Brand en de voorspelbare afloop

“Iedere beginnende brand is met een kopje water te blussen”, een mooie uitspraak van een ervaren brandweercollega. Als je net te laat bent met het kopje water geldt hetzelfde tot op zekere hoogte voor de slanghaspel, de sprinkler en de eerste autospuit. In de beginfase van de brand is vooral de hoeveelheid (beschikbare) blusstof in relatie tot de omvang van de brand bepalend voor de afloop: wel of geen succesvolle blussing. Tot zover niks nieuws…
Afbeelding1Op het moment dat de hoeveelheid blusstof ontoereikend is om de brand te blussen, krijgt deze de gelegenheid zich verder te ontwikkelen. Hierbij zijn twee factoren van belang: enerzijds moet er voldoende brandstof zijn (vuurlast). Anderzijds kunnen verschillende ‘barrières’ de ontwikkeling van brand verhinderen, zoals brandcompartimentering, brandgangen, maar ook onvoldoende aanwezigheid van zuurstof (antiventilatie). Je zou kunnen stellen dat, als er onvoldoende blusstof beschikbaar is, deze twee factoren ten opzichte van elkaar de afloop van de brand bepalen.

Daar hoort nog een belangrijke, derde factor bij: tijd. Ook dit heeft weer twee kanten: de brand heeft een bepaalde tijd nodig om te ontwikkelen. Zoals bekend ontwikkelt een brand zich niet evenredig, maar exponentieel in de tijd (als brandstof en zuurstof zich tenminste gunstig tot elkaar verhouden). Aan de andere kant heeft de brandweer een bepaalde tijd nodig om op te schalen en het benodigde debiet aan blusstof beschikbaar en op het vuur te krijgen. Dit wordt ook wel ‘tijd/tempo’ genoemd.

De afloop van de brand wordt bij onvoldoende blusstof dus bepaald door:

  1. De hoeveelheid beschikbare brandstof;
    op een bepaald moment is àlle brandstof bij de brand betrokken. De schade is dan maximaal. De brand is hierna over het hoogtepunt heen en de ‘dooffase’ begint;
  2. De aanwezige barrières, voor zover die in staat zijn de ontwikkeling van de brand te stoppen.
    Ter illustratie: op basis van de bouwregelgeving onderscheiden we in de basis drie tijden qua brandwerendheid: 20, 30 en 60 minuten. Indien de brandstof langer kan branden dan de brandwerende scheiding stand houdt, zal de brand verder uitbreiden. De brandwerende scheiding is dus alleen effectief als deze in verhouding staat tot de aanwezige vuurlast (en intact c.q. gesloten is). En dat is regelmatig niet het geval.

De blussing speelt pas weer een rol van betekenis op het moment dat er voldoende debiet op de brand gebracht kan worden. Bij de opschaling van de brandweer is het van belang rekening te houden met de ontwikkeling van de brand en als het ware zoveel (extra) debiet te organiseren, dat je de verdere ontwikkeling van de brand voor kunt blijven: organiseren op ‘de verwachte afloop’.
Er is bij grotere branden dus vaak een fase waarin je geen effectieve inzet kunt plegen, vanwege een tekort aan debiet. In die fase zou de aandacht vooral gericht moeten zijn op het organiseren van de slagkracht.

De kern van de gedachte van de ‘voorspelbare afloop’ is, dat je dit vooraf al kunt bepalen.

Je zou 4 fasen kunnen onderscheiden:

  • Fase I: de beginnende brand, waar je nog met betrekkelijk weinig blusstof de brand kunt blussen;
  • Fase II: de ontwikkelde brand, waar onvoldoende blusstof beschikbaar is, maar de brand nog niet het hoogtepunt heeft bereikt; er valt nog iets te redden;
  • Fase III: de ontwikkelde brand, die het hoogtepunt heeft bereikt. Hierna begint de dooffase. Er valt aan het oorspronkelijke brandobject niets meer te redden. Doel is vooral verdere uitbreiding naar belending te voorkomen;
  • Fase IV: de brand dooft en vraagt weer een beperkt debiet voor blussing.

