Leestijd: 3 minuten

In The New England Journal of Medicine (http://www.nejm.org/) van maart 2007 is een artikel gepubliceerd over dodelijke hartaanvallen onder Amerikaans brandweerpersoneel tijdens de dienst. De onderzoekers bekeken alle gerapporteerde dodelijke slachtoffers uit het tijdvak 1994 – 2004. Dat waren er maar liefst 1144, waarvan er 449 stierven aan een hartaanval. De omvang van de onderzoeksgroep is zodanig dat de resultaten statistisch gezien valide genoemd kunnen worden. Ik vind het onderzoek daarom ook interessant voor de Nederlandse brandweer, al kun je niet alle bevindingen één op één vertalen naar onze situatie.

De onderzoekers waren vooral benieuwd naar welke brandweertaken de grootste kans op een hartaanval geven. Daartoe maakten ze een onderscheid in zes hoofdtaken: brandbestrijding, opkomst naar incident, terugkomst van incident, oefening en sport, andere uitrukken dan brand en overige werkzaamheden. Om een goede kansberekening te maken werd vervolgens de blootstellingstijd aan de verschillende taken vastgesteld. De onderzoekers maakten daarbij onderscheid naar vrijwillige plattelandskorpsen en de beroepsbrandweer uit de grote steden.

Daar komt voor mij de eerste verrassing naar voren: de tijd die daadwerkelijk aan brandbestrijding wordt besteed varieert van slechts 1% tot maximaal 5% van de totale diensttijd. De onderzoekers nemen uiteindelijk 2% als gewogen gemiddelde. Als de kans op een hartaanval gelijk verdeeld zou zijn over alle taken, betekent het dus dat er bij brandbestrijding ongeveer 10 brandweermensen zouden overlijden. Maar de praktijk is heel anders: er stierven 144 man tijdens brandbestrijding aan een hartaanval. Dat is 32% van het totaal van 449. Het totale rijtje ziet er als volgt uit, waarbij uitgegaan is van gemiddelden en er is afgerond:

Slachtoffers aan een hartaanval per taak (N=449)
Taak Aantal Percentage Tijdsbesteding Verwachtte doden
Brandbestrijding 144 32,1% 2% 10
Opkomst incident 60 13,4% 6% 27
Terugkomst incident 78 17,4% 10% 45
Oefening en sport 56 12,5% 8% 36
Andere uitrukken 42 9,4% 23% 103
Overige werkzaamheden 69 15,4% 51% 230

In het onderzoek komen een aantal interessante andere conclusies naar voren. Die heb ik hier en daar aangevuld met wat eigen observaties.

  • De verdeling van de slachtoffers bij brandbestrijding over een dag volgt de verdeling van branden: van 12 uur ‘s middags tot middernacht. Dat wijkt af van de verdeling van hartaanvallen bij burgers: die doen zich vooral voor van 6 uur ’s morgens tot noen. De meeste slachtoffers vallen in de winter. Dat volgt wel het landelijk patroon.
  • Er is geen significant verschil voor het optreden van hartaanvallen bij beroeps en vrijwilligers. Wel is er een leeftijdsverschil: Boven de 50 neemt de kans op een hartaanval zienderogen toe.
  • De slechte lichamelijke conditie van de Amerikanen is een belangrijke oorzaak van hartaanvallen. Zo’n 70% van de korpsen beschikt niet over keuringen of sportprogramma’s. Een groot deel van de brandweermannen is te zwaar en beweegt te weinig. De piekbelasting van brandbestrijding wordt hen dan fataal. De onderzoekers concluderen dat voorlichting over eetgewoonten en beweegpatronen een belangrijke preventieve werking kan hebben. Ik zou daar aan willen toevoegen dat een regelmatige medische keuring ook preventief werkt, zeker als er gelet wordt op zaken als cholesterol en diabetes.
  • Er zijn geen cijfers beschikbaar van hartaanvallen buiten diensttijd. Het zou interessant zijn om te weten of brandweermensen sowieso een grotere kans op hartfalen hebben, dus niet alleen in diensttijd.
  • Er zijn aanwijzingen dat blootstelling aan rook een belangrijke rol speelt bij de kans op een hartaanval. Brandweermensen die zelf niet roken bleken soms toch een “rokershart” te hebben. Dat vraagt om arbeidshygiënische maatregelen:
    • draag zo lang mogelijk adembescherming, ook in nablussituaties en bij slopen;
    • werk zo veel mogelijk bovenwinds, vergeet daarbij ook de positie van de pompbediener niet;
    • was de kleding regelmatig, probeer blootstelling aan roet zo veel mogelijk te voorkomen;
    • monitor de roetbelasting in kazernes, neem het bijvoorbeeld mee in de RIE.

Zoals gezegd zijn deze resultaten uit Amerika niet volledig representatief voor Nederland. Desondanks geeft het onderzoek aanleiding om in Nederland ook eens wat data te gaan bijhouden. Dat zou wel eens hart nodig kunnen zijn.