De mens is een binnenstebuiten kaars

Foto komt van https://www.vice.com/en_uk/article/kwgbbe/the-learning-corner-705-v18n2

Ed Oomes, 31 juli 2017

Ik denk niet dat Helen Conway zich haar levenseinde had voorgesteld als verkoolde romp op een stoel, met haar benen nog redelijk intact eronder. Toch is dat wat er gebeurde op 8 november 1964, zo laat de foto van dit tafereel ons zien. Ik vind de scene niet zozeer gruwelijk als wel raadselachtig. Wat zou daar gebeurd zijn? Hoe kan een volwassen mens verkolen terwijl het bijzettafeltje dat er naast staat, onaangeroerd lijkt? En wat zit er allemaal op die muur gesmeerd? Is dat de verdampte Helen of is het bluswater residu? Zou het Team Brandonderzoek hier een protocol voor hebben? Allemaal vragen die zich opdringen bij het bekijken van de foto.

 

Volgens de brandweer van Upper Darby, Pensylvania, moest er wel sprake zijn van spontaneous human combustion, spontane menselijke ontbranding. Dat kon gewoon niet anders, een andere verklaring hadden ze er niet voor kunnen vinden. In hun opinie is het namelijk onmogelijk dat een volwassen vrouw in korte tijd helemaal verbrandt, zonder zichtbare ontstekingsbron of aanvullende brandstof. Spontane zelfontbranding was het enige wat overbleef als je alle andere oorzaken had geëlimineerd. Bovendien was het ook allemaal heel snel gegaan, als ze de berichten van de dochter van mevrouw Conway mochten geloven. Die had de woning van haar moeder verlaten om 08.42 en zes minuten later vond de brandweer haar zoals op de foto te zien. Zoiets hadden ze nog nooit mee gemaakt, daar in Upper Darby en men hoopte dat het ook bij één geval zou blijven.

 

Spontane menselijke ontbranding is een vagelijk gedocumenteerd fenomeen, waarbij mensen kennelijk zonder duidelijke aanleiding in brand vliegen en daardoor het leven verliezen. Vergeet de branddriehoek, zonder ontstekingsbron of hoge temperatuur staat het slachtoffer opeens in brand, zo wordt verteld. Vandaar de term spontaneous combustion: uit zichzelf vliegt het in brand. Vreemd genoeg is de directe omgeving van de menselijke resten volgens de diverse rapportages nauwelijks door brand aangetast. Er vindt dus geen branduitbreiding plaats. Nog vreemder is dat niemand het in al die keren ooit live heeft meegemaakt. Het kan dus net zo goed zijn dat een enorme lila kabouter er plezier in schept om mensen in de fik te steken met een mega-thermische lans. Niemand zag het één noch het ander, ga dan maar eens zeggen wat waar is.

 

 Occam’s Razor en spontane zelfontbranding

 

In dit soort gevallen en trouwens ook in alle andere, geldt Occam’s Razor: als er meerdere hypotheses zijn die een verschijnsel kunnen verklaren, dan moet je de meest eenvoudige zoeken. Degene met de minste entiteiten en aannames, die moet je hebben. Waarschijnlijk valt de roze kabouter met zijn thermische lans dan als verklaring af. Hetgeen overigens niet automatisch betekent dat spontane zelfontbranding dan de enige overgebleven oorzaak is, daarover zo meer. Je kan natuurlijk ook je schouders ophalen en denken: lekker belangrijk, kan mij die Occam schelen en vervolgens overgaan tot de orde van de dag. “Ik ga me helemaal niet bezighouden met spontane menselijke ontbranding.”

 

Maar zo makkelijk kom je er niet altijd mee weg. Ergens begin 1999, ik werkte nog voor brandweer Amsterdam, ontving ik post van een zekere mijnheer Kostelijk. Het was een wat verfomfaaide bruine envelop, die minimaal één tweede leven had gekregen om de aan mij geadresseerde brief te vervoeren. Her en der waren eerdere adresuitingen doorgestreept. Voor alle zekerheid was er bovendien ruim afgedicht met plakband. De brief zelf was handgeschreven, in een handschrift dat zowel bibberig als expressief was. De heer Kostelijk, een gepensioneerd leraar Nederlands van 80 jaar volgens zijn schrijven, hield zich nog steeds bezig met het publiceren van artikelen voor het tijdschrift ‘Onze Taal’ en over zijn laatste geschrift had hij graag een wederhoor gezien van een ter zake deskundige rondom het begrip van de menselijke zelfverbranding. Daarom was hij niet zozeer bij mijn persoon als wel bij de brandweer Amsterdam terecht gekomen. Of hij mij mocht bellen?