Afbeelding2

Voorspelbare afloop
Als je deze redenering volgt kun je de afloop van veel branden dus vooraf redelijk voorspellen. De variabelen zijn immers bekend of goed in kengetallen te vangen (zie onderaan wat voorbeelden).

Laten we even uitgaan van een brand, waarbij de gebruiker zelf niet (meer) kan blussen:

  • Het gebouw en het gebruik ervan zijn indicatief voor de aanwezige vuurlast: een woning, een kantoorgebouw, een bouwmarkt, etc. De vuurlast is bepalend voor de energie van de brand en dus voor het benodigde debiet voor effectieve blussing;
  • De eerste uitruk van de brandweer (debiet en opkomsttijd) is bepalend voor een wel of niet effectieve blussing in de beginfase. Het gaat hierbij dus niet alleen om (opkomst)tijd, maar dit in combinatie met voldoende debiet;
  • Indien er in fase I onvoldoende debiet voor blussing beschikbaar is, draait het vervolgens om de brandstof versus de aanwezige en effectieve barrières (fase II):
    • Zijn er brandbeheersingsmaatregelen (compartimentering, rook- en warmteafvoer, sprinkler, etc) getroffen en staan deze in verhouding tot de vuurlast?
    • Zo ja, dan kan de brand binnen het betreffende compartiment blijven;
    • Zo nee, dan kan de brand uitbreiden naar het volgende compartiment/object.
    • Is de brandweer in staat vóór het hoogtepunt van de brand voldoende debiet op de brand te krijgen?
      • Zo ja, dan kan de brand tot dat punt beperkt blijven;
      • Zo nee, dan zal de ontwikkeling van de brand afhankelijk zijn van de barrières, zie vorige punt.

Deze variabelen zijn per object vooraf bekend of goed in te schatten. Zelfs tijdens de rit of na aankomst kunnen deze nog worden ingeschat. Met behulp van een aantal praktische kengetallen voor vuurlast, tijd/tempo en brandbeheersing kan de verwachte afloop worden voorspeld. En kan deze vervolgens als basis voor de tactische inzet gelden.

Afbeelding3

Afbeelding4

Wat betekent dit voor…?

–          de verkenning:
behalve in fase I zou de verkenning zich kunnen richten op het bepalen van de ‘verwachte afloop’ aan de hand van de genoemde (gebouw)kenmerken (en dus veel minder op de brandkenmerken);

–          de (eerste) inzet:
begin bij grotere panden/compartimenten direct met je zwaarste middel: omgekeerd denken. Niet eerst met Hoge Druk of Lage Druk, maar gelijk het Waterkanon inzetten of in ieder geval gereed maken. Die staat dan vast en daardoor kan (later) geen tijd meer verloren gaan. Op wat grotere schaal (vanaf uitslaande brand): direct meerdere hoogwerkers met waterkanon inzetten in plaats van handstralen, waarbij het water grotendeels van het pand afloopt;

–          de brandweeropleiding:
het bepalen van de ‘verwachte afloop’ vraagt kennis, inzicht en toepassing van de genoemde variabelen. Dit zou in opleiding en oefening een plek verdienen;

–          risicobeheersing:
de ‘sleutel’ van de afloop van de brand ligt, met de mogelijkheid tot het aanbrengen van barrières, veel meer in handen van de eigenaar/gebruiker van het pand, dan van de brandweer. Dit zou de (meer effectieve) benadering van de eigenaar/gebruiker in de fase van ontwerp en gebruik kunnen zijn. De regelgeving voorziet in een ondergrens. Het belang van de eigenaar/gebruiker leidt tot het uiteindelijke niveau aan brandbeheersing;

–          de brandweerdoctrine:

  • deze redenering zou doorvertaald kunnen worden naar alle mogelijke inspanningen om in de beginfase van branden voldoende debiet op het vuur te kunnen krijgen (rookmelders, sprinklers, zelfbluszaamheid, eerste uitruk-formules, etc);
  • de relatie incidentbestrijding-risicobeheersing zou verder gekoppeld kunnen worden aan het concept van de verwachte afloop: ontwikkelen van het ‘omgekeerd denken’ en dit kan in bruikbare vorm worden doorvertaald naar alle schakels van de veiligheidsketen.

