Rizoomes blog

De eenzaamheid van een vol terras

Begin juli 2017 hebben we de eerste routes van het Pieterpad gelopen. Elke wandeling is een klein avontuur, en we willen er graag over berichten door middel van anekdotes en zogenaamde ZKV’s, zeer korte verhalen. Aangevuld met een korte impressie en wat foto’s. Hieronder vind je een ZKV over de etappe van Zuidlaren naar Rolde. De overige blogs van het Pieterpad zijn hier terug te vinden.

Ed Oomes, 19 juli 2017

Eigenlijk hadden we dus een halfpension geboekt. Een arrangement voor twee overnachtingen met ontbijt en diner. En een lunchpakket, voor onderweg het Pieterpad. Toch is het een term die je tegenwoordig nauwelijks meer gebruikt, halfpension. Alles heet immers Bed & Breakfast, en wat je daar dan verder nog bij wilt plak je er modulair aan vast. Zo hadden wij vervoer besteld van onze B&B naar het startpunt van route 4, Zuidlaren naar Rolde. Lekker makkelijk. Alleen vond niet iedereen het een B&B, zo bleek toen wij die ochtend na het ontbijt de eetzaal wilden verlaten. “Ik breng jullie zo naar Zuidlaren,” zei onze gastvrouw, laten we haar Sandra noemen, “ik ruim nog even wat spullen op.” Precies op dat moment kwam één van de andere gasten glimlachend binnen. Ze was begin vijftig en ging gekleed in een gewaad met diverse losse componenten, waardoor het niet goed duidelijk werd wat ze nou precies droeg. Sjaal, veel sjaal in diverse maten over elkaar heen.

“Goedemorgen,” zei ze tegen ons en toen gelijk naar Sandra: “Mag ik wat vragen?” Ze gooide één van de sjaals over de linker schouder.

“Natuurlijk.” Sandra hield stil, haar armen vol met bordjes en kopjes en versperde daarmee de uitgang. Wij bleven op keurige afstand even wachten tot we er weer langs konden.

“Wij hebben een kamer besteld met een terras.” De vrouw liet een korte stilte vallen.

“Ja?”

“En er is geen terras.” Ze keek er triomfantelijk bij en schikte ondertussen wat aan de kledingstukken rond haar schouder.

Edward Hopper “Automat” 1927

“Geen terras? We hebben een heel groot terras, voor iedereen te gebruiken. Buiten.” Dat laatste klonk overbodig.

“Nou precies, dat is net het probleem. Het is geen privé terras, iedereen kan er op. En wij willen privé zitten. Samen.”

“Het is een heel groot terras,” zei Sandra, “geen enkel probleem als jullie een tafel en stoeltjes wat willen afzonderen om samen te kunnen zitten. En er zijn toch altijd maar vier vaste gasten, dus dat past prima in die ruimte.”

“Nee,” zei de vrouw, “wij hebben een kamer met privé terras geboekt. En dan wil ik een kamer met privé terras.” Het stadium van de passieve agressiviteit was bereikt.

Sandra zette één arm bordjes even op tafel en wees naar buiten. “Kijk, het is echt een groot terras, genoeg ruimte om privé te kunnen zitten.”

“Nee,” zei de vrouw, “ik heb een privé terras geboekt op de website. Jullie bieden dat zelf aan. Echt waar. En dan wil ik ook een privé terras. Is dat nou zo veel gevraagd?”

“Dat bieden wij echt niet aan, hoor, er zijn geen privé terrassen hier.”

“Jawel, zeker wel, via booking.com. Dat bieden jullie wel aan. Ik kan het zo laten zien.”

“Oh, booking.com. Maar dat is niet goed van ze. Daar zal ik ze dan even op aan spreken. Want dat hoort niet, wij hebben een groot algemeen terras, geen privé terras.”

“Nee inderdaad, dat hoort dan inderdaad niet. Want wij zijn er een paar dagen, samen met halfpension, en dan willen we ook wel samen zitten. Niet met allemaal andere mensen. Daarom hebben we de kamer met privé terras ook geboekt.”

Sandra zette de andere arm servies nu ook op tafel en wees druk gebarend door de geopende deur, precies genoeg ruimte overlatend voor ons om er tussendoor te glippen.

“Ik breng jullie zo weg, hè,” riep ze ons na.

“Ja, we lopen alvast naar de auto.”

Edward Hopper, “New York Restaurant” 1922

’s Avonds, tijdens het diner van het halfpension, moest ik naar het toilet. Ik frutste wat aan mijn rits, altijd dikke vingers na een lange wandeling, toen ik ze door het raampje zag zitten, de vrouw met de sjaals en haar man. Met zeer serieuze gezichten zaten ze daar, ieder verdiept in een boek tijdens het eten, in een afgescheiden hoekje van het terras, ver weg van de andere gasten. De man nam een hap, zijn gezicht klaarde op en hij riep luid: “Lekker hè. Hoe is je boek?” Zijn stem klonk dwars door de muur heen. Ze zei iets terug, zag ik, maar ik kon niet horen wat en hij ook niet, hij zette zijn hand tegen zijn oor en vormde al schouderophalend een kommetje rond de schelp. Hij was zo doof als een kwartel, voor hem was elk terras privé. Voor haar geen één.

Korte impressie van Zuidlaren naar Rolde

Van Berend Botje naar Bartje. De vierde noord-zuid route van het Pieterpad is 18 kilometer lang en zeer afwisselend. Onderweg kom je van alles tegen, riviertjes, meertjes en vooral veel hei. Het Ballooërveld is een oud oefenterrein van defensie dat nooit bebost is. Dat levert mooie vergezichten op. Wel tamelijk zwaar lopen in mul zand, alsof je op het strand bent. Rolde is net als Zuidlaren een vriendelijk plaatsje waar een paar aardige terrassen zijn. Een mooie wandeling die een zeer tevreden gevoel oplevert.

Gelijk buiten Zuidlaren leveren de velden al mooie kleurrijke plaatjes op.

Berend Botje staat net buiten het dorp op een rotonde. Het is nog altijd niet precies duidelijk wie hij nu precies was, al gaan er steeds meer stemmen op dat het Lodewijk van Heiden (1773) is.