 

Dat mocht. Het werd een geanimeerd gesprek, eentje die ik zou willen classificeren als tussen ‘amices’ met de daarbij horende beleefdheidsvormen die het leven zo aangenaam kunnen maken, ook al was ik nog veel te jong om een amice te zijn. Ik ging dus een ingezonden stuk schrijven, daar kon ik na het gesprek met mijnheer Kostelijk niet meer onderuit. Mijn brief werd keurig afgedrukt in het aprilnummer van ‘Onze Taal’ in 1999. Ik heb het betreffende exemplaar nog ergens in een doos liggen en met enig gezoek vond ik het voor dit beeldverhaal weer terug. De getypte versie is in de WP 5.1 geschiedenis verschwunden in een digitaal zwart gat, tezamen met veel andere documenten.

 

Wat schreef ik toen? Ik citeer een stukje. “De cruciale factor kan dus bewustzijn zijn. Is het mogelijk dat iemand zo erg van de wereld is dat hij niet merkt dat hij in brand staat? Veel vermeende slachtoffers van zelfontbranding zijn in bed gevonden, of op een stoel. Dit impliceert inactiviteit, wellicht slapen of bewusteloosheid.” Uit enkele autopsierapporten bleek bovendien dat de slachtoffers tamelijk beneveld waren. Even verderop beschrijf ik wat tegenwoordig het ‘wick effect’ wordt genoemd, het lijf als kaars: “Sommigen wijzen erop dat het onderhuidse vet van mensen kan smelten, waarbij kleding als een soort lont kan fungeren. Als de temperatuur hoog genoeg is, kan men op deze wijze als ware men een kaars verbranden.” De mens is dus gewoon een binnenstebuiten kaars, met het vet aan de binnenkant en de lont aan de buitenkant. Uit proeven met varkens is gebleken dat het kaars effect inderdaad optreedt. Makkelijker kan Occam het niet maken.

 

De twijfel van de praktijk

 

Toch brengt de praktijk je dan soms opnieuw aan het twijfelen. Het moet eind 1999 zijn geweest dat ik werd opgeroepen voor een brand in een bejaardentehuis. De brand was bij aankomst al onder controle, zo zei de Alarmcentrale mij, maar er was een slachtoffer bij te betreuren en derhalve werd ik ook ter plaatse verwacht. Het rusthuis was een relatief nieuw gebouw, ergens in Amsterdam West, precies weet ik het niet meer. Wat ik me wel herinner was dat er een lichtblauwe parafine achtige damp in de gangen hing. En omdat de brandmeldinstallatie was afgegaan, deed de lift het niet en moesten we met de trap vier verdiepingen naar boven, in die blauwe damp die naar fondue smakend op je tong neersloeg. Boven stonden alle deuren en ramen wijd open om de rookslierten kwijt te raken. “Ze zit in die stoel daarbinnen,” zei de brandmeester. “Althans, dat wat van haar over is.”

 

In het midden van de kamer stond een hele grote stoel, stoffen bekleed met bloemenmotief. De oude vrouw zat erin, gekleed in een nachtpon van één of ander synthetisch materiaal. Haar hoofd hing schuin opzij, richting de linkerarm. Haar rechterarm lag verkoold op de leuning, weggebrand tot onder de schouder in de borstkas. Verder was ze volledig intact, net als de stoel en de rest van haar nachtpon. Ik keek het met verbazing aan. Zoiets had ik nog nooit gezien, en het was kennelijk ook heel snel gegaan. Van brandmelding tot ter plaatse had hooguit 6 minuten gekost, hoorde ik later van de Alarmcentrale. “Heb jij toevallig een hele grote lila kabouter voorbij zien komen,” zou ik de brandmeester gevraagd hebben als ik dit beeldverhaal toen al geschreven had. Maar nu stond ik daar enige tellen sprakeloos. “Gek verhaal, he,” zei de brandmeester toen hij naast me kwam staan. “Die hele kamer stond vol met brandende kaarsen toen we aankwamen. En alle asbakkies vol, nou dan weet je het wel.” Ja, toen wist ik het wel. De mens is een binnenstebuiten kaars en Occam’s Razor houdt je altijd scherp. Wat ik daarnaast geleerd heb, misschien wel net zo belangrijk, is dat je brieven van gepensioneerde leraren Nederlands nooit weg moet gooien. Er zit mogelijk een Kostelijk verhaal in.