Het horloge van Bert

Ed Oomes, 11 december 2016

De foto komt uit het onderzoek van brandweer Amsterdam

Van 17 april 1995 heb ik nagenoeg geen herinnering , noch van 18 april en het grootste deel van de 19e. Het eerste wat van die datum daagt is de overwinning van Ajax in de Europacup en mijn alarmpieper die af ging, rond half elf in de avond. De Alarmcentrale vertelde me dat al meer dan een uur drie brandweermensen uit mijn sectie vermist waren. Kwijt bij brand, na instorting van een lompenloods in Amsterdam Noord. Sinds vier maanden was ik er sectiechef en ik had er in die korte tijd al veel mee gemaakt, maar hier had ik nooit rekening mee gehouden. Ik voelde mijn hart bonzen.

Soms gaat de werkelijkheid zo hard dat je hem niet bij kunt houden. Dan zou je willen dat je de tijd terug kon draaien om het nog een keer over te doen, en dan goed. Of beter nog, dat het helemaal niet gebeurd was. In plaats daarvan moeten we het doen met een imperfect geheugen, dat uit zichzelf het verleden voor je reconstrueert en de rest vergeet. Het is een vriend vol met leugentjes om jouw bestwil. Alles wat ik hier schrijf is waar, al weet ik niet zeker of het echt zo gegaan is.

Drie man vermist, ik wist niet eens wie, alleen waar. Erheen dus, en snel. Wat moest ik aantrekken? Waar lag mijn stratenboekje? Uniform, ik moest mijn uniform hebben. Waar waren mijn schoenen? En mijn autosleutels? Als je het hard nodig hebt, kan je opeens niets meer vinden. Buiten was het donker, zwaar bewolkt. Donkerder dan anders. En koud. In de auto ging het gas er vol op. Snel zat ik op de afslag, grote bocht rechts en naar de rotonde van de Meeuwenlaan. Daar stond een afzetting van de politie, ik mocht door toen ze mijn uniform herkenden.

Er viel een druilerige regen toen ik richting de Motorkade liep, richting de brandweerauto’s die met dreunende diesels water en licht draaiden. Het geluid kende ik goed van al die andere branden, maar nooit eerder klonk het onheilspellend. Zelfs de geur van de brand leek anders. Ik keek om me heen, zocht een punt, een aanwijzing waar ik heen moest. Vanuit het niets stond daar opeens de Officier van Dienst. Hij begon een uitgebreide situatieschets alsof het een evaluatie van een oefening was. Midden in zijn verhaal viel ik hem in de rede.

“Heb jij de rest gezien,” vroeg ik.
“De rest?”
“Ja, de rest, de anderen, die we niet kwijt zijn.”
“Oh, die.” Hij wees in de richting van het pleintje, naar een groepje mannen dat er verslagen bij stond.
“Daar,” zei hij. “We hebben ze er af gehaald, het was niet langer verantwoord zo.”

Ik keek hem aan en liep daarna richting de vijf mannen, mijn vijf mannen van kazerne IJsbrand. Ze stonden dicht bij elkaar, de helmen en uitrusting op de grond. Hun schouders hingen een beetje of dacht ik dat maar? Sommigen keken in de verte, anderen juist naar de grond. Mijn schoenen voelden vol lood toen ik op ze af liep. Wat moest ik tegen ze zeggen? Wat zeg je tegen collega’s waar je pas sinds kort mee werkt, waarvan je sommigen nog niet eens gesproken hebt en die hun kameraden kwijt zijn? Toen ik vlak bij was keken ze op, een blik van herkenning met een flauwe glimlach. Ze zeiden niets. Ik ging er bij staan en zweeg mee. De tijd stond stil.

En zo stonden we daar, ieder met zijn eigen gedachten, tot Tinus de bedrijfsarts zich bij ons voegde met nieuwe informatie: Johan was gevonden, dood. Vlak voor de deur van de lompenloods waar ze naar binnen waren gegaan om de brand te blussen. Op anderhalve meter van de uitgang. “Kom, we gaan hier weg” zei de bevelvoerder. De rest knikte, hier was niets meer om op te wachten.

“Blijf jij maar hier,” zei Tinus. “Ik ga wel met ze mee.”
“Wat moet ik hier dan nog?”
“Daar kom je wel achter als je er voor staat.”
“Dan loop ik hier gewoon maar overal rond, denk ik.”
“Dat lijkt mij ook,” zei Tinus, “Jij bent de sectiechef.”

De regen was gestopt. Ik liep rond, overal. Voerde gesprekken, met iedereen. En wachtte op de vondst van Rob en Bert. Ik weet niet meer hoe laat Rob gevonden werd, maar wel waar, vlakbij de achterdeur, naast een baal kranten. Bij het krieken van de dag hadden ze Bert ook. Bijna iedereen was al weg toen hij in de lijkwagen werd gelegd. Ik keek het voertuig na, terwijl de commandant naast me kwam staan.

“Hij moet geïdentificeerd worden,” zei hij.
We keken in de verte.
“Moet ik dat doen?”
“Jij bent de sectiechef. De ordonnans zal je brengen.”

Bij het VU ziekenhuis was de ochtendploeg net begonnen. Ik vertelde waar ik voor kwam en werd direct op sleeptouw genomen via gangen en trappen naar de kelder. Daar werd ik voorgesteld aan de lijkschouwer, een kale man in een witte jas. Hij zat aan een campingtafeltje in de gang en nam net een hap van zijn lekkerbekje met knoflooksaus. De vettige lucht kon je op afstand ruiken.

“Wil je er ook één? Dit is geen werk voor een lege maag.”
“Ik vind een koffie wel genoeg.”
“Zoals je wilt. Maar ik laat hem niet koud worden, hoor.”
Hij keek me aan. “Sorry, zei hij, foute grap.”

Bert lag op een roestvrij stalen tafel, de uitrukkleding nog aan. Zijn haar zat in de war, zijn gezicht was vol met roet. Delen van zijn jas waren zwaar verbrand, hijzelf gelukkig niet. Het leek net of hij niet dood was, alsof hij alleen maar niet thuis was. Maar dat was niet zo, zei de witte jas, Bert doet het niet meer. Mijn oog viel op een glinstering om Bert zijn pols, het bewoog rond, met één beweging per seconde wees het de tijd. Het horloge van Bert deed het nog wel, althans, dat is wat ik me herinner. Het terugdraaien van de tijd was niet gelukt.