Bij Schipborg waren veel toeristen de weg kwijt, althans toen wij er waren. Mooie omgeving met veel horeca en terrassen.

Vlak bij Gasteren was er net gemaaid en dat leverde 10 jagende ooievaars in een grasveld op. Met veel tactisch gedrag (“nee hoor, hier zitten geen muizen”) en onderlinge ruzies over de beste plekjes.

Ook bij Gasteren: Hunebed. En die moet dan natuurlijk op de foto.

Deze vier Hooglanders stonden door de heg in de tuin van de buren te gluren, die net aankwamen met hun auto. En hen wellicht wel eens trakteren op iets lekkers.

Het einde van het Ballooërveld is het begin van Rolde. Deze Baak is een richtingaanwijzer van het Pieterpad: Rolde klein stoefie.

De Galgenberg in het Ballooërveld. Een galg zelf is er nooit gevonden, wel enkele graven. Vermoedelijk stamt de ‘berg’ uit de Bronstijd, 1800 – 1500 v Chr.

Uitzicht op Rolde.

Voor het museum van Bartje

Het gemeentehuis van Rolde

Kleine viooltjes die ‘wild’ groeiden tussen de stoeptegels in Rolde.


Waarom Ronald de Boer zijn penalty miste in de halve finale op het WK 1998.

Ed Oomes, 21 juni 2016

We gingen naar Buro Sport in het Theater, een voorstelling van Frank Evenblij en Erik Dijkstra. Het was de op één na laatste keer van het seizoen, in de Kleine Komedie. Als u dit leest, is de laatste voorstelling dus net geweest. Da’s jammer, want het was echt leuk. Net zoals op tv, maar dan XL en live. Ik kan u dus wel naar hun website verwijzen, maar er valt niets meer te bezoeken. Dus dat heeft niet zo veel zin. Ik pak er wel even een citaat van:

“Ze tonen bijzondere beeldfragmenten, delen opmerkelijke bevindingen en ontvangen interessante sportgasten. En niet zomaar sportgasten, maar helden uit de regio waar de voorstelling op dat moment speelt; niet één voorstelling is dus hetzelfde.”

In Amsterdam kwam Ronald de Boer sportgast zijn. In het onderdeel ‘Het Verhoor.’ Dijkstra en Evenblij legden hem het vuur aan de schenen. Of ie net zo lang kinderen wilde krijgen tot er een jongetje was, na vijf meisjes. Wie er eigenlijk beter was, hij of zijn broer. Waarom hij zich liet botoxen. En waarom hij zijn penalty miste in de halve finale van het WK 1998 tegen Brazilië. “U wordt bedankt mijnheer De Boer, u heeft ons een WK titel door de neus geboord.” Grote hilariteit in de zaal.

Ronald bleef onder deze waterval van vragen, op zijn De Boers mompelend, fier overeind. Af en toe leek het even of je naar Edwin Evers zat te luisteren. Toch werd dit item zeer serieus toen werd gevraagd of hij de gemiste penalty van commentaar wilde voorzien, als ware hij de analist van die wedstrijd. “Ja je ziet het al aan de aanloop, dat wordt helemaal niets. Die gaat gewoon naast, kan niet anders,” zei De Boer. Hard gelach van de tribune om dit hard gelag. Ronald stopte glimlachend met zijn wedstrijdverslag. Klaar. Maar Dijkstra en Evenblij gaven niet op, ze gingen er opnieuw op in. “Wat gebeurt er dan op zijn moment, Ronald, kun je daar niet iets meer over vertellen?” De Boer haalde nog eens diep adem en stak toen van wal. Zijn stem klonk opeens opmerkelijk helder.

“Ja nou, wat gebeurt er op zo’n moment, het begint er al mee dat je dat hele eind van de middellijn naar de penaltystip moet lopen. Veel te lang eigenlijk, je haalt je van alles in je hoofd. Je weet best dat als je mist, alles verloren is, dat alles nu op jouw schouders rust, met al die belangen.” In de Kleine Komedie was het intussen muisstil geworden.

“En dan sta je daar op de stip, leg je die bal neer. Begint het te malen in je hoofd, alles schiet er door je heen. Dan denk je eerst, ik knal hem keihard door het midden, vol er op. Nee, dacht ik toen, niet vol erop, in de rechterhoek, geplaatst. En toen, in de aanloop dacht ik, ik wacht tot de keeper beweegt en dan schiet ik in de andere hoek. Maar de keeper bewoog niet, die bleef te lang staan en toen wist ik het niet meer. Toen miste ik hem.”

Een fractie van een seconde keek hij zijn ondervragers aan, waarna direct een luid applaus losbarstte uit de zaal. Een grote opluchting maakte zich van de toeschouwers meester. Hier klonk een catharsis namens de gehele natie, natuurlijk had ie hem gemist onder deze omstandigheden, logisch toch, had dat dan eerder gezegd. Het was hem vergeven, dat voelde je aan alles. Dijkstra en Evenblij, de meesters van het feelgood gesprek.

Op het tweede balkon midden, rij 1 stoel 1 zat ik gefascineerd naar het gesprek te luisteren. Dit was de kern van besluitvorming onder tijdsdruk. Dit was waarom het soms fout gaat, ook al ben je nog zo goed. Meer hoef je er niet over te weten, dit is alles.


Wat als de president zijn verstand verliest?

Ed Oomes, 18 juni 2017

Het is eind 1972. Rusland en Amerika sluiten het SALT-akkoord, een verdrag om de voorraad strategische en tactische kernraketten niet verder te laten groeien. De Koude Oorlog is daarmee over zijn hoogtepunt heen, maar nog lang niet afgelopen. Pas 16 jaar later, als de Muur in Berlijn is gevallen, komen de verkleumde verhoudingen tussen Oost en West weer op kamertemperatuur. In ieder geval tijdelijk, zoals we nu weten. Want ook al hanteert nog niemand officieel de term Nieuwe Koude Oorlog, zo goed zijn de betrekkingen tussen Rusland en het Westen op dit moment niet, met de Russische inval in De Krim en het neerschieten van de MH17 als dieptepunt. Van de andere kant, zonder sterke vijand is er misschien ook geen noodzaak tot een sterke baas. Een groot gezamenlijk probleem laat nogal eens om een grote gezamenlijke oplossing vragen. Enige animositeit speelt de belangen van de presidenten in deze wereld dus wel in de kaart. In die zin hebben ze elkaar ook gewoon nodig en zijn wij, de burgers, de toeschouwers van hun toneelstuk. De irrationaliteit van de macht en de rationaliteit van de koele afweging liggen dicht bij elkaar en houden elkaar hopelijk in evenwicht. Hoewel het soms wel spannend is, zoals toentertijd met Nixon.

