer gezocht
de hinden en de bloemen.
Kort was onze nutteloze tocht
die eindde in verdoemen.

Wij wachtten blij op elk nieuw vuur
vol zon en helle zangen.
Nu zijn de dagen weer lauw en zuur
zonder het oude verlangen.

men

men kan

men kan geen

men kan geen woord

men kan geen woord zeggen

men kan geen woord

men kan geen

men kan niet

men kan

men

niet zeggen

en

ook

ik niet

‘Er zit een geheim in alles wat je ziet en zelfs als je dat geheim oplost blijft er het geheim van je vermogen om het te zien en op te lossen.’ Leo Vroman

© 2021 Rizoomes

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