De Bijlmerramp in een wandelgang

Ed Oomes, 5 oktober 2017

Begin oktober gaf ik een lezing bij een groot bedrijf over crisismanagement op de luchthaven bij vliegrampen. Na afloop stond ik nog wat na te praten met de dagvoorzitter, toen er een vrouw bij ons kwam staan. Het gezicht van de dagvoorzitter klaarde op en hij stelde haar voor als zijn steun en toeverlaat bij het congres. Inderdaad had ik haar vlak voor aanvang al drukdoende gezien met van die typische congres regeldingen, batches uitschrijven van onaangekondigde deelnemers, mensen tegenhouden die er niets te zoeken hadden en anderen die te laat waren voorzichtig naar binnen laveren. Dat soort dingen.

“Bent u ook bij de Bijlmerramp geweest,” vroeg ze opeens, uit het niets. Ik keek haar licht verbaast aan. Die vraag had ik niet verwacht. Waarom zou ze dat willen weten? “Nee, toen zat ik nog op de brandweeracademie, in opleiding,” zei ik weifelend. “Ik heb toen wel alles gevolgd via televisie en kranten en toen ik later bij brandweer Amsterdam ging werken ben ik nog druk bezig geweest met de parlementaire enquête en de gezondheidsonderzoeken. Maar ik ben er niet bij geweest, nee, dat niet.” De dagvoorzitter haakte aan op mijn antwoord en startte een betoog over de pseudo onafhankelijkheid van externe onderzoeken toen ze hem in de rede viel.

“Ik ben er wel bij geweest. Daarom begon ik met dit gesprek.”

Beng, het viel stil. De dagvoorzitter keek haar licht ontsteld aan, kennelijk was hij van dat feit van zijn steun en toeverlaat niet op de hoogte. “Ik ga even kijken bij de volgende spreker,” zei hij en vertrok spoorslags richting een kluitje mensen verderop.

Daar stond ik dan. Vol van mijn eigen verhaal en er even helemaal niet bij stil gestaan dat zij er misschien wel bij was geweest, bij de Bijlmerramp. Waarom zou je anders zo’n vraag stellen op die manier?

“Dan is dit natuurlijk wel een bijzondere dag voor je, nu het 25 jaar geleden is.” Ze knikte. “Het is elke 4 oktober bijzonder”, zei ze. “Dan komt die hele gebeurtenis weer op je af. We woonden er vlak achter, bij die flat. Als die er niet had gestaan, was het vliegtuig op ons huis gestort. We hoorden hem al aankomen met dat rare geluid en toen was daar opeens die enorme klap en overal vuur.” Ze was even stil, keek in de verte. “Bij ons in de tuin lagen delen van het vliegtuig, vast gesmolten aan het tuinpad en de stenen in het muurtje. Weet je dat er mensen waren in de flat die hun kinderen uit het brandende gebouw gooiden, in de hoop dat ze gered werden. Bij 9/11 zag ik dat ook weer, mensen die uit het gebouw sprongen. Om zichzelf te redden. Je gelooft het toch niet, dat je zoiets moet overkomen.”

Wat moest ik daar nu op zeggen? “Ja, heftig. Die beelden gaan misschien nooit meer uit je hoofd.” “Ik heb er niet zo veel aan over gehouden hoor,” zei ze. “Soms als er een vliegtuig langs komt met zo’n zelfde vreemd geluid heb ik de neiging om te bukken.” Ze maakte een bukbeweging, alsof ze iets ontweek. “En ik ben bang voor vuur. Maar verder niets, ik vlieg gewoon. Daar heb ik niet zo’n moeite mee.” Nu keek ze me opnieuw recht aan. “En ik zou nooit kunnen werken bij de hulpdiensten, wat je dan meemaakt, al dat leed. Al die verbrande mensen. Verschrikkelijk. Wat kan je doen, als je aankomt? Helemaal niets. En daarna, dan stort het gebouw ook nog in. Je bent machteloos, echt. Ik zou het niet kunnen.”

“Tja, weet je,” zei ik, “natuurlijk maak je verschrikkelijke dingen mee als hulpverlener. Maar als dat soort dingen toch gebeurt, dan ben je blij om te kunnen helpen, dat je de ellende van mensen kleiner kunt maken. Dat maakt het feit op zichzelf niet minder erg, maar je kunt er wel wat aan doen, het gaat om helpen. Daar doe je het voor.” Ze schudde haar hoofd. “Niet bij wat ik gezien heb, ik zou dat niet kunnen.” Opnieuw keek ze in de verte, en ik besefte dat er niet alleen een boom was die alles zag. Het was de Bijlmerramp in een wandelgang, 25 jaar later. Zo ver weg, en toch zo dichtbij.