President Nixon

President Nixon aan de drank

Nixon is in 1973 de president van Amerika en ligt zwaar onder vuur door het Watergate schandaal. Hij drinkt veel en gecombineerd met zijn slaapmiddelengebruik is hij regelmatig te dronken om zijn werk goed te doen. Als in oktober van dat jaar de Jom Kipoeroorlog tussen Israël en Egypte uitbreekt, is Nixon af en toe zo ver weg dat de VS feitelijk zonder gekozen president functioneren. De staf van het Witte Huis doet er alles aan om dat voor de Russen verborgen te houden en zet Henry Kissinger en Alexander Haig volop in de media om de aandacht af te leiden. Dat lukt slechts gedeeltelijk. Wanneer Nixon buiten iedereen om het paraatheidsniveau verhoogt van DEFCON 4 naar DEFCON 3 (DEFense readiness CONdition) zeggen de Russen dat dat komt door het Watergate schandaal. Zij hebben hun dreiging naar eigen zeggen namelijk niet verhoogd. Kennelijk houden ze de interne politieke ontwikkelingen van de VS scherp in de gaten en betrekken ze dat in hun externe argumentatie. Het geeft nog maar eens haarfijn aan hoe de wereldgeschiedenis bepaald wordt door slechts enkele hoofdpersonen en dat de betrokken partijen dat drommels goed van elkaar weten. Het is ook nog maar de vraag of die constatering geruststelt of juist niet. Kijken ze wel linker uit met kernwapens omdat iedereen op elkaar let, of proberen ze een gaatje in de defensie van de ander te vinden, zodat ze ongezien en ongestraft raketten kunnen afvuren? Ik durf het niet met zekerheid te zeggen, en ik ben niet de enige noch de eerste die het zich in gerede ernst afvraagt. We gaan weer even terug in de tijd.

Majoor Hering en de Minuteman

Het is eind 1974. Een speciale onderzoekscommissie van Defensie besluit om de Majoor Harold Hering te ontslaan wegens falend leiderschap. Maar de enige die faalt in leiderschap is Defensie zelf. Met slechts één enkele vraag die tot op de dag van vandaag onopgelost is, zette Hering namelijk de hele nucleaire command and control lijn van Defensie in zijn hemd. Wat was er gebeurd?

Major Harold Hering

Laat ik beginnen met iets meer over de majoor zelf te vertellen. Hering zat in 1973 al ruim 21 jaar bij het leger. Hij had in diverse oorlogen gediend, waaronder Vietnam, en was daarvoor ook onderscheiden als helikopterpiloot bij de Air Rescue Service. Zo slecht konden zijn leiderschapskwaliteiten dus niet zijn. Bovendien lag er een nieuwe promotie in het verschiet tot luitenant-kolonel, ook al geen teken van falend leiderschap. Voorwaarde bij die promotie was een training om de Minuteman te kunnen bedienen, de zwaarste strategische kernraket die de VS toen had. Het was zijn taak om de raketten te lanceren als de President daartoe opdracht gaf. Daar was een speciaal protocol voor ontwikkeld, het SIOP: Single Integrated Operational Plan. Dat plan legt de besluitvorming over het afvuren van raketten exclusief bij de National Command Authority. Op lager niveau is er geen beslismacht over de inzet van kernwapens, alleen uitvoeringsmacht.

De Two-man Rule

Zodra de opdracht door de NCA is gegeven geldt de two-man rule: twee operators moeten onafhankelijk van elkaar bevestigen dat de codes kloppen en dat de lancering gerechtvaardigd is. Beide operators moeten vervolgens letterlijk hun sleutels in een slot doen en stevig naar rechts draaien, alsof je een auto start. Daarna vliegt de raket naar zijn doel, met genoeg explosiviteit om één miljoen mensen te vernietigen. Er is geen regret optie na de lancering: weg is weg, terughalen kan niet. Tijdens deze training, waar het voor Hering duidelijk wordt welke enorme gevolgen zijn daden kunnen hebben, stelt hij die ene vraag die een eind zou maken aan zijn militaire carrière:

“How can I know that an order I receive to launch my missiles came from a sane president?”

Hoe weet ik dat de President goed bij zijn hoofd is als hij mij opdracht geeft miljoenen mensenlevens te vernietigen? Wie controleert of zijn besluit gerechtvaardigd is, waar zijn de checks and balances? Het antwoord daarop is even eenvoudig als onthutsend: die zijn er niet. De president kan in zijn eentje besluiten alle Minuteman te lanceren en daarmee 70 miljoen mensen te doden. En dat placht Nixon soms ook tijdens diners op het Witte huis aan zijn gasten te vertellen. “I could leave this room, and in 25 minutes, 70 million people would be dead.” Het is een vorm van pocherij die weinig goeds doet beloven. Gelukkig ontstond er wel een informele check, een counterbalance. The Secretary of Defense Schlesinger vertrouwt het allemaal niet en draagt het NCA op hem te waarschuwen als Nixon gekke opdrachten zou geven. Dat niemand daartegen in het geweer komt toont aan dat ook anderen aan het verstand van de president twijfelen. Uiteindelijk komt het zo ver niet. Nixon treedt in 1974 af als gevolg van het Watergate schandaal en de discussie over de vraag van Hering gaat liggen. Repareer niks wat niet kapot is, zo dacht men waarschijnlijk. Lekker laten, zo.

James Schlesinger

Voordat de raketten gaan

Tot eind 2016. Want toen werd Donald Trump tot de nieuwe president van Amerika verkozen en stak de vraag van Hering de kop weer op. Kan de president nog steeds zelfstandig beslissen de kernraketten te lanceren, net als in 1973? Yes, he can. Sterker nog, tijdens een aanval van de Russen op Amerika rest de President slechts 4 tot 10 minuten om te beslissen of hij de Minuteman laat lanceren. In de tijd die nodig is om een ei te bakken moet hij de afweging maken om de mensheid al dan niet te vernietigen. Dat is een act of God die je bij geen enkel mens zou mogen neerleggen. Niet bij de Amerikanen, niet bij de Russen en ook niet bij de Chinezen. The Union of Concerned Scientist voert al jaren campagne om de besluitvorming over de inzet van kernwapens te veranderen. De huidige SIOP is uit de tijd, zo zeggen ze, en omdat meer dan de helft van de kernwapens tegenwoordig mobiel is, hoeft er niet zo snel meer een tegenaanval gelanceerd te worden. Er is voldoende tijd voor overleg om een adequate reactie te organiseren. Dat weten de Russen ook en beide partijen zijn intussen meer beducht voor de gevolgen van een false alarm dan voor een echte aanval. De kans op een fout in de techniek van het systeem is namelijk groter dan een bewuste beslissing, zo laat de geschiedenis van de afgelopen vijftig jaar zien.

President Trump

Zowel Bush als Obama hebben ondanks deze argumenten van de Union niets veranderd aan het systeem. Het is de vraag of Trump dat wel gaat doen, of welke andere president dan ook. Misschien pochte Nixon namelijk niet, toen hij zei dat hij in 25 minuten 70 miljoen mensen kon vernietigen, maar voerde de irrationaliteit de boventoon. Een irrationaliteit die kennelijk vat krijgt op elke president, door zoveel macht over zoveel mensen, om als enige de baas te zijn over alles en iedereen voordat de raketten gaan, want er was er nog geen één die het systeem heeft aangepast. Geen één die de irrationaliteit van de macht wilde delen met de rationaliteit van de koele afweging. Geen één die zijn macht gedeeltelijk heeft willen afstaan. Tot nu toe ging dat goed, en bleef het evenwicht in stand, misschien wel dankzij de krachtige leiders in andere delen van de wereld. Maar wat als de president opeens toch zijn verstand verliest en opdracht geeft tot lancering van de Minuteman? Is er dan ook nog een Schlesinger die de verantwoordelijkheid neemt om op eigen gezag een extra check in te bouwen? Het antwoord op die vraag, de vraag van Majoor Hering, is nog steeds niet gevonden terwijl we het harder nodig hebben dan ooit, onder deze president met zijn motto ‘America First.’

Lees ook ‘Trump en De terugkeer van the act of God.


Complexe vraagstukken

13 juni 2017, Wendy Kiel

Tijdens mijn Master Interne Communicatie leerde ik het Cynefin Framework van Snowden kennen. Dit framework maakt duidelijk dat je niet elk vraagstuk als een project aan kunt pakken, maar dat je rekening moet houden met complexe vraagstukken. Complexe vraagstukken vragen om een andere aanpak dan een simpel of ingewikkeld vraagstuk.

Mijn paper voor de master heb ik geschreven over complexe vraagstukken en de rol die de interne communicatieadviseur hierbij kan spelen. Dit was ook meteen de eerste keer dat ik een notitie in stripvorm heb gemaakt. Een hele uitdaging, maar ook leuk en leerzaam om te doen.

De ingekorte versie van mijn paper kun je lezen door op onderstaande tekening te klikken.

———————————————————————————————————————-

Brandweer in stripverhalen,
verslag van een zoektocht

1 juni 2017, Kees Plaisier

Het zal niet meevallen…

De eerste serieuze stap nam ik in Delft. In stripwinkel Bul Super vroeg ik: “Wat weet u van brandweer in stripverhalen? Ik ga fragmenten verzamelen namelijk.” “Dat zal niet meevallen, want er is eigenlijk weinig voor zover ik weet”. “Ach ja, Kuifje natuurlijk. De Zwarte Rotsen. Ik haal even wat”.

    

Hij kwam terug met twee edities van “de Zwarte Rotsen”. In de ene een handspuit en in de andere een tankautospuit, met bijbehorende brandweerlieden in de uniformen die bij de tijd horen. Dat was een hoopgevend begin. Ik wist echter niet wat me allemaal nog boven het hoofd hing op mijn zoektocht.

Nog meer Kuifje en veel Suske en Wiske
Toen ik Peter Snellen deelgenoot maakte van mijn plan om brandweer in stripverhalen te gaan verzamelen was hij meteen enthousiast. Hij wist nog meer uit Kuifje en hij had een neef die veel van Suske en Wiske wist. Zo kwam er geleidelijk aan van alles boven water.

Maar de echte zoektocht vond plaats in de Bibliotheek in Rotterdam. Daar bevindt zich een grote stripverzameling, vooral achter de schermen. (Nu voor het grootste deel in bruikleen gegeven aan het Rotterdamse Stripmuseum). Ik mocht daar achter de schermen op zoek. Ik mocht zelfs soms wat meenemen om te doorzoeken en waar nodig te scannen. Natuurlijk heb ik ook mijn eigen verzameling doorgeploegd. Zo ontstond in de loop van anderhalf jaar een verzameling van meer dan 2500 fragmenten.

De Polaroids van Martin Lodewijk
Vanwege de prachtige tekeningen in Agent 327 heb ik Martin Lodewijk opgezocht. Toen hij nog in Dordrecht woonde was hij bezig met “Rookbom”. Hij had een redvoertuig nodig, dus ging hij, gewapend met zijn Polaroid camera naar de brandweer kazerne in het Oranjepark en maakte een hele reeks opnamen. Daarmee tekende hij een autoladder, die in het verhaal even indrukwekkend was als in werkelijkheid.

Zulke voorbeelden zijn er ook bij Theo van den Bogaard in zijn verhalen over Sjef van Oekel en bij Frans le Roux, een Groningse tekenaar.

   
uit “Sjef van Oekel raakt op drift”                               Frans le Roux Winter in Groningen

Dat zijn maar een paar voorbeelden. Ook in Franka, in Suske en Wiske, in Baard en Kale, bij Dan Cooper, in Uuterwaerdt en op veel andere plaatsen is te zien hoe zorgvuldig de tekenaars zich documenteren. Dat Martin Lodewijk dat deed met zijn Polaroid camera is een mooie historische bijzonderheid.