Wie zou ‘de glazen bol’ nou niet in handen willen hebben…?

Peter Entius

Bijlage: enkele vuistregels, waar je aan zou kunnen denken…

In het stuk wordt gesproken over het gebruikmaken van kengetallen of vuistregels. Hieronder een aantal voorbeelden waar je aan zou kunnen denken.

Vuistregels ‘Optimaal Blusdebiet’
Voor een optimaal blusdebiet wordt als kengetal 4 liter/minuut/m2 aangehouden voor gemiddelde vuurbelasting en 6 liter/minuut/m2 voor hoge vuurbelasting. Als je deze getallen koppelt aan de wateropbrengst van een Hoge Druk-, Lage Drukstraal of een Waterkanon kun je de oppervlakte bepalen die je effectief kunt bestrijden. Op basis van de brandende oppervlakte kun je vaststellen of je voldoende bluspotentieel beschikbaar hebt. Op basis van de benodigde opschaling- en inzettijd (‘water op het vuur’) kun je bepalen of je nog voor het hoogtepunt van de brand (fase II) voldoende debiet beschikbaar kunt krijgen. Zo kan de invloed van de blussing worden voorspeld.

Afbeelding5

Vuistregels ‘Vuurbelasting versus Brandwerendheid’
Er bestaan vele tabellen met een indicatieve vuurbelasting per gebruiksfunctie. In onderstaande tabel is de brandwerendheid van 20, 30 en 60 minuten vertaald naar de maximale vuurbelasting, waarbij die brandscheiding nog standhoudt. Vervolgens staan enkele voorbeelden genoemd van gebruiksfuncties, die onder dat maximum blijven. Voor gebruik in het veld zou je de binnen het verzorgingsgebied meest voorkomende of essentiële gebruiksfuncties in een overzichtelijke tabel kunnen opnemen. Vervolgens kun je de algemeen geldende brandcompartimentering (voor die functie) in de tabel toevoegen. Zo kan op basis van standaard kengetallen een voorspelling over het al dan niet standhouden van de brandwerende scheiding worden gedaan (bij niet-effectieve inzet van de brandweer, zie ook vorige tabel). Hoe specifieker de gegevens, hoe meer betrouwbaar de voorspelling. Informatievoorziening (t.b.v. planvorming) hierover is dus primair (in) het belang van de eigenaar.

Afbeelding6

Anticiperen
Hoe eerder in de tijd deze variabelen bekend zijn, hoe meer je op de verwachte afloop kunt anticiperen en deze nog kunt beïnvloeden. Bij het ontwerp kan het meegenomen worden in het gesprek met de eigenaar/gebruiker om tot het gewenste of aanvaarde niveau van brandbeheersing te komen. In de planvorming kan het worden gebruikt om standaardscenario’s met bijbehorende eerste uitrukpotentieel en inzetstrategie te bepalen. En bij de inzet kan het tenslotte worden gebruikt om de inzettactiek te bepalen.

Een gedachte over “Brand en de voorspelbare afloop

  1. Brand in bedrijfsgebouwen leidt meestaltot voorspelbare afloop, vandaar de kreet ‘domme dozenbrand’: de gedachte van de ‘voorspelbare afloop’ is, dat je dit vooraf al kunt bepalen. Tóch zie je meestal dat we doen wat we doen – de Domme dozenbrand.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *