Doctrine

Er is de afgelopen maanden druk gepost op de brandweerdoctrinepagina van LinkedIn. Met veel comments en suggesties hoe de doctrine verder te ontwikkelen. Daarom leek het mij goed om uit al die commentaren en suggesties een rode draad te destilleren. En ja, het is mijn rode draad J. Uitstekend geschikt om van je eigen commentaar te voorzien.

De start van de discussie ging over de definitie van de doctrine. Wat is het eigenlijk? Hoe vat je het in één zin samen? Er kwamen diverse stellingen en ideeën voorbij, onder andere vanuit defensie en de ME. Als je al die gedachten tot één zin wil terugbrengen zou ik het volgende zeggen. Brandweerdoctrine is de theorie achter het brandweervak. Doctrine is dus niet het brandweervak zelf. Het is de beschrijving van alle geaccepteerde kennis over en voor de brandweer. Je zou het ook de vastgelegde brandweerkunde kunnen noemen. Het zijn dus geen procedures, geen opleidingsmodulen, geen lesbrieven. Maar het biedt wel de kennis aan om opleidingen en procedures te maken.

Verder bleek uit veel commentaren dat we scenario’s als de basis van de doctrine zien. We moeten het brandweervak beschrijven aan de hand van praktijksituaties, de kennis moet uiteindelijk wel ten dienste zijn van het veld. Doctrine is daarom ook geen dictaat, het schrijft niet voor, maar het standaardiseert wel. Door middel van scenario’s.

De vraag is dan hoe je scenario’s gaat opbouwen. Begin je bij standaardbranden, of met standaardbrandbestrijding? Uiteindelijk is het een beetje kip en ei. Op dit moment lijkt het de meest handige weg om binnen de brandbestrijding standaards te definiëren. De manier van brandbestrijding kunnen we namelijk wel beïnvloeden, maar de branden zelf niet. Dus stuur met de middelen die je onder je controle hebt.

De meest uitgebreide standaard die we op dit moment kennen is de offensieve binnenaanval. Lange tijd hebben we die slechts als binnenaanval bestempeld, als tegenhanger van de buitenaanval. Sinds het onderzoek naar de brand in de Punt hebben we deze standaards ingekaderd in twee variabelen, namelijk offensief / defensief en binnen / buiten. Daarmee zijn er vier standaards gemaakt, die overigens nog wel verder moeten worden uitgewerkt (het OBI Kwadrant). Dat willen we gaan doen aan de hand van een aantal stappen:

  • Op basis van foto’s willen we voor elk kwadrant de standaardbrand definiëren. Waarom foto’s? Omdat we weten dat bij besluitvorming onder tijdsdruk mensen op basis van herkenning functioneren. Herkenning leidt tot actie, en met vier standaards kun je ook vier verschillende acties vastleggen die het beste passen bij een onderhavige situatie.
  • Elke standaardbrand krijgt daarna een standaard incidentbestrijding mee. Met een eigen aflegsysteem, risico-inschatting, verkenning, doelbepaling, tactiek en techniek, enzovoorts. Nog verder uit te werken, want dit onderzoekspad ligt nog helemaal open. Tegelijkertijd ligt er ook al heel veel vast: aan de binnenbrand hoeven we nu niet zo veel te doen. Die kennen we wel.
  • De dan vastgestelde standaards vormen de basis voor opleiding, oefening en procedures. Daarbij kunnen korpsen zelf bezien welke standaards ze nodig hebben. De doctrine beschrijft namelijk het brandweervak als geheel, en is geen blauwdruk van de risico’s uit je verzorgingsgebied. Operationalisatie van kennis uit de doctrine is geen onderdeel van de doctrine zelf, dat hoort thuis in de regio’s.
  • Naast de standaards komen er standaardafwijkingen en afwijkingen. Hier gaat de sturingsdriehoek een rol spelen, want daarmee kan je differentiëren tussen diverse manieren van optreden. Uit de leerarena’s komt namelijk de wens om minder volgens vaste procedures te moeten werken, en meer ruimte te bieden aan improvisatie. Hoe tegenstrijdig dat klinkt, we moeten toch afspraken maken hoe je mag afwijken. Belangrijkste daarbij is communicatie: dat de andere eenheden weten dat je gaat afwijken. Maar ook hier geldt: nog verder te onderzoeken en uit te werken.
  • Uiteindelijk moet de doctrine een levend systeem zijn: theorie over het brandweervak moet worden getoetst en aangevuld met ervaringen en kennis uit het brandweervak. Door onderzoeken, evaluaties en leerarena’s. En dan weer worden teruggeven aan de brandweermensen in het veld. Zo leren we van elkaars ervaringen. En wordt het brandweervak beter, leuker en veiliger.

Naast deze scenario’s zijn er nog een aantal andere onderwerpen de revue gepasseerd. Zoals het Safe Person Concept, fysieke belasting, incident rehab, alara principe, storytelling, virtueel oefenen, enzovoorts. Dit is specialistische kennis, die ook een plaats moet krijgen in de doctrine. Bijvoorbeeld in de vorm van aparte hoofdstukken of delen van de doctrine. Ook de begrippen voorzienbaarheid, proportionaliteit en bestrijdbaarheid zijn opgevoerd. Niet zozeer als onderdeel van de doctrine zelf, maar als keuzecriteria voor een regio om bepaalde scenario’s wel of niet aan de productenlijn toe te voegen. Of dergelijke criteria uiteindelijk een plaatsje in de doctrine gaan krijgen zal uiteindelijk moeten blijken. Sowieso moet gaan blijken hoe de definitieve vorm van de doctrine er uit gaat zien, als er überhaupt ooit een definitieve vorm zal zijn. Juist omdat het een levend document moet worden, zal de vorm en inhoud continu wijzigen en is de doctrine eerder een reis dan een product, is het dynamisch en nooit af. Is het de tactische reis als vervolg op de strategische reis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.