De brandweergeschiedenis in beeld gebracht
Met fragmenten uit stripverhalen kan de brandweergeschiedenis mooi worden geïllustreerd.

Van blussen met emmertjes tot blusvliegtuigen. Met aandacht voor helmen, voor springzeilen en voor draagbare blusmiddelen. De blusemmers zijn te zien in Robert en Bertrand: “De Toverlantaarn”. Ook Jan van der Heijden zelf wordt een keer ten tonele gevoerd: In van “Nul to Nu”. Dat is wel weinig aandacht voor deze grondlegger, kunstenaar, uitvinder en organisator.

Lucky Luke laat in “De zingende draad” een mooie stoombrandspuit voorbij komen.

De brandbestrijding op vliegvelden is vanzelfsprekend te zien in de verhalen van Buck Danny, maar dit fragment uit “Het geheim van Dan Cooper” is ook historisch uitzonderlijk.

Uit de groep “overige voertuigen” een fragment uit Kapitein Rob “Het mysterie van het zevengesternte”, compleet met het Paleis op de Dam, helmen en snorren.

Sommige stripverhalen hebben een relatie met werkelijke gebeurtenissen. Dat kan toevallig zijn of echt zo bedoeld. In het geval van het verhaal Van tekenaar Buth uit Gent : Thomas Pips “In de greep van Bulla Kos” waarin een grote brand in een warenhuis wordt beschreven. Veel later was er de brand in L’Innovation. in dat verhaal tekent Buth mooie draagbare blustoestellen, die doen denken aan de beroemde Minimax.
In Suske en Wiske “Het geheim van de Kalmthoutse Heide” wordt een grote heidebrand beschreven. Het verhaal stamt uit 1981. Dertig jaar later, in 2011, was er weer zo’n enorme brand.

Bij de afbeeldingen van springzeilen is er niet altijd een relatie met de werkelijkheid. Je ziet bijvoorbeeld een springzeil dat door vier brandweerlieden wordt strak gehouden. (uit: Les pompiers, Tome 1, Des gars des eaux, door Christophe Cazenove en Stédo)

 

 

 

 

Maar een mooi voorbeeld van iets wat wellicht toch echt gebeurd kan zijn is het verhaal van Oom Wim In Robbedoes “Paniek in de schouwburg”, waarin de grote brand in het Ringtheater in Wenen in 1881 wordt beschreven. Het verhaal gaat dat de theaterdirecteur zich vanaf het dak in veiligheid moest brengen door te springen. De omstanders hadden een gordijn uit het theater als springzeil gereed gemaakt. Ook als het niet klopt is het een mooi plaatje.

 

In “Van echt to vals” van Uuterwaerdt zien we helmen en een bijl en in Dan Cooper “Operatie Kosmos 990” blusvliegtuigen in actie.
    

Fantasie
In een verhaal van De Generaal wordt zijn tank waarmee hij altijd ten strijde trekt omgebouwd tot brandweerauto. Dat levert een mooi resultaat op.

Bij Paulus de Boskabouter (misschien niet echt een stripverhaal) komt in het verhaal “De Uitvinder” een blusapparaat voor dat er prachtig uitziet, maar helaas niet werkt.

Ook de knutselsmurf doet zijn best.

Het ligt voor de hand dat Jerom in een Suske en Wiske verhaal iets bijzonders doet. Hij tilt een olifant op, die net een grote hoeveelheid water heeft opgezogen en laat de olifant blussen.
Zo wordt er meer onorthodox geblust: In FC De Kampioenen Het SEHKS -schandaal bijvoorbeeld.

Een zoektocht zonder eind
Omdat er nog steeds stripverhalen worden gemaakt en omdat lang niet alles uit het verleden is onderzocht is de zoektocht naar brandweer in stripverhalen voorlopig nog niet ten einde. Over wat er gevonden is kan overigens nog veel meer worden verteld. Zoals over de steeds opnieuw getoonde bovengrondse brandkranen in de verhalen van Donald Duck, over de bijna vergeten manschappenwagentjes die er op Schiphol waren en optraden in een Kuifje verhaal, over de humor van Guust Flater en andere personages. De verzameling van meer dan 2500 fragmenten is een “Fundgrube” voor de liefhebber.

———————————————————————————

De verbeelding van de verloren stad

Ed Oomes, 25 mei 2017. 
De foto's zijn impressies van het bezoek aan Verdun.

Het was zomer, augustus en heet. Niet alleen in Nederland, maar ook in Noord-Frankrijk. Ik ging met mijn zoon, hij was toen 15, naar Verdun. Kijken naar de oude slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog, naar de bunkers, de loopgraven, de kazematten. En naar de verwoeste dorpen rondom Verdun, zoals Bezonvaux en Fleury. Van Fleury is niet meer over dan een wandelpad onder bomen, dat tussen de gaten in de grond door loopt. Her en der getuigen bordjes van wat er ooit gestaan heeft. De smid, de bakker, een boerderij. Nog een boerderij. De kerk.

Mort pour la France, staat er op een bord bij de ingang van de ruïnes, maar dood is Fleury niet: les sites de Grande Guerre trekken veel toeristen. Ik denk dat de verloren dorpen van Verdun meer bezoekers hebben dan menig ander gehucht van die omvang in Frankrijk. Bovendien heeft Fleury nog een burgemeester, net als Douamont, de zustergemeente. Gelijk de kapiteins die als laatste hun schip verlaten, besturen ze de restanten van wat ooit fysieke dorpen waren, maar nu imaginaire gemeentes zijn geworden. Het zijn villages détruites, verloren stadjes die doorleven in de verbeelding. Hoe zouden de mensen er voor de oorlog hebben geleefd? En hoe zouden ze er nu – zonder de Grote Oorlog – hebben geleefd?

Niemandsland

De ruïnes rondom Verdun waren het gevolg van heftige gevechten in de loopgraven, die de strijdende partijen tussen zware stellingen aangelegd hadden. Zo ontstond een smalle strook van destructie, die de ene dag een paar meter naar voren ging en dan weer een paar meter naar achter. Doelloos haast, ging het heen en weer. Hier was louter niemandsland, een tussenfase van zijn en niet-zijn. Het is Schrödingers stadsruïne; alleen door ter plaatse te kijken kan je weten of de mensen daar nog leefden of niet. Het was er nat, koud en er hing continu een penetrante lucht van rottend vlees, de stank van dode mensen en dieren. Het geluid van explosies en kanonnen overheerste alles en ging onophoudelijk door. In niemandsland was verwoesting een doel op zich, de hel voor de mensen die alles verloren, met als enige hoop dat er te midden van dat ultieme zwart toch ergens een klein wit puntje van menselijkheid te vinden zou zijn. Iets wat het leven de moeite waard maakte om door te zetten en de ontberingen het hoofd te blijven bieden.

Tegenwoordig ligt dat niemandsland er op het oog vredig bij, maar onder de bossen die na de Grande Guerre gepland zijn, liggen in de verschroeide aarde nog ontelbare slachtoffers begraven, omringd door bommen, giftige stoffen en zware metalen. Tsjernobyl heeft zijn sarcofaag over de ontplofte kerncentrale, Verdun zijn zone rouge rond de ontplofte aarde; een gebied van ongeveer 100 km2, dat volledig vernietigd werd en waar menselijk leven onmogelijk is gemaakt. Enkele tientallen tonnen aan granaten en troep wordt er jaarlijks uit de grond verwijderd. In dit tempo van schoonmaken duurt het nog 700 jaar voor de rode zone weer begaanbaar is. Waarom zou je daar met je kind gaan kijken?

De stad is een verhaal

De logische verklaring is dat we het verhaal achter de ruïnes niet mogen vergeten. Maar het niet-vergeten is niet de kern van het antwoord. De kern is het verbeelden van de verloren stad als plek waar mensen hebben geleefd en nog hadden kunnen leven. Kunnen zien dat er naast materie nog een andere werkelijkheid is, die van de mens met hoop op een doel om voor te leven. Dat pas zichtbaar wordt als je goed kijkt naar alles wat is overgebleven tussen de gebouwen door, naar dat wat niet verloren ging. Want een stad is niet alleen een fysieke plaats, een plek op de aarde. Het is ook een verhaal. De stad is zijn mensen, zei Plato, maar is er zonder mensen dan geen stad, geen hoop? Is dat een verloren stad? Wat maakt een stad tot de plek die het is? Zou Verdun anders zijn als er nu Duitsers hadden gewoond, of Belgen? En hoe zou Verdun eruitzien zonder inwoners? Zou het dan nog steeds Verdun zijn?

Darran Anderson is een psychogeograaf, iemand die zich bezighoudt met de wetenschap van het dwalen. Hij bestudeert de invloed van de omgeving op de geest, en hoe je met je eigen fantasie een stad anders kan beleven. In zijn boek ‘Imaginary Cities’ schrijft Anderson dat er twee soorten verloren steden zijn. Ten eerste de plaatsen waarvan de ruïnes nooit gevonden zijn, maar die wel een naam hebben, een geschiedenis. Het zijn steden uit de verbeelding van de mens, zoals Atlantis en El Dorado. Plekken die eigenlijk meer verhaal dan stad zijn, over hoop op rijkdom en geluk. Daarnaast zijn er de ruïnes waarvan niets meer bekend is en ook de oorspronkelijke naam verloren is gegaan. Steden zonder verhaal, waarover van feiten veel fictie werd gemaakt. “Truth becomes fiction when the fiction is real,” zegt Anderson daarover. Wat is er waar van een verzonnen stad? Is het de wetenschappelijk meest waarschijnlijke manier waarop mensen daar ooit leefden hoe je zo’n stad moet doen herleven? Of kies je juist voor de psychogeografie, kies je voor fantasie om de ruïnes te laten ontwaken en leven in te blazen, op zoek naar het witte puntje van de hoop?

Mohenjo Daro, de stad der doden uit Pakistan is zo’n stad zonder verhaal. Net als Tiwanaku in Bolivia en Machu Piccu van de Inca’s in Peru. Wat is de oorsprong achter het leven en de vernietiging van deze verloren steden? Wat kun je er nu nog van zien, tussen de fysieke ruïnes door? Is er een wit puntje zichtbaar? Zien ze er op één of andere manier uit als Fleury en Vaux? Of is het toch heel anders, zijn het steden uit zo’n ver verleden, dat je er te weinig van jezelf in terug kunt vinden om je fantasie er een aannemelijk verhaal van te laten maken?

De onzichtbare stad

“Bij aankomst in iedere nieuwe stad vindt de reiziger iets van zijn verleden terug waarvan hij niet meer wist dat hij het had: de vreemdheid van dat wat je niet meer bent.” Dat schrijft Italo Calvino in ‘de onzichtbare steden’. Zou dat ook gelden voor de ruïnes of hun verhaal? Kan je iets van jezelf terugvinden in een verloren stad, waar verder alles kwijt is? Is daar ook een wit puntje in het zwart zichtbaar? Calvino is er optimistisch over. Hij schrijft: “Met steden is het als met dromen, van alles wat je je kunt voorstellen kun je dromen, maar ook de meest onverwachte droom is een rebus die een verlangen verbergt, ofwel het omgekeerde ervan, een angst.” De enige beperking van wat de verloren stad je laat zien is de grens van je verbeelding. Je moet er iets van jezelf in terug kunnen vinden. Hoe groter je verbeelding, hoe meer je van je zelf ziet en hoe meer het leven de moeite waard wordt door dat wat kan, niet door dat wat eens was, nu is of straks zal moeten.

Natuurlijk kan je de verloren steden die wij zelf maken in onze samenleving aanvaarden en je er verder niet meer in verdiepen. Eens kapot, altijd kapot. Dat is de makkelijke variant die de meesten onder ons accepteren, zo zegt Calvino in het slot van zijn boek. De tweede manier om er mee om te gaan is riskant en vraagt continue aandacht en studie: “Zoeken en weten te herkennen wie en wat er, te midden van de hel, geen hel is en dat laten voortduren, en er ruimte aangeven.” Zoals in de Tao zelfs het diepste zwart altijd een klein wit puntje zal hebben. Daar moet je goed voor naar verloren steden leren kijken, het bijna-onzichtbare kunnen zien. Om er iets van jezelf in terug te vinden en met die fantasie het verhaal van de stad en zijn mensen doen te herleven om hun hoop te leren kennen.

Dat was waarom ik mijn zoon mee nam naar Verdun in die hete week in augustus. Om niet te aanvaarden en je zelf terug te vinden. Om te leren kijken met verbeelding. Om het zwart van de vernietiging te bestuderen en daarin het witte puntje te herkennen wat de moeite waard is om voor te leven, en er ruimte aan te leren geven. Daar moet je op tijd mee beginnen, zo dacht ik, gelijk Calvino. Want het pad is lang en vraagt continue aandacht. De verloren stad is namelijk pas echt verloren als je het verhaal van de mensen tussen de ruïnes niet meer ziet en dat moeten we met alle verbeelding voorkomen.


Een kleine ode aan de verdwenen ontdekkingsreiziger

Ed Oomes, 13 mei 2017

Het staat in mijn twitterbio van @Rizoomes, The map is not the territory. Een uitspraak van de Franse filosoof Gilles Deleuze en het wil zoveel zeggen dat een representatie van de werkelijkheid niet de werkelijkheid is. Alles wat je opschrijft en tekent is een interpretatie, het is niet dé realiteit. Niet de enige althans. Voor veel mensen is dat aanleiding om de daadwerkelijke beleving belangrijker te vinden dan de verbeelding. Die gaan zelf op reis, naar zo onontgonnen gebied als mogelijk. Ontdekken. Afzien, zweten, dingen mee maken in the territory, niks map. Dat dus.

De Kleine Prins

Ik niet. Ik heb het liefst dat er voor me gereisd wordt en dat daar mooi verslag van gedaan wordt, zodat ik daar dan mijn eigen verhalen bij kan verzinnen. Ik reis mee in een boek, via de map. Op die manier hoef ik zelf niet op pad, de plantjes moeten namelijk nog water en de katten, voer. Toch kom ik zo overal met mijn ‘meereizen’. Ik lijk wel de aardrijkskundige op de zesde planeet van de kleine prins, uit het beroemde boek van Antoine de Saint – Exupery. “Dat is een geleerde die weet waar de zeeën zijn en de steden, de bergen en de woestijnen”. Hij schrijft de verhalen van ontdekkingsreizigers in dikke boeken. Eerst in potlood en dan in inkt, als de beschreven tochten zijn bewezen. “Want een leugenachtige ontdekkingsreiziger zou rampzalig zijn voor de aardrijkskundeboekjes. En ook een ontdekkingsreiziger die teveel zou drinken.”

De Kleine Prins getekend door Exupery zelf

De aardrijkskundige van de kleine prins heeft daarom een groot gebrek aan ontdekkingsreizigers. Want die houden wel van een biertje. Willem Kloos zei het al, “Ik houd erg van een mooi uitzicht buiten maar ik moet er iets te drinken bij hebben.” Ik begrijp dat, ontberingen maken dorstig. Ik heb er daarom teveel, reizigers. Het wemelt in mijn boekenkast van de reisverhalen, alleen in het Nederlands al. Zo was ik bijvoorbeeld overal waar Cees Nooteboom was en dichter bij huis, Martin Bril. Want reizen hoeft niet ver te gaan, als er maar wat te verbeelden valt. Als het maar beweegt, inspireert tot nieuwe gedachten en ideeën. Daarvoor is het reisverhaal bij uitstek geschikt. Het zijn er alleen zo veel. Ik moet dus kiezen. En dan kies ik voor de verdwenen ontdekkingsreiziger.

Antoine

Ja, mijn favoriete reisboeken zijn de verhalen waarvan de schrijver nooit is teruggekeerd. Geen einde is meer open dan dat van de onafgemaakte reis. Alles is nog mogelijk, voor zover de fantasie het niet begrenst. Juist daarom is De Kleine Prins één van mijn lievelingsboeken. De schrijver, Antoine de Saint – Exupéry, keerde nooit terug van zijn laatste vlucht op 31 juli 1944. Dat gaf het verhaal van het kleine jongetje uit de sterren dat de aarde bezoekt een extra dimensie. Wat zou er allemaal nog kunnen gebeuren waar we nu geen weet van hebben? Welke avonturen liggen er mogelijk nog op ons te wachten? Wie weet, komt er ooit uit het niets nog een nieuw hoofdstuk bij, als de Exupéry de geheime reisverslagen van na zijn laatste vlucht toch zou willen openbaren.

Het liep anders. De Kleine Prins is in één klap groot geworden toen het vliegtuig van de Exupéry in 2004 gevonden werd voor de kust van Marseille. Zestig jaar had het in zee gelegen op zestig meter diepte, en zestig jaar lang hadden wij allemaal kunnen dagdromen wat er met hem gebeurd zou zijn. Zou hij doorgevlogen zijn naar Afrika, naar de woestijn uit zijn boek? Om daar een nomadisch bestaan te beginnen, te zoeken naar de slangen, het schaap, de berg en de bloemen van de Kleine Prins? Of zou hij zich juist heel ergens anders ophouden? Bijvoorbeeld in Casablanca en daar de beroemde film noir met Humphrey Bogart keer op keer opnieuw beleven? We zouden het nooit geweten hebben, als zijn vliegtuig niet was ontdekt. Nu is het boek gesloten en zijn reis ten einde. Er komt geen nieuw hoofdstuk van de Kleine Prins.

De Kleine Prins is voor velen inspiratie geweest om te verwerken in hun eigen versie. Zoals door Gottlib in deze strip over een Kleine Prins met een spraakgebrek.

Amelia

Gelukkig voor de liefhebber van de verdwenen ontdekkingsreiziger is daar nog Amelia Earhart. Earhart was de eerste vrouw die solo de Atlantische Oceaan over vloog in 1932. Drie jaar later stak ze de Grote Oceaan over, ook in haar eentje. Een echte ontdekkingsreiziger, wier avonturen zowel in inkt als in potlood geschreven staan. In potlood, omdat ook zij niet terugkwam. In 1937 begon ze aan een vliegreis rond de evenaar, een riskante tocht van 47.000 km. “Begrijp alsjeblieft dat ik me heel goed bewust ben van de risico’s. Ik wil het doen omdat ik het wil doen. Vrouwen moeten dingen proberen, zoals mannen dingen hebben geprobeerd. Als ze falen, is hun mislukking alleen maar een uitdaging voor anderen.”

Op 2 juli 1937 werd het laatste levensteken van haar vernomen. Sindsdien is ze spoorloos en fantaseren we over wat haar is gebeurd. Zou ze door de Japanners gevangen zijn genomen, omdat ze haar van spionage verdachten? Is ze geland in Australië, om in het geheim door te leven met haar navigator, op wie ze tijdens de vlucht misschien wel verliefd was geworden? Of had ze toch nog een noodlanding gemaakt bij het onbewoonde eilandje Nikumaroro, waar later de skeletresten van een blanke vrouw zijn gevonden? Zouden mogelijk nog meer mensen haar noodsignalen hebben opgevangen, zoals destijds de 15-jarige Betty Klenck? En hebben die haar dan misschien gered?

Kathryn

Het antwoord op die laatste vraag is: ja! En verrassend genoeg is Earhart gered in een aflevering van de tv-serie Star Trek Voyager. Reizen kun je immers in tijd en ruimte, in boeken en op tv. Het loopt allemaal in elkaar over, voor zover de verbeelding het toestaat. De Voyager wordt in die science fiction reeks vermist. Op de één of andere manier zijn ze van de ene kant van het heelal aan de andere kant terecht gekomen. Terugvliegen kost minimaal zeventig jaar. Op de thuisbasis weten ze echter van niets. Voor hen is de Voyager verdwenen, kwijt. Kathryn Janeway, de gezagvoerder van de Voyager, is daarmee zonder dat ze het zelf beseft de Amelia Earhart van de science fiction. Het verhaal herhaalt zich, met de destination unknown.

De ontmoeting van de twee vrouwelijke captains in de ruimte illustreert mijn voorliefde voor de onafgemaakte reis; ook al is het een fictieve ontmoeting, er is van alles mogelijk. Dat de Voyager en Janeway zelf een verhaal zijn en er en passant van Earhart in die aflevering één maken, is daarbij geen enkel probleem. Het is niet de feitelijkheid van een reis die het interessant maakt, maar de onbegrensde mogelijkheid van het onbekende, de verbeelding. Het gaat niet alleen om wat een reis is, maar om wat het nog meer kan zijn.

Het is daarom jammer dat de schrijvers van Star Trek gekozen hebben voor een happy end van de serie, in plaats van een open end. Na 7 jaar keert de Voyager uiteindelijk terug op aarde en is iedereen gelukkig. Eind goed, al goed, zo heeft men vast gedacht, maar dat is fout gedacht. Niet het arriveren is wat gelukkig maakt, maar de reis zelf. Daarom is het wel prettig dat de schrijvers Earhart achter hebben gelaten op die planeet in de toekomst. Zo is zij niet dood en nog steeds een verdwenen reiziger.

Hugo Pratt schreef een strip over Exupery zelf, maar ook daar kwam de Kleine Prins vragen of zijn schaap al getekend was.

Antoine en Amelia

Niets staat haar dan ook een ontmoeting in de weg met de kleine prins. Ergens op die planeet, in de woestijn waar haar vliegtuig is gestrand, wordt ze gewekt door een grappig klein stemmetje. Met die ene gekke vraag, die hij altijd aan iedereen stelt.

“Toe, teken eens een schaap voor me.”

“Hè?”

“Teken eens een schaap voor me.”

Amelia wrijft de slaap uit haar ogen en kijkt het jongetje aan.

“Ah, ik zie het al”, zei ze. “Jij bent de kleine prins. Ik herken je van de tekeningen uit je boek.”

De kleine prins zegt niks terug, en kijkt strak voor zich uit. Inmiddels is Amelia druk aan het tekenen geslagen.

“Hier,” zegt ze. “Je schaap. Ik heb hem speciaal in een reisverblijf getekend, dan kan je hem veel makkelijker meenemen.’

De prins glundert. “Dat is handig.” Hij vouwt het papier dubbel en stopt het in zijn zak. “Dan ga ik maar.”

“Waar ga je heen?”

De kleine prins zwaait met zijn hand in een richting. “Daarheen”, denk ik.

Amelia heeft al weer een nieuwe tekening gemaakt. “Kijk, een kaart van het terrein. Ik heb de waterput, de slang, de bloemen en de vos al ingetekend.”

“Oh, dan hoef ik daar niet meer heen in ieder geval. Dat is wel zo gemakkelijk.”

“Zal ik met je mee gaan? Het kan nog wel even duren voor er een nieuw ruimteschip voorbij komt en dan kan ik net zo goed de planeet hier een beetje met jou verkennen.”

“Als jij dan de kaart bij houdt. In potlood, voor de aardrijkskundige.”

“Dat is goed”.

Ze staan op en lopen de berg af, weg van het vliegtuig.

“Hoe heet je eigenlijk”, vraagt Amelia. “Ik ga je niet de hele tijd kleine prins noemen, hoor.”

“Antoine.”

Zelfs Moebius, beste striptekenaar ooit, heeft zich aan de Kleine Prins gewaagd.

Vanachter mijn bureau beschouw ik die imaginaire ontmoeting als was ik de aardrijkskundige van de 6e planeet. Ik bedenk er een nieuw hoofdstuk van de Kleine Prins met Amelia Earhart, steeds opnieuw, dat ik alleen in potlood zal schrijven. Mijn map van de territory, als ode aan de verdwenen ontdekkingsreiziger.


 


 Meer blogs lezen? Kijk in het archief
Of kijk bij de thema’s van Rizoomes

 

6 gedachten over “Rizoomes blog

  1. Verfrissend om originele denkwijzes en omdenkingen te lezen, geschreven vanuit een praktijkgerichte visie. Een aanrader voor omdoordenkers !

  2. De cases Tuitjenhorn en Maat zijn stuitende voorbeelden hoe we afdrijven van de bedoeling en blijven steken in de systeemwereld. Weer heel mooi beschreven door Ed Oomes. Heb vertrouwen in onze professionals en toon lef om ze te beschermen.

  3. Top, ziet er erg goed uit en een aanwinst voor brandweer Nederland en een steuntje in de rug voor de OM-denkers. Ik ga de site actief (als verplichte kost) volgen. Daarnaast vind ik de naam erg leuk gevonden. Gefeliciteerd met nu al een geslaagde start en heel veel succes 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *