Leestijd: 3 minuten
brandweermonument_334
Het Brandweermonument

Je kunt er alleen maar komen als je niet van plan was er heen te gaan. Al vele malen liep je die route, reed je die weg, rukte je er uit, maar nimmer was het bord je opgevallen: Brandweerveld van Eer. Het is afslag noch oprit, deur noch luik, trap op noch trap af. Het is zowel Oost als West, Zuid en Noord. Het is opeens daar, voor je, dichterbij dan je dacht. En je volgt het bord, gaat er heen, als vanzelf. Alsof er geen andere richting meer bestaat.

“Bij aankomst in iedere nieuwe stad vindt de reiziger iets van zijn verleden terug waarvan hij niet meer wist dat hij het had: de vreemdheid van dat wat je niet meer bent of wat je niet meer bezit, wacht op je op het moment dat je vreemde en niet eerder bezochte plaatsen betreedt”, zo schrijft Italo Calvino in de ‘Onzichtbare Steden’.

Het Brandweerveld van Eer is dan weliswaar geen stad, het is toch een plaats die je slechts bezoekt als reiziger. Je bent er nooit geweest, maar kan er niet meer weg. Dat wat zich aandient als nieuw, is slechts vergeten. Alles wat is, blijkt slechts dat wat was.

Er wordt gezegd dat, zodra je de borden richting het Veld volgt, de omgeving langzaam verdwijnt en er alleen nog de weg is. De oprijlaan van het Veld. Geluiden vallen weg, licht wordt donker en donker licht. Tot slechts lange schaduwen resten die de indruk wekken van een eeuwige zonsondergang.

Aan weerszijden van de laan staan hoge platanen. Zij aan zij in de houding, als een erehaag. Met hier en daar een flard mist ertussen. Het is onbekend hoeveel meters de oprijlaan naar het Brandweerveld van Eer telt. Maar zodra die vraag zich aandient, doemt plots de enorme poort op die toegang geeft tot het Veld.

Het is aan deze kant van de poort dat de deur altijd open staat; Aan de andere kant valt de deur voor altijd in het slot. Overigens zonder dat je het merkt: de poort sluit zonder geluid. Pas dan valt ook op hoe stil het er is. Je hoort slechts het ruisen van de platanen, in de verte soms een stem, soms meerdere.

Ook de grote klok tegenover de poort staat stil. De wijzers staan op vijf over twaalf. Het is er voor altijd net te laat.

Achter de klok begint de grote muur van gedachtenis. Voor zover het oog reikt ontnemen de stenen je het zicht op het achterland. Alles is muur, links, rechts, voor. Elke richting die je gaat, glooit de muur langs je op, met je mee. Tot je ziet dat het jouw muur van gedachtenis is, niet dé muur.

Er is minimaal één naam in gebeiteld, die van jezelf. Wellicht zijn het er meer, wist je van andere reizigers die ooit gingen. Het is echter jouw naam die als laatste werd gehouwen. Voor altijd, bij iedereen, ben je de eigen laatste herinnering. Slechts in dat besef wijst de muur je de ingang van het Veld van Eer.

Het Brandweerveld zelf bestaat uit een netwerk van paden en lanen, afgewisseld met bruggetjes en riviertjes, kanalen soms. Je hebt de keuze over land te gaan of met een boot, of allebei. Je kunt hoog en je kunt laag, op en over, tussendoor. Maar nooit is de kortste weg tussen twee punten een rechte lijn.

Geen dag hoeft men over hetzelfde pad, wordt de reiziger eeuwige verveling bespaard. Steeds weer ontdek je oude paden, van voorbije tijden. Geen herinnering blijft ongedacht, geen uitspraak ongezegd. Er is geen begin en geen eind, het zijn de duizend plateaus van het rizoom, dat je van alle kanten in kunt maar nergens kunt verlaten. Zo blijft de ontdekking van je verleden tot in het oneindige een avontuur.

Het is ondanks deze tijdloosheid dat Sint Florian telkenmale verschijnt op 4 mei, zijn geboortedag. Zwijgend gaat de beschermheilige van de brandweerlieden je voor, wijzend naar een plaats in de verte waar niemand kan komen.

Waar het Brandweerveld van Eer en het Brandweermonument elkaar heel even naderen zonder te raken.

Waar voor enkele minuten de doden de levenden herdenken en de levenden de doden. Waar in de muur van gedachtenis gisteren de laatste naam is gebeiteld, voor altijd de laatste.

Waar verleden en toekomst korte tijd samensmelten bij wijze van waarschuwing.

Op het Monument staat daarom achter de poort, maar nog voor de muur van gedachtenis, een grote klok. De wijzers staan symbolisch op vijf voor twaalf: het is er voor altijd nog net op tijd.